Beginpagina

Overzicht site

 
  Dr. Irene Costera Meijer

Joke Smit en de publieke ruimte van het feminisme

Lezing tijdens het symposium "Persoonlijk, Publiekelijk en Feministisch?", gehouden op 1 april 1999 ter gelegenheid van de naamgeving van het Joke Smit Instituut, Centrum voor Vrouwenstudiesonderzoek.

  Geachte aanwezigen,

Vandaag vieren we de naamgeving van een nieuw onderzoeksinstituut dat een programma lanceert waarin vrouwen als actoren en als politieke subjecten centraal staan. Joke Smit zou dit onderzoek hebben toegejuicht. Zij toonde zich immers een groot voorstander van onderzoek dat konkrete strategische aanbevelingen doet en feministische interventies voorstelbaar en inzichtelijk maakt. Voor velen van u zal Joke Smit een bekende naam zijn. Wat haar verdiensten waren voor het feminisme zal u wellicht minder voor de geest staan. Ter gelegenheid van de oprichting van het Joke Smit Instituut neem ik vandaag de gelegenheid te baat u iets meer te vertellen over het feminisme van Joke Smit, persoonlijk en publiekelijk [1]. Bovendien hoop ik de onverminderde actualiteit van haar werk voor u aannemelijk te maken door er een tiental eigentijdse lessen uit te halen [2].

 

Wie was Joke Smit ?

Johanna Elisabeth Smit werd geboren op 27 augustus 1933 in Utrecht. Ze was het eerste kind van Johannes Jacobus Smit, hoofd van een ULO, en Johanna Elisabeth Koenderink, lerares aan een huishoudschool.

Joke Smit bracht haar jeugd door in Utrecht, Enschede en Vianen. Als oudste van zes kinderen ontwikkelde ze een groot verantwoordelijkheidsgevoel dat haar meer last dan lust leek te brengen. Later zou ze hierover opmerken dat de ouderlijke opdracht om in elke situatie de wijste te zijn, haar blijvend hinderde om voor zichzelf op te komen.

Voor mezelf sprekend, kan ik me in deze ervaring vinden. Als oudste dochter hoor ik het m’n moeder (en haar vriendinnen en zussen) nog zeggen. Hé Ireen, wees jij nou de wijste....! Meestal had dit tot gevolg dat ik de strijd om m’n gelijk te halen opgaf.

Les 1: Een feministe betoont zich nooit zonder meer de wijste en leert dat ook anderen niet. Soms is het sop de kool zeer wel waard.

  Jokes verantwoordelijkheidsgevoel werd nog versterkt toen haar moeder in 1949 - twee jaar na de geboorte van het jongste kind - kookles ging geven op een huishoudschool. Door buitenshuis te gaan werken, handelde haar moeder tegen de geest van de tijd. In die periode zat 98 procent van de moeders thuis bij het theelichtje.

Joke Smit genoot een Nederlands-Hervormde opvoeding, die in haar familie het fundament vormde voor een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Haar vader was ouderling van de hervormde kerk, secretaris van de Nederlandse Christen Geheelonthouders Vereniging en jarenlang voorzitter van de Nationale Commissie tegen het Alcoholisme. Haar moeder was presidente van de Vrouwenunie van de Nederlandse Christen Geheelonthouders Vereniging en zat als afgevaardigde hiervan in de Nederlandse Vrouwenraad; een oud-tante was betrokken bij de strijd voor het vrouwenkiesrecht. Beide ouders gaven in woord en gebaar uiting aan een idealisme dat niet alleen door christelijke waarden werd gevoed. Ook De Groene Amsterdammer en het Parool werden gelezen.

Vanaf 1945 bezocht Joke Smit de alpha-richting van het Christelijk Gymnasium in Utrecht. Ze legde zich zelf de taak op om per week minstens twee boeken te lezen. Zo maakte zij kennis met de feministische opvattingen van onder meer Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, schrijfster van de feministische Bildungsroman Hilda van Suylenburg (1898) en Jo van Ammers-Küller, die in De Opstandigen (1925) de teloorgang van de eerste feministische golf beschrijft . Daarnaast stelde ze zich op de hoogte van het Franse existentialisme van Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre.

