Beginpagina

Overzicht site

 

Colofon

Joke Kool-Smit

Afscheid van de gemeenteraad
(rede in de Amsterdamse raad, september 1971)

 

Collega's raadsleden, zoals u misschien in de krant hebt gelezen verlaat ik deze raad om gezondheidsredenen. Maar die gezondheidsredenen van mij hebben iets te maken met de gezondheid van de politiek. En als ik dat zeg doel ik niet zozeer op verouderde bestuursstructuren, op wethouders, ambtenaren en raadsleden die overbelast zijn of op gebrek aan geld en mensen om plannen op tijd klaar te hebben. Want dat zijn frustratiebronnen die reŽel zijn, zeer reŽel zelfs, maar ze zijn al als zodanig onderkend, en er wordt naar verbetering gestreefd. Ik wil een andere, mijns inziens meer fundamentele zaak aan de orde stellen, namelijk de psychohygiŽne in de politiek.

Zoals u inmiddels wel duidelijk zal zijn geworden ben ik als feministe in de politiek gegaan. Dat leek mij de enige zinnige reden om mij in een vertegenwoordigend lichaam te begeven. Want dat wij vrouwen het konden was ondertussen wel bewezen: we hebben Rosa gehad, en Barbara en Marga, - en Golda en Indira zijn nog steeds in functie. [1] Onze hersens waren in orde, dat was duidelijk. Maar wat nog niet in orde was was onze positie in de samenleving. Wij waren en zijn, in Nederland en in de wereld, een minderheidsgroep. En dat betekent dat we gevangen zitten in een situatie van onderhorigheid, van vicieuze cirkels, die alleen met krachtige middelen kan worden doorbroken. En als ik de politiek inging dan had ik, maar mijn mening, de plicht daar te werken aan de gelijke kansen voor mijn seksegenoten. Maar dat bleek onmogelijk, want ik was de politiek ingestapt op de condities van de politiek, dat wil zeggen van de algemene zaken die moeten worden behartigd. Mijn feminisme werd dus teruggedrongen naar de vrijetijdssfeer, en zoals u weet beschikt een raadslid niet over vrije tijd. Desondanks kreeg ik voortdurrend mijn zusters aan de lijn, met al hun klachten over een maatschappij die niet op ons is afgestemd. Maar ik kon niets voor ze doen; het was onmogelijk voor mij samen met mijn achterland een beleid uit te denken en daar vorm aan te geven. Ik was ingekapseld door het systeem.
Anders gezegd: de politieke organisatie zoals wij die op 't ogenblik kennen binnen de vertegenwoordigende lichamen is niet berekend op feministische aktiviteiten. Die passen daar niet in, er is geen plaats voor, er ligt altijd ander werk te wachten. En dat geldt niet alleen voor feministische aktiviteiten, het geldt ook voor de aktiviteiten van, met en voor andere groepen die niet kunnen ademen in deze maatschappij. En dat heeft tot gevolg dat bij die groepen de mening postvat dat ze bij de bestaande partijen niet terecht kunnen. En wat gebeurt er dan? Dan gaan die groepen hun eigen partijen oprichten en ze veroveren hun eigen zetels. Dan hebben we gezien met de boeren, met de jongeren en met de bejaarden, we zien het nu met de kleine middenstand. Alleen, die groepen redden het nooit, want zwakke groepen zijn verdeelde groepen, dus na vier jaar is het meestal mis. De gevestigde partijen hebben dan de neiging opgelucht te constateren dat de democratie gelukkig weer gered is, maar zij hebben ongelijk. De enige conclusie die te trekken valt is dat de stem van beneden voor de zoveelste maal is gesmoord.

