| 8.4.2 Rechtstreekse
werking De AWGB is
als uitvoeringswet van het Vrouwenverdrag steeds genoemd
als de wetgeving bij uitstek waarin de rechten voor
individuele vrouwen zouden zijn vastgelegd. De AWGB geeft
voor sommige gevallen van vrouwendiscriminatie inderdaad
een regeling, maar zeker niet in alle. Dat heeft te maken
met de al besproken beperktheid van het
discriminatiebegrip in de AWGB, dat overstegen wordt door
het ruimere discriminatiebegrip van het Vrouwenverdrag.
De AWGB is in horizontale verhoudingen ook niet altijd
bruikbaar. De ruime invulling van het
discriminatieconcept uit het Vrouwenverdrag kan in
sommige gevallen de rechten van de vrouw uitbreiden,
indien daarvoor de juiste rechtsmiddelen aangewezen
kunnen worden. Dan moet vooral worden gedacht aan de
rechtstreekse werking van de bepalingen van het
Vrouwenverdrag, althans aan de mogelijkheid voor
individuele burgers en instanties om de overheid
verantwoordelijk te stellen voor situaties die in strijd
zijn met het Vrouwenverdrag.
Een bepaling ontleent niet alleen
haar betekenis aan het feit dat deze als "een ieder
verbindend" kan worden opgevat. Ook een bepaling
waaraan geen rechtstreekse werking wordt toegekend, is
verdragstechnisch gezien relevant en moet te goeder trouw
worden uitgevoerd. Uit de formulering van bepalingen van
het Vrouwenverdrag kan al snel een beeld van het Verdrag
ontstaan als niet rechtstreeks werkend en daarom
feitelijk van minder belang, en dat beeld is - zoals
reeds gesteld - onjuist.
In het algemeen is het voor de
status van de bepalingen van het Vrouwenverdrag in
Nederland van belang of en in hoeverre zij "een
ieder verbindend" zijn. Bepalingen die zich
rechtstreeks tot particulieren richten en hun rechten
toekennen, die zij kunnen uitoefenen zonder dat daarvoor
een nadere handeling van wetgever of bestuur is vereist,
zijn dat in elk geval. Wordt van de nationale
autoriteiten een nader optreden verlangd, dan betekent
dit dat de burger hierop geen beroep kan doen voor de
nationale rechter. De regering beriep zich tijdens de
goedkeuringsprocedure op de algehele tendens van het
Vrouwenverdrag, die geleidelijke tenuitvoerlegging van de
verdragsverplichtingen toestaat en derhalve rechtstreekse
werking van bepalingen zou uitsluiten.[400]
Dit standpunt lijkt op grond van de
hier volgende overwegingen niet goed houdbaar.
- De regering legt te weinig
verband tussen rechtstreeks werkende bepalingen
uit andere verdragen en gelijksoortige bepalingen
uit het Vrouwenverdrag.
- De invulling van het begrip
"een ieder verbindende bepaling" kan in
de tijd evolueren en hangt mede af van de uitleg
door het toezichthoudende Comité.
- De rechter heeft een breed
scala van mogelijkheden tot toetsing aan
internationaal recht.
ad 1.
Het regeringsstandpunt tijdens de
goedkeuringsprocedure trekt de kring van rechtstreeks
werkende bepalingen van het Vrouwenverdrag in het licht
van andere voor Nederland geldende verdragen te nauw.
Goldschmidt vroeg zich in 1984 reeds af waarom de meeste
deelbepalingen in art. 11 Vrouwenverdrag met betrekking
tot arbeid en sociale zekerheid, die immers rechten
betreffen die ook door het direct verbindend EG-recht
worden gegarandeerd, niet rechtstreeks verbindend zouden
kunnen zijn.[401] Ten
aanzien van artikel 11 lid 1 sub e Vrouwenverdrag wijst
Driessen eveneens op het al tamelijk fijnmazig net van
het Gemeenschapsrecht op dit terrein. Tevens fungeert
art. 26 IVBPR als een soort vangnet onder het Europese en
nationale recht. Volgens haar behoort het toekennen van
rechtstreekse werking door de rechter hier op termijn tot
de mogelijkheden.[402]
Interessant is in dit verband dat
de regering reeds in de Memorie van Toelichting
uitdrukkelijk heeft gesteld dat de verplichtingen onder
artikel 11 Vrouwenverdrag niet onmiddellijk bij de
inwerkingtreding kunnen worden gerealiseerd. Er is hier
een mogelijkheid tot geleidelijke verwezenlijking.
