| 9 CONCLUSIES 1 Algemeen
De betekenis van het Vrouwenverdrag
voor de Nederlandse rechtsorde is tot nu toe onderschat.
Er zijn ontwikkelingen in de doctrines van het
internationale recht sinds de aanname van het
Vrouwenverdrag en sinds de behandeling van de
Goedkeuringswet, die hun weerslag tot nu toe onvoldoende
hebben gehad binnen de Nederlandse rechtsorde. De Memorie
van Toelichting op de Goedkeuringswet van het
Vrouwenverdrag is op veel punten achterhaald, evenals
sommige uitspraken die gedaan zijn bij de behandeling van
de Goedkeuringswet.
2 Veranderende doctrines in
het internationale recht
De veranderende doctrines van het
internationale recht houden verband met de ook door
regering en parlement gewenste dynamische interpretatie
van verdragsverplichtingen (= interpretatie naar de geest
van de tijd).
Genoemd kunnen worden:
- de ontwikkeling van de
verplichting tot verdragsconforme uitleg door de
nationale rechter
- nieuwe ontwikkelingen in de
rechtsvorming door internationale
(pseudo)rech-terlijke instanties en nationale
rechters door middel van verdragssystematische
uitleg ("inlezen")
- toenemende verwevenheid van
sociale en culturele rechten met burgerlijke en
politieke rechten en vervaging van grenzen tussen
positieve en negatieve verplichtingen
- verdere uitbouw en
verwevenheid van het internationale
supervisiesysteem: het Vrouwenverdrag is vaker en
specifieker toetsbaar dan in de nationale
discussie tot nu toe aangenomen is
- voortgaande integratie van
vrouwenrechten in de "mainstream" van
de mensenrechten, waardoor specifieke
vrouwenrechten zich ontwikkelen tot mensenrechten
van vrouwen.
3 Verandering nationale
politieke cultuur
Er is sinds de jaren tachtig sprake
van veranderende politieke en bestuurlijke opvattingen op
nationaal niveau, die hebben geleid tot een voorkeur voor
algemeen beleid en een tanende belangstelling voor
vrouwenproblematiek. De maatschappelijke analyse van het
vrouwenprobleem is op de achtergrond geraakt en een
structurele aanpak ontbreekt.
In het beleid en in de wetgeving
heeft een sterke "mainstreaming" plaatsgevonden
wat de positie van de vrouw aangaat, zowel in het
emancipatiebeleid zelf als in het algemene beleid.
Onvoldoende is onderzocht of deze
"mainstreaming" de feitelijke positie van
vrouwen verbetert. Aangetoond kan worden dat op allerlei
terreinen de positie van vrouwen niet is verbeterd en op
sommige terreinen zelfs is verslechterd. Vraagtekens zijn
te plaatsen bij de vergaande decentralisatie van
specifiek emancipatiebeleid en meer algemeen bij de
toetsing van beleid en wetgeving op hun effecten ten
aanzien van de positie van vrouwen.
De vraag is of de huidige
vormgeving van het emancipatiebeleid en het
institutionele kader van het emancipatiebeleid ("the
machinery") wel voldoet aan de vereisten van het
Vrouwenverdrag, zoals deze door het CEDAW
geïnterpreteerd worden.
4 Inhoudelijke implicaties:
het discriminatieconcept
De aanname van het Vrouwenverdrag
heeft implicaties voor de interpretatie van
normstellingen en begrippen in het Nederlandse recht (zie
hierboven: verdragsconforme en verdragssystematische
uitleg) en met name voor het discriminatieconcept.
Het discriminatieconcept van het
Vrouwenverdrag is zeer ruim: het is materieelrechtelijk
van aard, eist daadwerkelijke gelijkheid en daarom soms
juist specifieke, op vrouwen toegesneden maatregelen; het
Verdrag verbiedt maatregelen die in feite een
verslechtering van de positie van vrouwen betekenen
("leveling down"); het verbod van discriminatie
strekt zich ook uit tot de privé-sfeer.
Het discriminatieconcept van het
Vrouwenverdrag heeft tot nu toe onvoldoende doorgewerkt
in beleid en wetgeving, zeker die elementen die het
gangbare discriminatieconcept overstijgen. Dit heeft
gevolgen voor de beoordeling van de AWGB als
implementatie van het Vrouwenverdrag en voor de vraag of
meer en andere wetgeving op basis van het Vrouwenverdrag
nodig is ter verbetering van de positie van vrouwen.
Doordenking van het
discriminatieconcept vraagt om een andere visie op
regelingen, (ook) die welke de privé-sfeer betreffen.
Het Vrouwenverdrag vraagt om herwaardering van de huidige
opvattingen over botsing van grondrechten en over
horizontale werking van de verdragsartikelen, al dan niet
in samenhang met internationaalrechtelijke of
nationaalrechtelijke regels.