De verhalen van haar moeder over leerlingen van de huishoudschool versterkten Smits gevoeligheid voor de ongerijmdheid van de achterstelling van vrouwen. Veel leerlingen hadden meer in hun mars, maar hun vaders hadden beslist dat huishoudschool voldoende voorbereiding was voor een toekomstig en onvermijdelijk huwelijk. Ook Smit zag zich aanvankelijk geremd in haar intellectuele ambities. De rector van het gymnasium voorkwam een spoedcursus kweekschool, door haar ouders ervan te overtuigen dat ze moest doorstuderen. Om bovendien de studiemogelijkheden van de andere kinderen te vergroten, verruilden Smits ouders hun ruime vrijstaande huis in Vianen in 1952 voor een bovenwoning in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam.

Na het eindexamen in 1951 koos Joke Smit voor een studie Franse Taal- en Letterkunde, eerst in Utrecht, later in Amsterdam waar ze o.a. secretaris was van de Cercle Français. Om haar studie aan de gemeentelijke Universiteit te bekostigen, werkte ze onder meer als au pair in Parijs, later als typiste bij de Nationale Woning Raad en 's avonds bij de oppascentrale. Na haar kandidaatsexamen in 1955 gaf Smit in deeltijd Frans op middelbare scholen. Zo ervoer ze van nabij hoe het meestal vrouwen waren die de banen met weinig perspectief kregen.

Op 15 mei 1956 trouwde ze met Constant Kool, leraar wiskunde, later statisticus, die ze had ontmoet op een conferentie van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging. Na het doctoraalexamen in de zomer van 1958 werd zij in het jaar daarop voltijds lerares Frans. In 1961 kregen Kool en Smit hun eerste kind, Lieuwe. Zij gaf les aan diverse scholen tot ze in 1962 een beurs ontving om negen maanden naar Parijs te gaan. Dankzij het gezelschap van haar zus Anke die bereid was op zoon Lieuwe te passen, begon ze in Parijs haar freelance journalistieke en literaire carrière, onder andere als recensente van de Nieuwe Rotterdamse Courant en Het Parool. Van 1961 tot 1967 was zij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade; van 1963 tot 1966 was zij tevens redactiesecretaris. In 1967 nam ze een baan aan als wetenschappelijk hoofdmedewerkster bij het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Haar proefschrift waar ze gedurende laatste jaren van haar leven aan werkte - over de structurele verschillen tussen het Frans en het Nederlands - heeft ze helaas niet kunnen afmaken.

In 1964 kregen Joke Smit en haar echtgenoot hun tweede kind, Elisabeth. Ze bleek in haar omgeving een van de weinige moeders die ook buitenshuis werkten. De (vrouwelijke) huisarts raadde een crèche af. Kinderen zouden er veel meer en eerder ziek door worden. Kwaad op de maatschappij die de tijdrovende organisatie van de kinderopvang aan de ouders overliet, maar in de overtuiging dat haar ervaringen als werkende moeder niet uniek waren, schreef Smit in 1967 aangespoord door Hedy d’Ancona "Het onbehagen bij de vrouw" in een themanummer van het culturele tijdschrift De Gids over onbehagen.

"Het onbehagen bij de vrouw" onderscheidde zich in diverse opzichten van de overige bijdragen in De Gids. Waar alle artikelen, notities en zelfs gedichten elkaar aanvulden in hun bezorgdheid over natuur, techniek, rassenscheiding, oorlog, welvaartskloof, cultuur en politiek, stond Joke Smit alleen in haar onvrede over het lot van de vrouw. Ze leek in een maatschappelijk vacuüm te opereren, al was het maar omdat ze ook last had van persoonlijke gevoelens van onbehagen.

De overige medewerkers aan de Gids getuigden niet van persoonlijk onbehagen, of van een privé-lijst van ongemakken. Hoe zag hun onbehagen er dan uit? Onthullend waren hun antwoorden op de vraag "Heeft u ook zo'n last van onbehagen?" (p. 285) [3] die de redactie van De Gids hen voorlegde:

G. van Benthem van de Berg vond dat hij er geen recht op heeft:

"Nee, ik heb geen last van onbehagen. Ik ben blank, behoor tot de middenklasse, woon in een huis met een tuin, doe werk dat ik prettig vind, ben gelukkig getrouwd, heb een zoontje, goede vrienden en verdien schandalig goed. Hoe kan ik nu onbehagen voelen? Wat voor recht zou ik daarop hebben? Er zijn anderen die dat recht des te meer hebben. Zij willen net als ik een menswaardig leven lijden, gelukkig kunnen zijn, gewaardeerd worden om wat ze zijn en wat ze doen, en enige zeggenschap hebben over hoe ze hun leven zullen inrichten. Of als ze in de arme landen wonen: genoeg te eten hebben en een beetje toekomst voor hun kinderen. Of als ze in Vietnam wonen: de Amerikanen weg, vrede." (285)

