Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


8.3.4 Minimum- en maximumverplichtingen

Om de minimumnorm vast te stellen kan de kerninhoud van een recht als hulpmiddel gebruikt worden. Het begrip kerninhoud betekent dat elk recht een bepaalde intrinsieke waarde in zich draagt, die het wezenlijke of het essentiële element van elk recht afzonderlijk belichaamt. Indien de kerninhoud niet kan worden gewaarborgd, verliest een recht zijn betekenis als mensenrecht, omdat in een dergelijk geval de menselijke waardigheid in het gedrang komt, die immers het fundament vormt van de rechten van de mens. Volgens Coomans kan de kerninhoud niet afhankelijk worden gesteld van de specifieke sociaal-economische of culturele situatie van afzonderlijke landen. De kerninhoud is inherent aan elk recht; daarmee kan niet gemarchandeerd worden. Mocht een staat te maken krijgen met een tekort aan financiële en andere middelen, dan moet hij kunnen aantonen dat alle mogelijke inspanningen zijn verricht om de beschikbare middelen met voorrang toe te wijzen ten behoeve van de verwezenlijking van de minimumkerninhoud van de afzonderlijke rechten.[394]

Op grond van de inhoudelijke kenmerken van het Verdrag en met name de invulling van het discriminatieconcept, gecombineerd met de minimumver-plichtingen zoals in paragraaf 8.3.4 geformuleerd, is het nu mogelijk een onderscheid te maken tussen de minimumverplichtingen op basis van het Verdrag, oplopend tot de zogenaamde maximumverplichtingen.

Voor wat betreft de minimumverplichtingen geldt dat bij maatregelen, waarvan waarschijnlijk is dat zij de situatie van vrouwen verslechteren (zeker ten opzichte van de situatie van mannen), de bewijslast dat dit niet het geval is, bij de verdrags-partij ligt. Dit betekent dat deze bewijslast een serieuze onderzoeksplicht met zich meebrengt[395] en dat eventuele compenserende maatregelen in het kader van de "due diligence" moeten worden genomen om het verdragsdoel te verwezenlijken. Bovendien geeft het Vrouwenverdrag op diverse plaatsen waarborgnormen aan waar niet onder mag worden gegaan. Deze waarborgnormen betreffen vooral situaties waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende positie van vrouwen.[396] De invulling van het discriminatieconcept volgens de materiële gelijkheidsnorm betekent bovendien dat positief rekening moet worden gehouden met verschillen.[397] Dit impliceert een (sociaal) beleid met als doel de realisatie van materiële gelijkheid.

Indicatoren
Ten slotte geeft artikel 5 een normveranderend kader aan waarbinnen materiële gelijkheid gerealiseerd kan worden. Wanneer het Verdrag in zijn geheel als resultaatsverbintenis wordt gezien, zal Nederland als verdragspartij ook op termijn op de realisatie van dit normveranderend kader als (maximum)verplichting aangesproken kunnen worden. De resultaten moeten gemeten kunnen worden. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde indicatoren. De term "indicator" heeft betrekking op kwantitatieve, veelal statistische gegevens die inzicht beogen te geven in verschillende aspecten van de sociaal-economische ontwikkeling van een bepaald geografisch gebied op een bepaald tijdstip of over een bepaalde periode.
[398] Daarbij is het doel vooral inzicht te verkrijgen in economische, sociale, technische en gezondheidskundige ontwikkelingen. De Limburg Priciples besteden eveneens aandacht aan deze problematiek en bevelen indicatoren nadrukkelijk aan als hulpmiddel om de mate van vooruitgang inzake de verwezenlijking van bepalingen van het IVESCR te beoordelen. Ook binnen de VN-mensenrechtenorganen bestaat de laatste jaren een toenemende belangstelling voor het gebruik van indicatoren, met name na het uitkomen van het eindrapport van 1992.[399] Door het gebruik van indicatoren wordt de mate van verwezenlijking van de verdragsverplichtingen objectief toetsbaar. Ook ten aanzien van de realisering van verwezenlijking van verplichtingen uit het Vrouwenverdrag zou de ontwikkeling van indicatoren van groot nut kunnen zijn.