Ook ten aanzien van art. 10 onder a
en b, d, e en g met betrekking tot gelijke toegang tot
onderwijs en sportactiviteiten kan men zich afvragen
(mèt Goldschmidt) of deze rechtstreeks verbindend kunnen
zijn.[403] Voor
wat betreft artikel 10 (a, b, d en e) is Coomans het met
haar eens.[404] Gezien
het uitgebreide en omvattende karakter moet volgens hem
gekeken worden naar de afzonderlijke onderdelen van art.
10 teneinde de vraag naar de rechtstreekse werking te
kunnen beantwoorden. De regering merkte zelf reeds op dat
de Nederlandse wettelijke regelingen inzake het onderwijs
voldoen aan specifieke onderdelen, namelijk de leden a,
b, d en e. Het gaat hier om elementen waar de tekst van
art. 10 onvoorwaardelijk dezelfde behandeling van mannen
en vrouwen vereist. Indien in een concreet geval sprake
zou zijn van een ongelijke behandeling, wat zou
impliceren dat feitelijk niet dezelfde mogelijkheden voor
mannen en vrouwen beschikbaar zijn, kan naar de mening
van Coomans het relevante element van artikel 10
rechtstreekse werking hebben.[405] Byrnes en Connors gaan nog verder en
stelden, evenals het deskundigenteam tijdens de
bijeenkomst in Maastricht betreffende de aanname van een
ontwerp-Facultatief Protocol, dat in feite alle
verplichtingen in het Vrouwenverdrag rechterlijk
toetsbaar zijn. Opgemerkt moet daarbij worden dat het
debat over de "justiciability", dat zich op
internationaal niveau afspeelt, grote overeenkomst
vertoont met de nationale discussie over de directe
werking van bepalingen uit het Vrouwenverdrag. Dat
betekent dat wat niet via beleid of via openbare
besluitvorming gerealiseerd kan worden, onder
omstandigheden via de internationale weg kan worden
afgedwongen.
ad 2.
De mogelijke invulling van het begrip "een
ieder verbindende bepaling" kan evolueren door de
tijd heen. De vraag naar de rechtstreekse werking kan
verschillend beantwoord worden, al naar gelang de
rechtstoestand, die aan de internationale norm getoetst
wordt, zich voor rechtstreekse werking leent.[406] Een dergelijk
criterium benadert sterk het criterium dat in Baker v.
Carr[407] wordt
genoemd als criterium voor "justiciability",
namelijk dat een bepaling (of een onderdeel ervan)
"a repository of
judicially manageable standards which a court could
utilise independently in order to identify a States
lawful government"
moet hebben.
Als we een verband met andere
mensenrechtenverdragen leggen, zien we dat het Europese
Hof voor de Rechten van de Mens bijvoorbeeld van mening
is dat het EVRM gezien dient te worden als een
"living instrument". Dit betekent dat het
Verdrag geïnterpreteerd hoort te worden met inachtneming
van hedendaagse omstandigheden. Zeker als het Verdrag
door de opstellers in algemene termen geformuleerd werd,
is er ruimte voor de rechter om de termen nader in te
vullen, op zodanige wijze dat de resultaten in het
huidige tijdsbestek aanvaardbaar zijn. Deze visie biedt
de mogelijkheid in de loop van de tijd aan
maatschappelijke ontwikkelingen recht te doen. De visie
op de bescherming van de rechten van de mens in 1995
verschilt immers van die uit de periode waarin het EVRM
tot stand kwam. Het CEDAW kan met zijn interpretaties van
de verdragsbepalingen een voorbeeld nemen aan het
Europese Hof en de bepalingen van het Vrouwenverdrag
interpreteren in het licht van de tijdsgeest.
ad 3.