Karel Jonckheere was eveneens van onbehagen gevrijwaard, maar dan wel dankzij eigen inspanningen: "Ik heb niet de minste last van onbehagen, dat steriele gevoel van voorbijgaande zwakheid, machteloosheid, stuurloosheid. Om de eenvoudige reden dat ik mijn evenwicht niet laat afhangen van anderen (..)". (p. 288) Daniël de Lange pleitte voor meer onbehagen, omdat hij het opvat als een maatschappelijk heilzaam waarschuwingssysteem "met het risico dat ik er zelf last van krijg". (289) Joop den Uyl bekende dat hij "bij tijd en wijle last had van onbehagen". Dat betekende voor hem: "dooie insekten op mijn voorruit", "zwermen muggen bij een mooi kampeerplekje" en "een recessie in de welvaartsstaat". (p. 293) K. Zickhardt beschreef hoe zijn onbehagen zijn alibi was. "Het alibi van de niksdoener, de toeschouwer, de bourgeois die blijft steken in de verbale solidariteit met de onderdrukten." (294)

Uit geen van de reacties op de enquête van de Gids-redaktie blijkt misnoegen met de kwaliteit van het eigen bestaan. Als er al onbehagen was dan was dit plaatsvervangend, een schuldgevoel jegens minder gelukkige anderen, of het richt zich op een abstractie als de welvaartsstaat, of iets onbeduidends als dooie of juist levende muggen. De auteurs van De Gids waren kennelijk gewend maatschappelijke aandacht te vragen voor anderen, voor mensen die minder bedeeld waren, voor de achterhoede, de zwarte bevolking in Afrika of Amerika, de armen, de ongeschoolden, of oorlogsslachtoffers. Als er geen concrete groepen in het geding waren, dan betrof het ongenoegen veelal een universele problematiek: "De kloof tussen de arme en rijke landen", "de cultuur", "een nucleaire en vertechniseerde samenleving", "de verdeling van de welvaart in Nederland", of "het recht" [4].

Joke Smit deed het anders. Zij attendeerde de lezer niet in de eerste plaats op het lot van anderen. Zij sprak evenmin over een universele problematiek. Wat Joke Smit in vergelijking met haar collega's zo bijzonder maakte is dat zij als enige van de 38 Gids-auteurs haar onbehagen uit over persoonlijke omstandigheden.

Dat Joke Smit alleen stond in haar onbehagen suggereerde dat zij de eerste was die na lange tijd weer eens over de vrouw schreef. Dat was echter niet het geval. Sterker nog, de vrouw was tijdens de jaren zestig een populaire kwestie [5].

De titel van dit symposium "Persoonlijk, publiekelijk en feministisch" zou Joke Smit op het lijf geschreven zijn. Toen ze in 1967 de feministische beweging opnieuw leven in blies door "Het onbehagen bij de vrouw" te publiceren, was dat een publieke en feministische daad. Die persoonlijke invalshoek deed haar onbehagen zoals gezegd niet alleen verschillen van andere mannelijke Gids-auteurs, maar ook van terzelfdertijd verschenen artikelen en boeken van vrouwen, zelfs als ze gingen over vrouwenemancipatie. Hella Haasse bijvoorbeeld, schreef in 1964 een prachtig essay over vrouwenemancipatie, maar daarin verwees ze anders dan Joke Smit niet naar concrete ervaringen van vrouwen. Ze schetste in een wijsgerig betoog de noodzakelijke en gewenste ontwikkeling van een vrouwbeeld. Joke Smit schreef daarentegen heel concreet over vrouw-zijn en bepleitte anders dan Haasse geen abstracte mentaliteitsveranderingen, maar wijzigingen in de belastingwetgeving, kinderopvang, zelfbeschikkingsrecht bij abortus en gelijkheid van vrouwen en mannen op het gebied van zorg en werk.

Een ander groot verschil tussen Smit en haar geëmancipeerde tijdgenoten was hun verhouding tot vrouwen. Hella Haasse identificeerde zich met een zich "geestelijk bewuste voorhoede". Vrouwen vormden een andere groep, een "zij". Haar wij had geen sekse. Het was een ongeseksueerd, intellectueel "wij". Smit, overigens ook een intellectueel, beschouwde zich echter als een "lotgenoot van de betrokkenen", zij presenteerde zichzelf nadrukkelijk als vrouw en daarmee als lid van de "kudde stofzuigervee", zoals zij een betoog van de bekende psychiater Trimbos over huisvrouwen samenvatte.

