| 8.4 Controle en toetsing
van het Vrouwenverdrag 8.4.1 Controle op implementatie en
naleving
Bij de behandeling van de
Goedkeuringswet is de regering uitgegaan van zeer
beperkte controlemogelijkheden omdat zij een zeer ruime
beleidsvrijheid vooronderstelde, zowel ten aanzien van de
te nemen maatregelen als ook ten aanzien van de inhoud
van die maatregelen.
Er werden dan ook geen
toetsingscriteria genoemd; er werd enerzijds in zijn
algemeenheid verwezen naar het CEDAW en anderzijds - ook
in zijn algemeenheid - naar de nationale rechter.
Uit het bovenstaande blijkt echter dat er wel degelijk
toetsingcriteria te noemen zijn. De
toetsingsmogelijkheden zouden zowel op internationaal als
op nationaal niveau moeten worden gecreëerd.
Internationaal in het geval dat strijd met het
Vrouwenverdrag voorgelegd wordt aan het CEDAW (zie
hieronder), nationaal, als een individuele rechtzoekende
een beroep doet op rechtstreekse werking (zie 8.4.2 over
een Facultatief Protocol bij het Vrouwenverdrag, dat
voorziet in een individuele klachtrechtprocedure). Met de
aanname en inwerkingtreding van een dergelijk Facultatief
Protocol inzake individueel klachtrecht - waardoor er ook
een internationaal-rechtelijke instantie voor de
behandeling van klachten over schendingen van het
Vrouwenverdrag beschikbaar komt - zal een concretisering
van het Vrouwenverdrag middels uitspraken van het CEDAW
alleen nog maar in betekenis toenemen, zo heeft het
functioneren van toezichtsmechanismen bij andere
verdragen laten zien (zie hoofdstuk 7).
Waaraan kan nu getoetst worden? In
de eerste plaats de algemene beginselen van het
verdragsrecht, te weten:
- de goede trouw ("good
faith") en verschuldigde ijver ("due
diligence") bij de uitvoering van het
verdrag; alsmede de loyale verdragsuitvoering
en op basis van de analyse van de
verplichtingen uit het Vrouwenverdrag:
- het begin van verwezenlijking
("minimum steps")
- de minimumnormen, af te leiden
uit de kernbepalingen.
Ten slotte kunnen CEDAW en de
nationale rechter, afhankelijk van de situatie en van de
verplichting, meer of minder marginaal toetsen of de
overheid, gezien de maatschappelijke situatie en de
positie van (groepen) vrouwen daarin, maatregelen had
moeten nemen of juist nalaten, ofwel specifieke
maatregelen had moeten treffen (op grond van haar
verplichting tot het bevorderen van de materiële
rechtsgelijkheid en haar verantwoordelijkheid voor het
voorkomen van situaties die in strijd zijn met het
verdrag).
Daarbij dienen de rechtzoekende en
het CEDAW, c.q. de nationale rechter steeds de kern van
het verdrag in het oog te houden: de invulling van het
discriminatieconcept, die met zich meebrengt dat,
afhankelijk van de situatie, gelijke gevallen gelijk
behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk, naar de
mate van hun verschil. Dit loopt uit op een gradatie van
toetsbare verplichtingen, waarbij verslechtering van de
positie van vrouwen wordt uitgesloten en verbetering
verschillende vormen kan aannemen: een glijdende schaal
van "rekening houden met het verschil" en in
dat kader "bescherming bieden" tot
"erkenning en waardering van het verschil"
(zoals het belang van onbetaalde arbeid) en tot
normverandering in het kader van "het doorbreken van
stereotiepe rolverdelingen".
Daarbij doet zich de vraag voor
welke maatregelen nodig zijn en welke ook passend zijn.
Ook hier is alleen een genuanceerd antwoord mogelijk,
omdat de invulling afhankelijk is van de verplichting en
van de situatie. Er zijn in het algemeen weinig algemene
maatstaven voorhanden waaraan de noodzaak en het nut van
beleidsmaatregelen kunnen worden afgemeten. Wel zijn er
tegenwoordig nieuwe instrumenten in ontwikkeling, die de
effectiviteit van beleidsmaatregelen aangeven en is er
sprake van de ontwikkeling van beleidsindicatoren. Ook
het CEDAW heeft op het nut van dergelijke maatstaven
gewezen. Voor de nationale overheid is dat een aansporing
om te denken over het invoeren van indicatoren en van een
emancipatie-effectrapportage, zoals gesuggereerd door het
CEDAW.
|