Dit artikel is eerder geplaatst in het Tijdschrift Oud-Utrecht van december 2002


Stichts Asyl voor Dieren 1902-2002




Voor het Utrechtse dierenasiel aan het Oude Houtensepad was 2002 een gedenkwaardig jaar: een eeuw daarvoor werd het opgericht en na jarenlange vertraging kon nu eindelijk de eerste paal geslagen worden van de nieuwbouw aan de Koningsweg. Dat laatste feit was voor de medewerkers en bestuurs­leden natuurlijk belangrijker dan het eerste. Er was heel weinig bekend over de geschiedenis van de instelling. Voor Het Utrechts Archief was dat aan­leiding om de bewaard gebleven archiefstukken van het dierenasiel te verwerven en voor de redactie van het Tijdschrift Oud-Utrecht om ruimte vrij te maken voor dit histo­rische overzicht.


In de 19e eeuw ontstond geleidelijk belangstelling voor de bescherming van dieren. Men had door de eeuwen heen huisdieren vooral beschouwd als nuttige ‘werk­tuigen'. Zo werden honden onder meer gebruikt voor het trekken van karren. Er waren ook veel straathonden, die een ellendig bestaan hadden. Steeds meer mensen kwamen in verzet tegen het mis­brui­ken en mis­handelen van dieren. In 1864 werd in Den Haag de eerste Vereeniging tot Bescher­ming van Dieren opgericht en al een jaar later werd dat voorbeeld in Utrecht gevolgd. In 1877 kwam er een landelijke vereniging tot stand. Aan het begin van de 20e eeuw ontstonden er allerlei verenigingen die zich specialiseerden op een terrein van dieren­bescherming, zoals de opvang van dieren. Na Den Haag en Amsterdam was Utrecht de derde stad waar een dierenasiel werd opgericht.

Oprichting van het asiel
De oprichting van een ‘toevluchtsoord voor noodlijdende dieren’ in Utrecht was het initia­tief van negen dames, die een ‘Voorloopig Comité’ vormden. Op donderdagavond 10 april 1902 organiseerde dit comité een vergadering in het gebouw ‘Irene’ aan de Keistraat om een vereniging in het leven te roepen. De vergadering werd door 26 personen bijgewoond en er waren al ongeveer 400 toezeggingen van lidmaatschap binnengekomen. De voorzitster, mevrouw H.W.J. de Feyfer-van Tussen­broek, hield een inleidend woord, waarin zij aantoon­de hoe ook uit de bijbel bleek dat het dier de bescher­ming van de mens nodig had. Zij waar­schuwde wel voor ‘zieke­lijke over­drijving'. Wellicht speelde zij daarbij in op gevoelens van onbegrip die in de stad heersten: was het wel nodig dieren een luxe leventje te bezorgen, dat voor het gros van de mensen niet eens weggelegd was? De oprich­ters van het asiel hadden echter niet de illusie dat zij de asieldieren konden vertroetelen. Zij wilden op een praktische en zakelijke manier de problematiek van de talloze zwerfhonden en -katten proberen op te lossen en brachten in korte tijd veel tot stand.
Als naam van de instelling werd Stichtsch Asyl voor Dieren vastgesteld. Het voorlopige comité werd bij acclamatie gekozen tot definitief bestuur van de vereniging. Tijdens de eerste bestuurs­ver­gadering, op 10 mei 1902, werden de functies opnieuw ver­deeld. Presidente werd nu mevrouw J.F. Ebeling-Wakker, die in het voorlopige comité 1e secreta­resse was geweest. Zij zou het bestuur ruim 40 jaar lang leiden.
Al vanaf mei 1902 werden dieren opgevangen op de zolder van de woning van mevrouw Ebeling aan de Ram­straat nr. 9 en in het huis van de toekomstige beheerder, Ph. Sollman, aan de Hoven­straat. Het ging om huisdieren van leden van de vereniging én om zwervende dieren. Na­uurlijk was dit een noodoplossing en moest er een afzonderlijk gebouw komen. De be­stuursl­eden gingen ijverig op zoek naar een geschik­te locatie en lieten hun oog vallen op een terrein aan de Abste­der­dijk op de hoek van de Markstraat. In de alge­me­ne leden­verga­dering van 11 augustus werd het bestuur gemach­tigd tot het huren van dat terrein en van het aangren­zende huisje Mark­straat 1, dat als woning voor de ‘bewaarder’ kon dienen. De heer Ph. Sollman werd in die functie aangesteld en hij verhuisde in decem­ber naar het nieuwe adres. In en bij zijn huis kon hij, vooruitlopend op de bouw van het asiel, nood­lijdende of in bewaring gegeven honden en katten herbergen.
In het eerste jaar traden 317 perso­nen toe als lid van de vere­niging en werden ruim 100 giften ineens ont­vangen. Contributies en giften vormden een belangrijke bron van in­komsten, naast de vergoedingen voor het verzorgen van dieren die tijdelijk in de kost waren. De vereni­ging kreeg geen subsidie - dat zou pas veel later gebeuren - en was geheel zelfstandig. De Vereeniging tot Bescherming van Dieren sympa­thi­seerde uiteraard wel met de nieuwe instelling en zou in de loop van de jaren geregeld (finan­ciële) hulp bieden.