Dit is mijns inziens een tweede les voor feministische wetenschappers:

Les 2: Als feminisme als politieke beweging vrouwen wil blijven aanspreken, als feminisme de publieke ruimte wil blijven bezetten, dan moeten vrouwenstudies ook op concrete vrouwenlevens betrokken kunnen worden.

  Vanaf haar eerste publicatie maakte Joke Smit mannen deel en deelgenoot van het probleem van feministen. Bij haar Amerikaanse evenknie Betty Friedan was het de vrouw die zich moest ontworstelen aan het leven dat ze leidde , in de visie van Smit moest de asymmetrie tussen de seksen - waarbij de man bepaalde privileges genoot - op de helling. Een van de belangrijkste feministische doelstellingen van Joke Smit was het gelijker maken van de levens van mannen en vrouwen. Een 30-urige werkweek en later de 5-urige werkdag was daartoe een voorwaarde, naast het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen over hun lichaam. Joke Smit toonde zich vanaf het begin een fel pleitbezorgster voor het recht op abortus voor vrouwen.

 

 

"Als wij ergens een ongenuanceerd feminisme nodig hebben dan is het hier. Want als er ergens sprake is van klassejustitie op grote schaal, van systematische discriminatie jegens een bepaalde bevolkingsgroep, als ergens de vrouw als onmondig wezen wordt beschouwd, dan is het op het gebied van de abortuswetgeving" (Kool-Smit, 1967:274).

 

Les 3: Vrouwenstudies dienen een radicaal gelijkheidsperspectief te operationaliseren waarin mannen deel uitmaken van het probleem.

  "Het onbehagen bij de vrouw" gaf het startschot voor de tweede feministische golf in Nederland, ook omdat het zoveel herkenning opriep bij andere vrouwen.

  • "Ik las het stuk van Joke Kool in De Gids en toen ik hoorde dat er sprake was van het oprichten van MVM werd ik meteen lid."
    Ilse Pauka
  • "net in die tijd las ik het stuk van joke kool in de gids. alles wat ik op een onduidelijke manier had gevoeld, stond daar glashelder in. een schok der herkenning. ik werd meteen lid van mvm. het was bevrijdend om te merken dat je niet de enige was die het gevoel had dat er iets schortte".
    marijke oort
    [6]

Samen met wetenschappelijk medewerkster, free lance journaliste en politica Hedy d'Ancona richtte Joke Smit in oktober 1968 de actiegroep Man-Vrouw-Maatschappij op, met enige tegenzin overigens, want ze hield niet van vergaderen en organiseren. Dat ze toch gedurende de twee beginjaren het voorzitterschap van MVM bekleedde, weet ze aan haar calvinistische opvoeding en haar verantwoordelijkheidsgevoel. "Als ik het niet doe, gebeurt het niet", verzuchtte zij geregeld. Vanaf het begin bestond er tussen d'Ancona en Smit een taakverdeling. Smit schreef het beste - dat deed ze voor haar plezier - en d'Ancona praatte beter.

Hoewel Smit haar feminisme in het openbaar met succes gestalte gaf, had ze het er aanvankelijk in haar privé-leven moeilijk mee. Terwijl haar echtgenoot vanaf het begin actief was in MVM, lieten veel vrienden, vriendinnen en kennissen haar in de kou staan toen ze begon met haar feministische activiteiten. Ook deze teleurstellende ervaringen verwerkte Smit in 1969 in een nog steeds actuele politieke analyse van de weerstanden tegen feminisme en feministische vrouwen in het als programmatisch voor MVM geschreven boek Rok en rol. Vrouw (en man) in een veranderende samenleving (1969).

Les 4: Een feministe moet beducht zijn op pijnlijke ervaringen. Wie zich feminist noemt, kan rekenen op maatschappelijke en persoonlijke weerstand. Omgekeerd zullen persoonlijke getinte feministische verhalen tot herkenning leiden wat een voorwaarde vormt voor het bezetten van meer publieke ruimte.