Nu zijn er politieke partijen die hebben ingezien dat politiek niet alleen een kwestie is van goede wetten maken en problemen met kennis van zaken te lijf gaan, maar ook van contact met de mensen erachter. Dus zijn zij voorstander van de een of andere vorm van districtenstelsel. En sommige van die partijen, waaronder de mijne, hebben dat systeem binnen hun partij al ingevoerd. Maar daarbij hebben zij een fout gemaakt, namelijk dat zij het achterland alleen uitsluitend zien in geografische zin. En dat is naar mijn mening een te beperkte visie. Want mensen zijn niet alleen de bewoners van een bepaalde regio, zij kunnen ook lid zijn van een groep die in de verdrukking zit. En het is mijns inziens broodnodig dat de politieke partijen kanalen creŽren via welke een natuurlijke contact met deze groepen kan ontstaan. En de beste methode daartoe lijkt me dat ze de vechters uit die groepen in hun fractie opnemen en die vechters materieel de ruimte geven om samen met de groep een beleid voor te bereiden dat dan door de fractie kan worden uitgevoerd. Als ik dat formuleer voor mijn eigen groep, dan komt er dit: er moeten feministen op de lijst, vrouwen die zelf hebben ontdekt hoe verkeerd wij zitten en die vastbesloten zijn daaraan iets te doen. Maar zo'n taak kun je niet ťťn persoon in de schoenen schuiven; er moeten er meer komen want het gaat om de helft van de bevolking. En als die taak nu eens doeltreffend wordt aangepakt is er kans dat wij over honderd jaar "gewoon" kunnen meedoen in de politiek.
Wat ik zojuist gezegd heb geldt mijns inziens voor alle groepen die in de verdrukking zitten; het geldt in het bijzonder voor ons. Want er is een verschil tussen de andere onderliggende groepen en ons, namelijk dat wij zelfs nog nooit het stadium bereikt hebben waarin wij ons met succes in de verkiezingsstrijd hebben geworpen. Het enige wat dat betekent is dat wij mentaal nog verder achter zijn dan de andere underdogs en dat niemand zich voor ons hoeft te interesseren.

En dat terwijl wij bijna stikken van de machteloze woede, - dat heb ik in het afgelopen jaar als raadslid-met-een-telefoon wel gemerkt. Niet allemaal natuurlijk, want het is psychologisch niet eenvoudig jezelf toe te geven dat je in het verdomhoekje zit.
Er is kans dat je dan werkelijk stikt in je woede. En bovendien, wij hebben een opvoeding achter de rug. En in die opvoeding was er een moeder die tegen ons zei: kind, wees jij nou de wijste. En wie altijd te horen heeft gekregen dat zij de wijste moet wezen verliest psychisch de mogelijkheid op te komen voor eigen belangen. Zij heeft alleen het recht te protesteren als anderen het slecht hebben of als anderen onrecht wordt aangedaan. Dat is ons zogeheten goede hart, dat is de reden waarom wij zo goed functioneren in de verzorgende beroepen. En als ik datgene wat ik zojuist gezegd heb vertaal in politieke termen, dan moet ik het zo formuleren: Macchiavelli en zijn opvolgers zijn kortzichtig als zij stellen dat je het volk er alleen maar onder kan houden met het geweld van de leeuw of de listen van een vos. Er is een veel doeltreffender methode. Wanneer machthebbers het werkelijk rustig willen hebben dan moeten ze nagaan hoe
wij worden gesocialiseerd en geconditioneerd. Dat levert een voorbeeldige bevolking op.

Hoewel ik in deze raad gezeten heb voor een nette partij ben ik toch een buitenstaander geweest. Ik zat er namelijk als vrouw. En de politiek is, evenals vele andere sectoren van onze maatschappij, mannenterritorium. Dat had voor mij, en dat heeft voor vele van mijn seksegenoten, nadelen. Het had ook ťťn voordeel, namelijk dat het voor mij allemaal niet vanzelf sprak, dat ik met verbaasde ogen zat te kijken en het een en ander heb ontdekt.
Wat heb ik het afgelopen jaar ontdekt? Dat wij in de politiek grotendeels nog leven in het tijdperk van de apen. Ik verklaar mij nader. In dat ene jaar heb ik meer seksuele krachttermen gehoord en schuine moppen dan in de hele rest van mijn leven bij elkaar. Ik heb een lijst aangelegd waar ik niet uit zal citeren want dan moet er in de notulen worden geschrapt. En ik houd niet zo van geschiedvervalsing.
Die schuine moppen en die krachttermen hebben een functie. Degenen die zich ervan bedienen doen een poging hun mannelijkheid te onderstrepen of te bewijzen; ze proberen met behulp van seksuele symboliek te laren zien dat ze echte kerels zijn. Ze trachten met andere woorden een stapje hoger te komen in de mannelijkheidshiŽrarchie, en die term is een synoniem van apenhiŽrarchie. Alleen, bij de apen is het seksuele krachtsvertoon een materiŽle zaak; in de politiek loopt het via de omweg van de taal. Maar in beide gevallen gaat het om een krachtmeting met als inzet de vraag: "Wie kan de grootste pik opzetten?".
Ik heb nu een taboe-uitdrukking gebruikt; het spijt me, maar het moet in de notulen, want die uitdrukking levert helaas op 't ogenblik de sleutel tot een grote hoeveelheid politiek gedrag. In het verkeer tussen de mannen hebben die moppen en die krachttermen een functie: ze hebben tot doel te bewijzen dat mannen kerels zijn. Ten aanzien van ons hebben zij dat ook.
Want wij hebben geen pik en wij zullen er nooit ťťn hebben ook. Tegenover ons hebben zij dezelfde functie als het optreden van de exhibitionist. Een exhibitionist is namelijk niet iemand die iets uitstalt, het is iemand die terreur bedrijft, die een kick krijgt door ons in de hoek te drukken, door ons angst en schaamte in te boezemen. Het seksuele krachtsvertoon in de politiek en elders heeft dezelfde functie, het heeft tot doel ons weg te duwen, ons te laten voelen dat we ons bevinden op verboden terrein. Wij kunnen niet helemaal worden weggejaagd, want we zijn nu eenmaal gekozen, maar ons wordt wel te verstaan gegeven dat we genoegen dienen te nemen met een heel klein plaatsje.
Niet alle mannen in de politiek hebben het nodig hun mannelijkheid te bewijzen met behulp van seksuele taal, meestal is de gewone taal voldoende. Anders gezegd: meestal neemt het spel van "Wie kan de grootste pik opzetten" de vorm aan van "Wie kan de grootste bek opzetten". Maar in beide gevallen is de bedoeling dezelfde, namelijk de pik te verlengen met behulp van woorden, een grotere plaats te bezetten in het kleine territorium. Waar het in deze territoriumstrijd om gaat is dat de ander terrein verliest, in de hoek wordt gedrukt, dat er punten worden gescoord ten koste van een andere persoon. En daarbij is het natuurlijk het gemakkelijkst iemand te kiezen die over slechte of minder goede wapens beschikt, want een sterker persoon zou wel eens terug kunnen slaan.