Er is een breed scala van toetsingmogelijkheden, die
door Heringa in een beschouwing gewijd aan
conventietoetsing en de relatie wetgeverrechter ter
gelegenheid van veertig jaar EVRM zijn geanalyseerd[408]:
"Mede dankzij het EVRM is
de constitutionele rol van de rechter een andere
geworden, een proces dat nog niet is voltooid. De rechter
laat zich in een aantal gevallen stimuleren om creatief
met aangereikte (verdrags)normen om te gaan en actief
wetgevend optreden te beoordelen. Daarbij wordt de
toepassing van art. 94 Grondwet, dat de rechter verplicht
een nationale regeling bij strijd met een
verdragsbepaling buiten toepassing te laten, in die zin
ver opgerekt dat gezocht wordt naar nationale
toepassingen en aanpassingen opdat het internationale
recht een maximaal effect heeft. Belangrijke voorbeelden
in dit verband zijn enkele uitspraken van de Hoge Raad
betreffende het personen- en familierecht, te weten die
betreffende de gelijke behandeling van wettige en
onwettige kinderen[409], de
gezamenlijke ouderlijke macht na echtscheiding[410],
en de gezamenlijke ouderlijke macht voor ongehuwden.[411] In al deze
zaken werden wetsbepalingen door een ruime uitleg
verdragsconform opgerekt, en voorzag de Hoge Raad ook nog
in analoge beroepsmogelijkheden voor de
gediscrimineerden. Niet alleen werd met andere woorden
het materiële rechtsregime aan het verdragsrecht
aangepast, ook werden de daaraan verbonden rechtsgangen
zodanig uitgewerkt dat zij van toepassing werden."
Heringa geeft in zijn beschouwing
acht verschillende varianten die in de rechtspraak zijn
ontwikkeld waar het de toetsing (en haar uitkomsten) aan
internationaal recht betreft. Die varianten hebben zowel
betrekking op de term "een ieder verbindende
bepalingen", als op de term "vinden geen
toepassing" (beide termen zijn uit artikel 94
Grondwet afkomstig), als in meer algemene zin op de
verhouding rechterwetgever[412]:
- Een wetsbepaling kan in
een concreet geval niet worden toegepast, omdat
de rechter strijdigheid constateert met een
internationale norm. De uitkomst van een en ander
kan zijn dat het geconstateerde gebrek zo
fundamenteel is dat de nationale regeling de
facto nimmer meer zal worden toegepast; maar ook
mogelijk is dat het gebrek gelegen is in de
toepassing van de nationale regeling op de
concrete casus. Een buiten toepassing laten van
een regeling kan met andere woorden voor het
voortbestaan van die regeling verschillende
consequenties hebben.
- Strijdigheid met een
verdrag kan worden opgeheven respectievelijk
worden voorkomen door de bestreden nationale
regeling verdragsconform te interpreteren.[413]
- In de hierboven
aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad op het
terrein van het personen- en familierecht werd
nog een stapje verder gegaan: niet alleen werd op
extensieve wijze het nationale recht
verdragsconform "uitgelegd", ook werden
daar door de rechter in de sfeer van de benodigde
rechtsgang de voorzieningen voor getroffen.[414]
- Onder omstandigheden kan
de rechter in gevallen waarin er strijdigheid met
een verdrag is geconstateerd de oplossing daarvan
aan de wetgever overlaten/opdragen en te zijner
tijd bij gebreke aan afdoend wetgevend optreden
zelf een oplossing kiezen.[415]
Bij zijn bespreking van art. 26
IVBPR gaat Heringa dieper in op de criteria die hierbij
gelden. Een complexe materie hoort primair ter regeling
aan de wetgever; het gaat daarbij om kwesties waarbij de
aard van de betrokken belangen in aanmerking moet worden
genomen; waarbij meerdere oplossingen mogelijk zijn; het
huidige recht geen aanknopingspunten bevat voor één
oplossing; en er uiteenlopende belangen bij betrokken
zijn waarbij ook uitwerking in administratieve
uitvoeringsmaatregelen vereist zal zijn.[416]
- Anders dan in de onder 4
bedoelde gevallen gaat het hier om kwesties die
de rechtsvormende taak van de rechter te buiten
gaan; alsdan verwijst de rechter na de
strijdigheid geconstateerd te hebben naar
de wetgever zonder deze aan te zeggen dat de
rechter bij gebreke van afdoend wetgevend
handelen zelf te zijner tijd zal handelen.[417]
- Onder omstandigheden is er
ook sprake van zogenaamde uitgestelde werking van
een verdragsartikel. Dat wil zeggen, aan een
verdragsbepaling wordt eerst met ingang van een
datum, gelegen na de inwerkingtreding van het
desbetreffende verdrag, effect gegeven.[418].