  Anders dan de actiegroep Dolle Mina, de in januari 1970 door voornamelijk radicale, linkse en jonge vrouwen werd opgericht, koos MVM niet voor het primaat van de klassenstrijd. Onder leiding van voorzitter Joke Smit deed MVM een ferme stap in radicaal feministische richting. Op dat moment een unieke stap, want het radicale feminisme van MVM sloot de aanwezigheid en de activiteiten van mannen niet uit. "Mannenhaat is niet rendabel" zei Smit, "ofschoon ik er af en toe wel eens last van heb". Als vrouwen al mensen haten, dan zijn het vrouwen zelf, stelde Smit in 1970. Deze typische "minderheidsreactie" konden vrouwen slechts overwinnen als ze van elkaar en zichzelf leerden houden. Vrouwen moesten zich om die reden identificeren met de eigen groep en niet - zoals vaak gebeurde - met andere nooddruftige mensen.

Smits devies was dat geëmancipeerde vrouwen "we" moesten leren zeggen in plaats van "ze" als het onderwerp vrouwen betrof. Ook geëmancipeerde vrouwen ervoeren immers dagelijks wat het betekende om vrouw te zijn. In deze lijn liggen ook Smits aanhoudende inspanningen om consequent de "algemeenheidsmythe" aan de kaak te stellen. Terwijl in de regel beleidsplannen worden gemaakt vanuit een algemeen, maar impliciet mannelijk perspectief, ontwikkelde Joke Smit haar plannen, activiteiten en analyses vanzelfsprekend vanuit het vrouwelijk perspectief. In een reeks elegant gecomponeerde essays die ze tussen 1971 en 1975 publiceerde in onder andere Hollands Maandblad , NC Contact, Vrij Nederland, Socialisme en Democratie, en Opzij, beschreef Smit nauwgezet de asymmetrie in de verwachtingen en de dagelijkse levensloop van beide seksen. Rode draad in haar verhalen vormden de verstrekkende gevolgen van de algemeenheidsmythe die wat mannen doen voor normaal houdt en wat vrouwen doen als afwijkend beschouwt.

Smit zocht de oorzaak van de geringe bereidheid onder Nederlandse vrouwen om buitenshuis te gaan werken dan ook niet in een afwijkende psychologische gesteldheid van vrouwen (zoals veel ook progressieve psychiaters toentertijd deden, of een gebrek aan doorzettingsvermogen (zoals de meer sociaal-economisch ingestelde deskundigen pleegden te stellen). Smit bestudeerde systematisch de levens van vrouwen en constateerde dat het eerder verwonderlijk was dat sommige vrouwen überhaupt ambities koesterden na het slijtageproces van het moederschap en dat het een mirakel was wanneer het ze lukte om werk binnenshuis en buitenshuis te combineren. Niet de huisvrouw was in haar visie de afwijking die verklaard moest worden, maar het wonder van de werkende moeder.

Les 5: Feministische analyses dienen de man als impliciete norm achter veel beleid te ontmaskeren (de norm-man, zoals wij van de Harde Kern [7] hem noemden) en zelf beleidsvoorstellen te maken die de vrouw als uitgangspunt nemen.

  Anders dan veel andere feministen bepleitte Smit, naast een bondgenootschap met populaire damesbladen als Margriet en Libelle, samenwerking met politieke partijen en vakbonden. In 1970 nam Joke Smit onder grote druk als enige vrouw namens de PvdA zitting in de Amsterdamse gemeenteraad. Het werd een fiasco, niet alleen omdat het haar aan voldoende tijd ontbrak om haar dubbele taak als feministe en sociaal-democrate adequaat te vervullen, maar vooral ook omdat ze haar feministische ideeën niet kwijt kon in de raad. Haar afscheidsrede in 1971 werd beroemd. Ze vergeleek de raadsvergadering met een apenrots, waar de voornaamste bezigheid van de mannetjes is om de pikorde vast te stellen. Haar geloof in de politiek als arena om de emancipatie van vrouwen te bewerkstelligen, verloor ze echter niet. Vanaf 1971 tot haar overlijden tien jaar later, maakte ze deel uit van de (kern)redactie van Socialisme en Democratie. Bovendien oefende ze door haar in 1972 en 1974 verschenen artikelen over de noodzakelijke verwevenheid van feminisme en socialisme met succes invloed uit op het beginselprogramma van de PvdA.

Sinds 1974 leefden Constant Kool en Joke Smit gescheiden. Joke Smit hield de zorg voor de kinderen. De jurist Jeroen de Wildt was vanaf 1979 haar levensgezel.