Ik heb de politiek vergeleken met het leven in een apengemeenschap. Er is ook een andere vergelijking mogelijk, namelijk met de vechtende jongetjes op het schoolplein. Zoals u zich misschien herinnert zitten die jongetjes in een rangorde, en die rangorde is een andere dan die van de rapportcijfers. En er is altijd ťťn jongetje dat helemaal onderaan zit, - en dat jongetje wordt gepest.
De rol van het jongetje dat eeuwig gepest wordt is hier het afgelopen jaar toegevallen aan de bejaardenfractie, en u mag, na wat ik gezegd heb raden hoe dat komt. De aanwezigheid van de bejaardenfractie hier heeft gezorgd voor een stortvloed van vrolijkheid, waar velen via interrupties hun bijdrage aan hebben geleverd.
Het spel van afgaan en laten afgaan heeft een naam, het heet "de politieke arena". In de politieke arena gaat het er niet om politiek te bedrijven oftewel een beleid uit te stippelen, het gaat erom de ander ar te katten waar je maar kan. Het is ťťn van de verdiensten van de burgemeester van deze stad dat hij daar niet zo goed in is. Dat bewijst dat hij het stadium van de apen en van de vechtende jongetjes te boven is gekomen. En hij is gelukkig niet de enige. Maar het feit blijft bestaan dat zelfs degenen die niet meedoen aan dit spel het blijkbaar als vermakelijk of onvermijdelijk beschouwen. En dat is treurig. Want daarmee wordt bewezen dat politici niet geloven in hun eigen leuzen, in hun eigen ideologie. Dat ze wel praten over gelijke kansen en het beschermen van de zwakkeren, maar elkaar als individu behandelen als het recht van de sterkste.
Wat mij betreft, ik ga nu uit de raad. Ik pas ervoor mij verder aan te passen aan de condities van de politiek en van het schoolplein. Maar dat betekent niet dat ik de politiek uitga. Het enige wat ik doe is dat ik van het middenniveau terugkeer naar de basis, omdat ik daar in dit stadium nuttiger werk kan doen.
Maar dat
ik eruit ga betekent niet dat wij niet terugkomen. Alleen, het zal wel even duren voor dat gebeurt. Want het feminisme verkeert nu in hetzelfde stadium als de arbeidersbeweging honderd jaar geleden: alles moet nog van de grond af worden opgebouwd. Wij moeten nog een theorie maken, een analyse van de maatschappij, wij moeten structuren uitdenken waarin wij kunnen leven, wij moeten een beweging vormen en een tactiek uitdenken. Wij moeten zelfs ons eigen zelfbewustzijn nog veroveren. En dat is des te moeilijker omdat wij niet een minderheidsgroep zijn, maar de minderheidsgroep, sinds alle eeuwigheid. Dat is geen stelling van mij, maar van de ethnologen, de dierpsychologen, de apenduiders zoals ik ze pleeg te noemen. Wat is hun stelling? Dat de sociale hiŽrarchie is afgeleid van de seksuele, dat de onderdrukking van het wijfje model heeft gestaan voor de onderdrukking van alle soorten minderen. En dat betekent dat als wij in opstand komen, dat er dan werkelijk gewrikt wordt aan de fundamenten van de hiŽrarchie omdat wij geen enkele reden hebben te streven naar de vervanging van de ene elite door de anderen.