Wanneer het verdrag voorziet in geleidelijke
verwezenlijking, brengt de goede trouw met zich
mee dat door de overheid meteen na ondertekening
een begin gemaakt wordt met de geleidelijke
verwezenlijking, hetgeen zich leent voor toetsing
door de rechter (onmiddellijkheidsbeginsel).
- De Grondwet spreekt over
"een ieder verbindende bepalingen"; dat
wil zeggen doet net alsof een bepaling òf
rechtstreeks werkt òf niet. Zo eenvoudig ligt
het echter niet altijd. Een verdragsbepaling kan
in het ene geval wel en in het andere geval niet
rechtstreeks werken.[419]
- In de laatste te
onderscheiden categorie vallen die gevallen
waarbij de rechter claims op een verdragsartikel
honoreert, terwijl hij analoge claims, gebaseerd
op andere verdragsbepalingen, afwijst. Voorbeeld
hiervan is de relatie tussen artikel 13 EVRM en
artikel 8 EVRM. Vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad is om art. 13 EVRM niet als een ieder
verbindende verdragsbepaling te beschouwen.
Vergelijk onder andere HR 24 februari 1960, NJ
1960, 483, AOW I en HR 18 februari 1986, NJ 1987,
62. Immers, zo zegt de Hoge Raad, de rechter kan
niet zijn eigen rechtsmacht uitbreiden, want dat
is een taak van de wetgever. Maar dat is het niet
altijd. In de eerder aangehaalde kwesties
betreffende de ouderlijke macht na echtscheiding
en van ongehuwde (niet gehuwd geweest zijnde)
ouders liep het anders. Uit respectievelijk art.
8 EVRM en art. 14 EVRM leidde de Hoge Raad toen
de mogelijkheid tot uitbreiding en reconstructie
van de bevoegdheid van de rechter af en paste het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dusdanig
aan dat duidelijk was wie bij welke rechter
verzoeken met betrekking tot die ouderlijke macht
kon indienen. De rechter werd bevoegd gemaakt
waar hij dat nog niet was.
Samenvattend kan gesteld worden dat
voor wat betreft de invulling van het begrip "een
ieder verbindende bepaling" uit de artikelen 93 en
94 Grondwet een meer eigentijdse en minder traditionele
opvatting in de plaats gesteld dient te worden dan die
van het standpunt waarvoor de regering tijdens de
goedkeuringsprocedure heeft gekozen. Een meer eigentijdse
en dus ruimere invulling van het begrip "een ieder
verbindend" laat meer mogelijkheden voor toetsing
door de rechter en sluit aan bij een inmiddels zeer
gevarieerde toetsingspraktijk waarbij de grens tussen een
al of niet verbindende bepaling vervaagt.
Geconcludeerd mag worden dat de
ontwikkeling van de huidige doctrine in het
internationale recht en van de internationale
rechtspraak, in combinatie met uitspraken van
internationale (quasi)rechterlijke instanties en de
nationale rechter, het vermoeden wettigt dat er een
steeds grotere verwevenheid is van mensenrechten van
vrouwen en grondrechten op nationaal niveau. Deze rechten
zijn in een aantal gevallen inroepbaar bij internationale
(quasi)rechterlijke instanties en bij de nationale
rechter. De verdragsverplichtingen van staten zijn niet
eenvoudig meer een verplichting van de staten jegens
elkaar. Zij creëren onder omstandigheden ook
rechtsaanspraken voor de individuele burger. In het geval
van het Vrouwenverdrag zijn dat rechtsaanspraken van
vrouwen.