Joke Smit noemde zichzelf met enige ironie "een echte radicaal", echt, niet in ideologische zin, maar ‘echt’ vanwege haar praktische aanpak van maatschappij- en structuurverandering. Ze maakte vanaf 1971 deel uit van de programmaraad Televisie van de NTS (NOS) en ontwikkelde een concept voor een feministisch televisie-programma dat in 1975 gestalte kreeg onder de titel Ot... en hoe zit het nu met Sien. Nadat ze in 1973 de beleidsnota `De moeder van Marie kan méér' over scholing en vorming van vrouwen had geschreven, werd ze benoemd als lid van de Commissie Open School (1974-1976). Haar geloof in de bevrijdende kracht van goede scholingsmogelijkheden voor vrouwen maakte ze bovendien eind jaren zeventig enkele jaren produktief in de Onderwijscommissie van de Sociaal Economische Raad.

Les 6: Feministische analyses en voorstellen zijn van groot belang voor de alledaagse beleidspraktijk en een echt radicale feministe laat een praktische aanpak zien.

  Bij het vijfjarig bestaan van MVM (1973) gaf Joke Smit de aanzet tot de instelling van een regeringsadviescommissie voor "emancipatiebeleid", een term die door haar was bedacht. Haar professionele belangstelling voor vertaalproblemen betoonde ze ook in haar feministische analyses. Ze verafschuwde clichés en de in linkse kringen zo populaire radicale retoriek en hield feministen voor om hun taal schoon te houden. Zodra de eens gesmede formules het denken definitief vervangen gaat het mis, aldus Smit: "de werkelijkheid is een oord om steeds opnieuw te verkennen".

Les 7: Een feministische wetenschapster of beleidsmaakster dient te allen tijde begrijpelijk en helder te schrijven.

  In 1974 werd Smit benoemd tot lid van de eerste door het kabinet Den Uyl geïnstalleerde "Emancipatiekommissie"(EK). Ze bleef lid tot de kommissie in 1981 - enige maanden voor haar dood - werd vervangen door een bij de wet ingestelde opvolger, de Emancipatieraad. Via EK-adviezen wist zij grote invloed uit te oefenen, onder andere door voorstellen tot financiële ondersteuning van de vrouwenbeweging (emancipatiewerksters, rijksbijdrageregeling emancipatiewerk, emancipatiebureaus). Ook overtuigde zij in 1977 de commissie van de noodzaak discriminatie van mensen op grond van hun (homo)seksuele gerichtheid te betrekken in wetsvoorstellen tegen discriminatie op grond van geslacht. Uiteindelijk zou dat ertoe leiden dat de Algemene wet gelijke behandeling (1994) ook discriminatie op grond van (homo)seksuele gerichtheid verbiedt.

Les 8: Discriminatie op basis van seksuele voorkeur en sekse hangen samen

  Halverwege de jaren zeventig trad een zekere verwijdering op tussen Joke Smit en het deel van de vrouwenbeweging dat het accent op persoonlijke bewustwording bleef leggen. Veel feministen beschouwden haar opvattingen als achterhaald en spraken denigrerend over "belangenbehartigingsfeminisme". Dat weerspiegelde zich in de aandacht voor haar artikelen. Van de eerste bundel, Hé zus, ze houen ons eronder (1972) waren 20.000 exemplaren verkocht. De tweede bundel De moeder van Marie kan méér (1975) werd vrijwel niet gerecenseerd en de uitgever raakte er slechts enkele duizenden kwijt. Smit wilde verder gaan dan bewustwording. Het wijdverbreide feministische optimisme van die dagen deelde ze niet. Dwars tegen het anti-autoritaire karakter van de vrouwenbeweging in, stelde Smit dat het uiteindelijke succes van het feminisme niet afhing van goede bedoelingen, maar van goede organisatiestructuren. Daarom zette Joke Smit zich vanaf 1976 bijzonder in voor een vijfurige werkdag. Om een gelijker en gevarieerder leven voor mannen en vrouwen mogelijk te maken en beide partners in staat te stellen om kinderopvoeding, huishoudelijk werk en betaalde arbeid te combineren, was de 5-urige werkdag een voorwaarde. Ze gaf echter toe dat ze als rechtgeaarde werkezel grote moeite zou hebben om zich aan haar eigen leer te houden.

In Smits analyses stond de vraag naar het "hoe" van alle veranderingen centraal. Zonder strategie blijft het bij oproepen dat de individuele vrouw nog meer haar best moet doen (nieuw-flinks), of dat bijvoorbeeld de maatschappij, de mentaliteit of de media ‘gewoon’ moeten veranderen. Joke Smit toonde zich in de regel wars van toekomstgerichte idealen en gaf de voorkeur aan maatregelen die in het hier en nu konden worden gerealiseerd. Bij een principiële keuze tussen anti-autoritaire crèches en gewone crèches, koos ze voor de "gewone" crèches , omdat de kans daarop aanzienlijk groter werd geacht.