Zoals gezegd, het zal wel even duren voor we onszelf en elkaar wakker hebben geschud. Het zal dus ook wel even duren voor we terugkomen in de politiek. Maar wanneer we terugkomen dan gebeurt dat niet meer op de condities van de politiek maar op de onze.
En ťťn van die condities zal zijn dat de politieke arena wordt afgeschaft. Want politiek is te belangrijk voor de arena. Als er punten gescoord moeten worden dan is de juiste plaats daarvoor het voetbalveld. En als er dan een mannelijkheidshiŽrarchie moet worden opgebouwd dan moet dat maar gebeuren in de vrijetijdssfeer, in maancompetities of andere interlandwedstrijden, in de mandarijnensector van de wetenschap of voor mijn part in de echte. Maar het mag niet gebeuren op een plaats waar het om de belangen van de samenleving gaat. Alweer, die stelling is niet van mij, maar van de dierpsychologen, ditmaal in vereniging met psycho-analytici als Anthony Storr, Alexander Mitscherlich en Georges Mendel. In een tijd van ABC-wapens en milieuverstikking is de politieke arena een verouderd model. Hetgeen impliceert dat degenen die zo dol zijn op het politieke spel zullen moeten verdwijnen, dat er een type volksvertegenwoordiger moet komen dat geÔnteresseerd is in de knikkers en het spel aan zijn laars lapt. Dat is trouwens de enige manier om de politiek in de ogen van de kiezers te rehabiliteren. Want waarom heeft de televisie zo desastreus gewerkt op het image van de politiek? Niet omdat kamerdebatten te technisch zouden zijn, maar omdat kiezers die altijd gedacht hadden dat ze belasting betaalden voor een belangrijk doel nu plotseling merkten dat dat geld beheerd werd door een stel jongetjes, druk dribbelend om elkaar de bal af te pakken.
Een tweede conditie die wij zullen stellen is dat wij in de politiek de ruimte krijgen te werken voor onze eigen groep, - maar dat had u al begrepen. Een derde voorwaarde is dat wij alleen terugkomen in een bestel waarin werkweken van tachtig uur of meer zijn afgeschaft en als lachwekkend worden gezien. En dat geldt niet alleen voor onzelf, het geldt ook voor onze echtgenoten. Wij achten het namelijk uitgesloten dat iemand die jarenlang geen tijd heeft voor liefde, voor vriendschap, voor een gezinsleven of voor emoties een psyschisch gezond persoon kan blijven. En wij wensen bestuurd te worden door psychisch gezonde personen.
Oudcollega's raadsleden, ik wens u sterkte. Want er moet ook het een en ander met Amsterdam gebeuren. Er zullen in Amsterdam nog heel wat bouwsels moeten worden gesloopt en opgetrokken, en dat gaat gepaard met gedruis. In het bijzonder wens ik de drie dames die hier nog overblijven sterkte toe. Ik hoop dat ze het nog lang uithouden in deze arena. En tenslotte wens ik sterkte de raadsleden die zich ook niet zo prettig voelen in dit klimaat, zij staan model voor de politici van de toekomst.

 

REDACTIENOOT

[1] Rosa Luxemburg, Pools-Duitse revolutionair-socialiste; Barbara Castle, minister in diverse Labour-kabinetten in Engeland; Marga Klompť, eerste vrouwelijke minister in Nederland; Golda Meir, eerste vrouwelijke premier van IsraŽl; Indira Ghandi, eerste vrouwelijke premier van India [Red.].

 

Colofon

Rede, uitgesproken in de Amsterdamse gemeenteraad in september 1971. Gepubliceerd in Vrij Nederland, 25 september 1971. Herdrukt in:

  • Joke Kool-Smit, Hť zus, ze houen ons eronder. Een boek voor vrouwen en oudere meisjes. Utrecht/Antwerpen, Bruna, 1982, Zwarte Beertjes 1504, pp. 125-133;
  • Paul de Wispelaere, Een Vlaming bekijkt Nederland. Amsterdam/Brussel, Elsevier, 1972, pp. 49-56;
  • Joke Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen; teksten 1967-1981. Amsterdam, Feministische Uitgeverij Sara, 1984, pp. 104-111.

Deze online-publikatie is gebaseerd op de versie in de bundel uit 1984.

© Erven Joke Smit / Alle rechten voorbehouden.
Prints voor persoonlijk gebruik toegestaan.
Links worden verwelkomd. Overname van teksten mogelijk na voorafgaand overleg.
Wie een zelf gelegde link
per mail meldt, krijgt bericht over latere verplaatsingen van deze tekst.