Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


8.3.3 Geleidelijke verwezenlijking

Geleidelijke verwezenlijking zonder specifieke eindtermijn betekent, zoals hierboven reeds werd uiteengezet, dat in ieder geval een begin gemaakt dient te worden met de verwezenlijking. De tijd die een staat is toegemeten om te goeder trouw aan zijn verdragsverplichtingen te voldoen, kan per verplichting en zelfs per onderdeel van een verplichting verschillen, maar het ontbreken van een eindtermijn is geen vrijbrief voor een langdurig en onnodig talmen. De dynamische opvatting vraagt om een uitwerking naar de eisen van het tijdsbestek, en niet om het nalaten van beleidsmaatregelen.

De verwezenlijking van de zogenaamde negatieve verplichtingen van het Vrouwenverdrag kan uiteraard direct ter hand worden genomen. Staten dienen zich eenvoudigweg te onthouden van bepaalde handelingen die strijdig zijn met het Vrouwenverdrag zodra het Vrouwenverdrag in werking treedt. Moeilijker te beoordelen is de verwezenlijking van de zogenaamde positieve verplichtingen. De regering leidde met name uit de aanhef van artikel 2 Vrouwenverdrag af dat verwezenlijking van de daarin genoemde doelstelling een geleidelijke zaak is, zij het dat deze zonder uitstel ter hand genomen diende te worden. Dat wil zeggen dat bij de inwerkingtreding van het Verdrag nog niet alle uitvoeringswetgeving tot stand behoeft te zijn gebracht, maar dat er wel onmiddellijk een begin mee moet worden gemaakt. Wat betreft de termijnen waarbinnen aan de verdragsverplichtingen moet zijn voldaan, wordt duidelijk dat de regering, maar ook het parlement, zich niet wilde vastleggen. Een dergelijk vastleggen zou - zo werd toen gesteld- een dynamische interpretatie in de weg staan.[382]

Deze opvatting over geleidelijke verwezenlijking heeft met name bij de uitwerking tot minimalisering van het belang van het Vrouwenverdrag geleid. Omdat was afgezien van het noemen van een eindtermijn is bovendien de rechter geen duidelijk toetsingscriterium in handen gegeven om de geleidelijke verwezenlijking te beoordelen.

Dat betekent echter niet dat de geleidelijke verwezenlijking niet getoetst kan worden.[383] Er is wel degelijk toetsing mogelijk, met name over de vragen:

  • of er sprake is van een begin van verwezenlijking
  • of een bepaalde minimumstandaard in acht is genomen over de vraag
  • of de staat redelijkerwijs maatregelen had moeten nemen c.q. niet moeten nemen in de gevallen waarvoor de staat verantwoordelijk, "accountable", is.

Deze toetsingscriteria zijn te hanteren door het CEDAW, maar ook door de nationale rechter. De beleidsvrijheid van de verdragspartijen is dus kleiner dan op het eerste gezicht lijkt.

Een onderscheid dat ten aanzien van de verwezenlijking wel gemaakt wordt, is dat tussen "obligations of means" en "obligations of ends", ook wel "obligations of result" genoemd.

Een "obligation of means" refereert aan de beleidsinstrumenten die een verdrags-partij dient te hanteren. "Obligations of means" stellen dus grenzen aan de manier waarop een staat zijn beleid inhoud geeft.

Een "obligation of ends" ofwel "obligation of result" heeft betrekking op de uitkomst van het beleid van een staat.[384]

Hoe concreet zijn nu de doelstellingen van het verdrag? Hendriks stelt dat de uitbanning van discriminatie een heel concreet doel is, waaruit geconcludeerd kan worden dat het bij art. 2 gaat om een "obligation of result". Dit impliceert dat de verdragsstaat wel een bepaalde beleidsruimte heeft om het type maatregelen te bepalen ter uitbanning van discriminatie, echter alleen zolang deze maatregelen adequaat genoeg zijn om de discriminatie van vrouwen te verminderen of op te heffen.[385] De beleidsvrijheid van de verdragspartijen is bij een "obligation of result" immers kleiner dan wanneer de verdragsdoelstelling als een inspanningsver-plichting wordt opgevat.[386]

Maar ook ten aanzien van de zogenaamde "obligations of means" kan worden gezegd dat deze wel degelijk (marginaal) getoetst kunnen worden, en dit betekent eveneens een beperking van de vrije beleidsruimte van de verdragspartij.