Joke Smit benaderde vrouwen bovendien in de regel als potentiële activisten, als subjecten. Vrouwen hebben geen gemeenschappelijke problematiek (zoals Betty Friedan en de psychiaters bijvoorbeeld stelden). Vrouwen moeten worden aangesproken op hun gemeenschappelijke belang.

Les 9: Feministen dienen vrouwen te benaderen als maatschappelijke belangengroep in plaats van als probleemgroep. Wellicht voelen ook jongere vrouwen zich meer aangesproken door deze benadering.

  Joke Smit heeft haar gehele leven en zeker nadat ze in 1980 ongeneeslijk ziek werd, op verschillende manieren getracht feministen ervan te overtuigen dat ze gezamenlijk (en zo nodig buiten hun eigen politieke kanalen) hun eisen moesten stellen. " 't Kan helaas niet zonder vrouwenpartij" verzuchtte ze enige weken voor haar overlijden. Haar oproep vormde de aanleiding voor vrouwen uit de Eerste en Tweede Kamer voor de instelling van een regelmatig terugkerend "Kamerbreed Vrouwenoverleg", dat tot 1994 zou blijven functioneren.

Binnenkort verschijnt in het Tijdschrift voor Genderstudies een artikel van Trudi Nederland en Mariëtte van Staveren [8]. Zij wijzen in hun analyse van 20 jaar emancipatiebeleid op het ontbreken van een duidelijke politieke actor. Dit zou de belangrijkste mankerende factor zijn. Zou het niet prettig zijn, zo vroeg ik mij af na het lezen van hun analyse, als er een democratische feministische vereniging zou zijn met een alert en actief hoofdbureau dat ongevraagd en met de nodige flair feministische adviezen zou geven en voorstellen zou doen om deze vervolgens zelfbewust en regelmatig in de media te gooien?

Les 10: ? met vraagteken: Zou Joke Smit anno 1999 voor een brede democratische en feministische vereniging zijn? Ik denk van wel.

  Tot slot,

Joke Smit streefde ernaar "haar ziel schoon te houden". Met deze drang tot het analyseren van haar eigen leven, de maatschappij en andere mensen, maakte ze het zichzelf en haar directe omgeving niet gemakkelijk. Zo groot als haar inzet was voor de bestrijding van zeurende kwesties, zo gering was haar bereidheid tot het aanhoren van zeurende mensen. Ze had haast en was resultaatgericht. Op 19 september 1981 overleed Joke Smit, achtenveertig jaar oud. Op de rouwkaart en op de zelfgekozen grafsteen staat achter haar naam: Feministe. Daaronder liet zij de oproep beitelen: "Zusters, weest moedig, scherpzinnig, eendrachtig".

De postuum verschenen verzamelbundel Er is een land waar vrouwen willen wonen (1984) zou weer een oplage van meer dan 20.000 exemplaren bereiken.

  Noten

1. Met dank aan Jeroen de Wildt die zich buitengewoon hulpvaardig betoonde bij het samenstellen van een korte biografische schets van Joke Smit die binnenkort verschijnt in het Biografisch Woordenboek van Nederland.

2. Voor een uitvoeriger beschrijving van de betekenis van Joke Smit in de context van haar tijd verwijs ik naar mijn boek Het persoonlijke wordt politiek. Feministische bewustwording in Nederland 1965-1980, Amsterdam (Het Spinhuis) 1996.

3. 21 notities zijn opgenomen in De Gids. Het gebruik van voornamen of voorletters is gebaseerd op de Gids-tekst.