5
Overheidsverantwoordelijkheid algemeen
Er bestaat op basis van de
goedkeuring en ratificatie van het Vrouwenverdrag een
overheidsverantwoordelijkheid
("accountability") voor de positie van vrouwen
in het desbetreffende land en voor het nemen van passende
maatregelen om deze positie te beschermen en te
verbeteren. Daarbij is belangrijk dat de overheid, ook
als deze niet rechtstreeks aansprakelijk gesteld kan
worden voor individuele schendingen van de mensenrechten
van vrouwen in het desbetreffende land, niettemin
aangesproken kan worden bij internationale en soms ook
bij nationale rechters op het nemen (of juist in gebreke
blijven om te nemen) van passende maatregelen. Ook in
gevallen dat er geen sprake is van afdwingbaarheid in de
juridische zin van het woord kan het supervisieorgaan
zijn gezag uitoefenen via commentaren en aanwijzingen;
niet-gouvernementeel kan daarop gereageerd worden met een
"mobilisation of shame".
6 Verplichtingen uit het
Verdrag
Het Verdrag als geheel is een
resultaatsverplichting. De afzonderlijke verplichtingen
uit het Vrouwenverdrag zijn gevarieerder en ook concreter
toetsbaar dan werd aangenomen. Zij bevatten een breed
scala van meer of minder concrete verplichtingen die
ieder apart geïnterpreteerd moeten worden, maar wel in
samenhang met andere bepalingen. Hoe concreter de
bepaling, hoe minder de beleidsvrijheid voor de betrokken
staat. Dynamische interpretatie van het Verdrag sluit
toetsing van de geleidelijkheid van de verwezenlijking
niet uit: er moet een begin van verwezenlijking zijn, er
is een minimumnorm die in ieder geval verwezenlijkt moet
worden en de maximumverplichtingen van het verdrag moeten
met "due diligence" verwezenlijkt worden.
Daarvoor is de ontwikkeling van indicatoren noodzakelijk.
7 Toetsing
Het Vrouwenverdrag eist voor de
beoordeling van (vrouwen)discriminatie een strikte
toetsing ("strict scrutiny"): dit geldt zowel
voor directe als voor indirecte discriminatie en heeft
dus gevolgen voor de rechtvaardigingsgronden.
Formeel gelijke behandeling kan op
grond van het Vrouwenverdrag alleen plaatsvinden door
verbetering van de positie van vrouwen ("leveling
up").
De verwezenlijking van
verplichtingen is onder omstandigheden toetsbaar bij de
internationale en nationale rechter.
De afdwingbaarheid van de
afzonderlijke bepalingen in rechte varieert, afhankelijk
van de concreetheid.
In het reguliere wetgevingsproces
en in een vroeg stadium van beleidsvorming zouden
"checks" ingebouwd kunnen worden voor toetsing
aan de vereisten van het Vrouwenverdrag, om strijd met
het Vrouwenverdrag te voorkomen.
Een voorbeeld van een dergelijke
checklist treft men hieronder aan.
8 Checklist voor wetgeving
en beleid
- is de formele rechtsgelijkheid
gewaarborgd?
- is de materiële
rechtsgelijkheid gewaarborgd en was de wetgeving
ook een daadwerkelijke bijdrage aan de
positieverbetering van vrouwen, heeft er geen
"leveling down" plaatsgevonden?
- zijn er specifieke voorwaarden
geschapen voor materiële rechtsgelijkheid van
vrouwen of heeft "mainstreaming" de
positie van vrouwen kwetsbaarder gemaakt?
- is er rekening gehouden met
daadwerkelijke verschillen in maatschappelijke
positie van vrouwen en mannen?
- is er recht gedaan aan de
verschillen in de maatschappelijke positie van
vrouwen en mannen?
- is er een bijdrage geleverd
aan doorbreking van de stereotiepe rolverdeling?
- zijn normstellingen in beleid
en wetgeving in gunstige zin gewijzigd?
- is de privé-sfeer van vrouwen
door de overheid voldoende beschermd, is de
Nederlandse overheid voldoende actief opgetreden,
gezien de aard en omvang van de problematiek?
- zijn de minimumnormen
(minimumverplichtingen op grond van het verdrag)
in acht genomen, is de kernverplichting van de
verschillende artikelen niet aangetast?
- is er een begin van
verwezenlijking van de verschillende
verdragsverplichtingen aan te wijzen of schiet de
overheid ten aanzien van sommige probleemgebieden
duidelijk tekort in het nemen van actie?
- is het beleid in zijn
algemeenheid voldoende actief en stimulerend,
gezien de problematiek?
- zijn er voldoende instrumenten
aanwezig/ontwikkeld voor een verantwoorde analyse
(indicatoren)?
- zijn de voorgenomen beleids-
en wetgevingsmaatregelen passend in de zin van:
een juist antwoord op een verantwoorde analyse?
|