De meerwaarde van het
Vrouwenverdrag is vooral daarin gelegen dat het
Vrouwenverdrag niet alleen wetgever en beleid aanspreekt
op hun verplichtingen, maar ook individuele
rechtzoekenden passende rechten verleent. Daarnaast
levert het Verdrag een belangrijke materiële bijdrage
aan het vastleggen en concretiseren van de
(mensen)rechten van vrouwen.
| 1e gezicht |
2e gezicht |
| Hoofddoelstelling:
uitbanning discriminatie; gelijke kansen (zie ook
art. 5*) 1 discriminatieconcept
|
| Definitie
discriminatie: ongerechtvaardigd onderscheid
(AWGB) -
verbod directe discriminatie. Het Verdrag laat
uitzonderingen in de wet toe
- verbod indirecte discriminatie, tenzij
objectieve rechtvaardiging. Verdrag bevat geen
beperkingsgronden; dus als gebruikelijk
|
Definitie
discriminatie: discriminatieconcept ziet
specifiek op benadeling van vrouwen - verbod directe
discriminatie. Het Verdrag kent geen
beperkingsgronden: zeer strikte toets.
- verbod indirecte discriminatie. Het Verdrag
bevat geen beperkingsgronden: zeer strikte toets
- formeel gelijke behandeling: leveling-up
- materieel gelijke behandeling: op positieve
wijze recht doen aan verschillen en norm waaraan
wordt gemeten staat ter discussie (art. 5)
|
| 2
Verplichtingen voor staten |
| 2a
uitgangspunten |
| art. 2
aanhef: beschouwd als kernbepaling,
richtinggevend voor interpretatie gehele verdrag |
er is sprake
van een breed scala bepalingen die ieder apart
interpretatie behoeven (maar wel in samenhang met
de andere bepalingen) |
| 2b soorten
verplichtingen |
|
| -
inspanningsverplichting; richtsnoer voor de
overheid -
verplichtingen met name voortvloeiend uit
sociale, economische en culturele rechten; dus
ruime beleidsvrijheid en weinig concrete
verplichtingen
|
- verdrag als geheel:
resultaatsverplichting;
afzonderlijke
bepalingen gevarieerd
- rechten zijn
gebundeld rond het rechtssubject; burgerlijke en
politieke rechten en sociale, economische en
culturele rechten lopen in elkaar over en vullen
elkaar aan; beleids(on)vrijheid varieert met mate
van concreetheid bepaling of onderdeel daarvan
|
| 2c termijnen |
|
| - geleidelijke
verwezenlijking op termijn (geen eindtermijn;
mede omdat dit een dynamische interpretatie van
de bepalingen in de weg zou staan)
- er moet
onmiddellijk begin gemaakt worden met uitvoering
|
- bepalingen
verschillen onderling en ook per onderdeel qua
mogelijkheid tot verwezenlijking op korte(re) of
lange(re) termijn (de betekenis van
verdragsverplichtingen is weliswaar dynamisch,
maar dat laat onverlet dat steeds bepaald kan
worden wat op dat moment vereist is) - er moet onmiddellijk een
begin worden gemaakt met uitvoering
|
| 2d
minimum- en maximumverplichtingen |
| - ruime
beleidsvrijheid aangenomen; geen standpunt met
betrekking tot kritische ondergrens ingenomen
|
niveau van
verplichtingen uit verdrag: - in elk geval geen
verslechtering van de (rechts)positie van
(groepen) vrouwen, in concreto:
- geen directe
discriminatie
- geen
indirecte discriminatie, tenzij een zeer
strikte toets (bewijslast bij overheid)
- geen leveling
down, d.w.z. wanneer formele
gelijkstelling tot feitelijke materiële
ongelijkheid leidt. Waarborgen
noodzakelijk
- niet zakken
onder "minimumnorm" (zie CEDAW
en mogelijkheid om inhoud van die norm te
bepalen aan de hand van parallelle
bepalingen in andere
mensenrechtenverdragen)
- geen
aantasting van kerninhoud van
verplichtingen (zie CEDAW)
- verbetering van
de positie van vrouwen, in het kader van
materiële gelijke behandeling in het algemeen:
- een glijdende
schaal van:
. rekening houden
met verschil en in dat kader bescherming (zie
bijv. art. 11 lid 2, a, b), d.w.z. rekening
houdend met art. 5, dus bescherming totdat deze
stigmatiserend wordt en belemmerend gaat werken,
via:
.