4. Inhoudsopgave De Gids p.177.

5. Zie:

  • D.H.Couvée en Anje H. Boswijk, Vrouwen Vooruit! De weg naar gelijke rechten. Den Haag (Bert Bakker/Daamen N.V.) 1962;
  • F. Sierksma, De roof van het vrouwengeheim. De mythe van de dictatuur der vrouwen en het ontstaan der geheime mannengenootschappen. 's-Gravenhage (Mouton & Co) 1962;
  • Dr. C.J.B.J. Trimbos, De niet aanwezige huisvrouw: Een samengesteld vraagstuk in: De niet aanwezige huisvrouw. Beschouwingen over de buitenshuis werkende gehuwde vrouw. Uitgegeven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg, Hilversum/Antwerpen (Paul Brand) 1962, p. 1-29;
  • idem, Man en vrouw: de relatie der seksen in een veranderende wereld, 1965;
  • In 1965 verscheen de Nederlandse vertaling van Le deuxième sexe van Simone de Beauvoir (deel 1, deel 2 volgde in 1968);
  • In 1967 is de vertaling van Demain les Femmes van Evelyne Sullerot gereed. Het boek was het 4e in de reeks "Samen mens zijn: Bijdragen tot geestelijk gezond leven": Evelyne Sullerot. De vrouw van morgen, Hilversum/Antwerpen (Paul Brand) 1967.
  • Daarnaast verschenen al voor 1967 op emancipatie gerichte columns van Wim Hora Adema en Harriët Freezer en een dito radioprogramma Hij, Zij en de Maatschappij van Hedy d'Ancona.

6. Geciteerd in lrene Costera Meijer, Het persoonlijke wordt politiek. Feministische bewustwording in Nederland 1965-1980. Amsterdam (Het Spinhuis) 1996, p. 29.

7. Zie De Harde Kern, Wel feministisch, niet geëmancipeerd. Feminisme als nieuwe uitdaging. Amsterdam: Contact, 1996, p. 118-133.

8. Zie Trudi Nederland en Mariëtte van Staveren, "Hoed af, diepe zucht en vrome wensen. Een beschouwing van het feminisme als landspolitieke missie". In: Tijdschrift voor Genderstudies, tweede jaargang, nr. 6, 1999.

  Archief

Het persoonlijk archief van Joke Smit bevindt zich bij de Stichting In Memoriam Johanna Elisabeth Smit; persdocumentatie betreffende Joke Smit bij het Internationaal lnformatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV) te Amsterdam.

  Publikaties van Joke Smit

De belangrijkste feministische publicaties van Joke Smit zijn bijeengebracht in de bundel:

  • Joke Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen. Teksten 1967-1981. Samengesteld door Jeroen de Wildt en Marijke Harberts (Amsterdam, Feministische Uitgeverij Sara, 1984). Hierin is ook een voorlopige bibliografie opgenomen (pp. 375-381).
  Literatuur over Joke Smit

Behalve necrologieën, o.a.

  • door Cisca Dresselhuys, in Trouw, 21-9-1981,
  • door Hedy d'Ancona, in de Volkskrant, 21-9-1981,
  • door Emmy van Overeem, in Elseviers Magazine, 26-9-1981 en
  • door Aukje Holtrop, in Vrij Nederland, 26- 9-1981;

zie:

  • Els Bonger, "Kijk haar/hoor haar: Joke Smit" [tekst van een interview], in Vara-teksten (oktober 1981);
  • Jeroen de Wildt, "Ter inleiding" [Biografische schets], in bovengenoemde publicatie Joke Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen, p. 9-14;
  • Cees Veltman, "Een stratege van de feministische strijd", in Hervormd Nederland, 20- 9-1986;
  • Marijke Harberts, Afscheid van Joke Smit (Amsterdam, Van Gennep, 1987);
  • Henk Romijn Meijer, 'Joke', in idem, Een krans rozen en een zakdoek. Verhalen, impressies, portretten (Amsterdam 1988) 169-185;
  • Anneke Ribberink (1990), "Een nieuw begin. Over het ontstaan van de tweede feministische golf in Nederland", in S. Leydesdorff (red.), Vrouwengeschiedenis. Acht essays. P. 35-50. Tilburg:JHTO.
  • eadem, "Een erflaatster in verzet. Joke Smit en het Nederlands feminisme" in Carla Wijers [e.a.], Tussen aanpassing en verzet. Vrouwen voor het voetlicht, 1929-1969 (Culemborg 1989) 187-193;
  • lrene Costera Meijer, Het persoonlijke wordt politiek. Feministische bewustwording in Nederland, 1965-1980 (Amsterdam, Het Spinhuis, 1996).
  Colofon

Dit is de tekst van de lezing van dr. Irene Costera Meijer, "Joke Smit en de publieke ruimte van het feminisme", uitgesproken tijdens het symposium "Persoonlijk, Publiekelijk en Feministisch?", gehouden op 1 april 1999 ter gelegenheid van de naamgeving van het Joke Smit Instituut, Centrum voor Vrouwenstudiesonderzoek.

De tekst zal in druk verschijnen in een symposiumverslag.