Het vastleggen van een redelijke termijn impliceert trouwens niet dat daarmee een dynamische interpretatie van het Verdrag onmogelijk zou worden gemaakt, zoals de regering stelde. Artikel 2 verplicht de verdragsstaten een antidiscriminatiebeleid te voeren "zonder uitstel". Dit is een concrete verplichting waaraan de acties van de verdragsstaat kunnen worden getoetst.[387] Wat betreft een redelijke termijn van verwezenlijking noemen Alkema en Zaaijer een termijn van tien jaar.[388] De vraag is echter wel vanaf welk moment een dergelijke termijn precies gaat lopen. Nederland heeft er immers tien jaar over gedaan om het Verdrag zonder voorbehouden te ratificeren en heeft zich dus uitvoerig op de verdragsverplichtingen kunnen bezinnen. Zoals Kalsbeek al aangaf[389]:

"Het streven is er steeds op gericht geweest, zoveel mogelijk van de verdragsverplichtingen te realiseren, alvorens tot goedkeuring over te gaan."

Dat suggereert dat de redelijke termijn voor verwezenlijking na de goedkeuring van het Verdrag juridisch gesproken wel eens aanzienlijk korter zou kunnen zijn.

Ook Byrnes en Connors laten de verdragsstaten niet vrij bij de geleidelijkheid van de verwezenlijking. Zij willen in ieder geval een probleemanalyse, een plan, met meetbare doelen en middelen en een tijdpad. Zij merken met betrekking tot art. 2 op:

"a good faith interpretation of such an obligation nevertheless (means) that some steps must be taken immediately. These include, for example, steps to establish the extent and causes of a problem, the development of a plan of action to address a problem and the establishment of goals and targets which permit the measurement of progress over time."

Zij verwijzen hierbij naar Aanbeveling nr. 3 van het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, waarin richtlijnen gegeven worden om te kunnen bepalen of staten die partij zijn bij het IVESCR, voldoen aan hun verplichtingen.[390] Genoemde auteurs zijn van mening dat het CEDAW in elk geval zal kunnen toetsen

"whether a State Party has taken the minimum steps necessary for it to carry out its obligation in good faith."

De vraag is wat er van een verdragspartij verwacht mag worden als het gaat om het nemen van die "minimum steps" in een tijd van schaarse middelen. Economische recessie is in elk geval in het licht van de Limburg Principles onvoldoende rechtvaardiging voor het niet, onvoldoende of niet tijdig implementeren van de verplichtingen uit het Vrouwenverdrag.[391]

Ook Coomans stelt aan de orde hoe een verminderde bescherming van sociale rechten als gevolg van de afname van beschikbare middelen, zich verhoudt tot het beginsel van geleidelijke verwezenlijking vervat in art. 2 lid 1 IVESCR. Uitgangspunt voor wetgeving en beleid dient steeds te zijn, zo stelt hij, dat de staat ondanks financieel-economische tegenslag blijft streven naar een toenemende verwezenlijking van sociale, economische en culturele rechten. Indien de regering van een staat de teruggang in het niveau van verwezenlijking van sociale rechten wil doorvoeren, dan dienen de verdragsverplichtingen daarbij expliciet in de overwegingen te worden betrokken. De staat dient de noodzaak van de achteruitgang in de realisering van sociale rechten gemotiveerd aan te geven. Dat wil zeggen dat de gevolgen van de voorgestelde beperkingen op de verwezenlijking van sociale rechten moeten worden aangegeven, met name voor kwetsbare maatschappelijke groepen. Daarbij dient de staat te garanderen dat een vermindering van bescherming van rechten een niet-discriminerende uitwerking heeft. De teruggang mag niet ten koste gaan van een bepaalde maatschappelijk groep.[392] Het toezichthoudend Comité bij het IVESCR is in dit verband van opvatting dat een opzettelijk regressieve maatregel

"would require the most careful consideration and would need to be fully justified by reference to the totality of the rights provided for in the Covenant and in the context of the full use of the maximum available resources."[393]

Concluderend kan gesteld worden dat een staat die partij is bij het Vrouwenverdrag kan worden aangesproken op de maatregelen die hij, gezien zijn economische positie, had kunnen nemen. Er mag in elk geval géén sprake zijn van verslechtering met een beroep op een economische teruggang, tenzij deze verslechtering kan worden gerechtvaardigd met een beroep op het geheel van rechten voorzien in het Vrouwenverdrag en in het licht van het volledig gebruik van de maximaal beschikbare middelen. "Minimum steps" moeten worden genomen in de richting van verbetering van de positie van vrouwen ten opzichte van mannen. De maatregelen mogen geen directe discriminatie inhouden en niet nadelig uitwerken voor vrouwen; indirect discriminerende maatregelen moeten strikt worden getoetst. In ieder geval is er altijd sprake van een minimumnorm.