erkenning/waardering van verschil (bijv. belang
van erkenning van onbetaalde arbeid, zoals
verwoord door CEDAW) tot:
. in het licht van
artikel 5: uitbanning van discriminatie
impliceert hier normverandering in het kader van
doorbreking van stereotiepe rolverdeling (zie
bijv. begrip arbeid en werknemer)
|
| 2e
met behulp van (instrumenten) |
| - met (alle)
passende middelen, waaronder met name wetgeving
en emancipatiebeleid worden verstaan
|
- per bepaling en
per onderdeel van een bepaling worden
verschillende instrumenten aangegeven, variërend
van:
- alle passende
maatregelen
- passende
maatregelen
- specifiek
genoemde maatregelen/rechten
-
bewakingsinstrumenten (bijv. indicatoren,
Emancipatie-effectrapportage) moeten ontwikkeld
worden (CEDAW)
|
| 3
waarborgen voor effectuering en naleving van het
verdrag |
| 3a
controle op implementatie en naleving |
| - zeer beperkte
controlemogelijkheden, vanwege ruime
beleidsvrijheid, zowel ten aanzien van te nemen
maatregelen alsook ten aanzien van de inhoud van
die maatregelen; geen toetsings- criteria
aangegeven; verwezen wordt naar CEDAW en
Nederlandse rechter
|
- er zijn
minimumeisen en verschillende controleniveaus: internationaal:
- internationaal
recht stelt minimumeisen:
. goede trouw bij
tenuitvoerlegging Verdrag
. "minimum steps"
. "due diligence"
- rapportageverplichting
aan CEDAW
- internationale
rechter kan Vrouwenverdrag betrekken bij
zijn overwegingen
nationaal:
- rapportage
aan het parlement ("Kalsbeek-
rapportage")
- nationale
rechter
niet-gouvernementeel:
- pers, NGO's,
vrouwenorganisaties: "mobilisation
of shame"
|
| 3b
handhaving van rechten |
| - rechtstreekse
werking: van weinig bepalingen wordt
rechtstreekse werking denkbaar geacht (art. 2d,
art. 7, art. 9, art. 11 ten aanzien van gelijke
beloning en lid 2a 1e deel [ontslagverbod bij
zwangerschap, bevalling en huwelijk] en art. 15
lid 3), maar uiteindelijk oordeel in concreet
geval aan de rechter - burger kan beroep doen op (m.n.)
AWGB voor handhaving rechten voortvloeiend uit
Verdrag
- concept
facultatief klachtrechtprotocol; Nederland draagt
actief bij aan voorbereiding en acceptatie
|
- de meeste
bepalingen bieden mogelijkheden tot (meer of
minder strenge) toetsing door de rechter
(criterium: "clearly justiciable")
- AWGB onvoldoende
waarborg: discriminatieconcept AWGB is een ander
dan dat van het Verdrag; AWGB doet onvoldoende
recht aan de beoogde werking van het Verdrag in
horizontale verhoudingen
- facultatief
protocol van groot belang; ook met het oog op
nadere invulling verdragsverplichtingen waardoor
controle op implementatie (3a) effectiever kan
worden
|
| *
Art. 5: doorbreking van stereotiepe rollen wordt
hier gezien als weg waarlangs de
hoofddoelstelling wordt bereikt. |
|