Huisvesting aan de Markstraat
Architect W.M. Reyerse te Blauwkapel, die lid van de vereniging was, maakte geheel be­lange­­loos een bouwplan voor het op te richten asiel. Op 16 oktober 1902 werd bij B&W de ver­gunning aangevraagd. Het ging om een gemetseld gebouw voor 60 katten en een inrich­ting met houten wanden voor ongeveer 50 honden. Hoewel de ‘inspec­teur over het bouwen' zich met een vooruitziende blik afvroeg of het oprichten van een bewaarplaats voor dieren in de onmid­dellijke nabijheid van een bewoonde buurt geen bezwaren zou opleve­ren door stank en lawaai, werd de vergunning al na twee weken verleend. Het gebouw kon op 12 mei 1903 worden geopend.

In het eerste jaar na de opening werden 238 kostdieren en 478 zwerfdieren verzorgd. Het asiel was dus steeds goed bezet en er moesten zelfs al acht kennels bijgebouwd worden. Vanaf 1906 was het ook mogelijk honden tegen betaling in het asiel te laten wassen. Een van de leden had voor dat doel een badkuip cadeau gedaan. Voor de zwerfdieren werden zoveel mogelijk goede tehuizen gezocht. Toch was het nog steeds noodzakelijk dieren af te maken; de Vereeniging tot Bescherming van Dieren had daarvoor een verstikkingstoestel in bruikleen gegeven, dat later geschonken werd. Het toestel werd niet alleen gebruikt voor zieke of gewonde asiel­dieren en voor dieren die op verzoek van de eigenaren afgemaakt werden, maar ook voor honden die bij de politie beland waren. Deze zwerfhonden waren bij een politiepost afgegeven of door speciale hon­den­vangers opgepakt, omdat zij geen belas­ting­penning droegen. Vroeger werden deze stakkers verdronken of in kratten ‘verpakt’ naar Den Haag vervoerd om daar afgemaakt te worden; nu konden ze snel en pijn­loos op het terrein van het asiel door middel van gas worden gedood. Hieruit blijkt dat de dames bestuurs­leden met beide benen op de grond stonden, al waren zij van mening dat voor sommige van de af te maken honden nog wel een goed tehuis gevonden had kunnen worden. De mensen werd geadvi­seerd om loslopende honden bij het asiel af te leveren en niet bij de politie, waar zij haast altijd ter dood veroordeeld werden. In 1907 kregen de bestuursleden het na lang aandringen voor elkaar, dat deze ‘politie­honden’ voortaan in het asiel op hun einde moch­ten wachten. Omdat de taak voor de bewaarder daardoor zwaarder werd - alleen al in 1907 droeg de politie 355 honden over! - werd een tweede oppasser aangesteld.

De zwerfdieren die door het asiel werden opgenomen, kregen een proeftijd van 14 dagen, waarin de bestuursleden probeerden een goed tehuis te vinden. Na het verstrijken van die periode was men genoodzaakt de dieren af te maken, al werd die termijn bij gezon­de levens­lustige exemplaren vaak overschreden. Voor de honden die door de politie aange­leverd werden, bedroeg het uitstel van executie slechts drie dagen. Als zich dan geen eigenaar gemeld had, was er geen genade meer. Deze honden bleven eigendom van de gemeente, zodat de bestuursleden daarover niets te zeggen hadden. Zij mochten tot hun verdriet geen nieuwe baas zoeken, maar hooguit proberen de eigenaar op te sporen. Soms lukte dat en kon de eigenaar zijn huisdier op de valreep ophalen. Katten werden door de gemeente wel aan het asiel afgestaan, omdat voor deze dieren geen belasting verschuldigd was.

Het asiel floreert
Het dierenasiel bleek in een behoefte te voorzien. Het aantal verenigingsleden nam toe en er werden steeds meer dieren verzorgd. Naast zwerfdieren en dieren die aan de vereniging waren afgestaan, waren er doorlopend kostdieren aanwezig, die voor inkomsten zorgden. Als voor een asielhond een tehuis gevonden was, kon de nieuwe eigenaar het dier in de beginjaren gratis meene­men, al werd gehoopt op een vrijwillige gift; in 1909 kreeg de bewaar­der toestem­ming om voor elk weg­gegeven dier een bijdrage van minstens 25 cent te vragen. Er werd ook een vergoeding gevraagd voor het afmaken van dieren op verzoek van de eigenaren. Deze macabere vorm van dienst­verlening nam in de loop van de jaren toe, terwijl het aantal zwerfhonden afnam. De bestuursleden vonden dit een treurige ontwik­keling, maar zij troostten zich met de gedachte dat de dieren beter pijnloos gedood konden worden dan dat ze de straat op werden gejaagd, waar zij ten prooi vielen aan gebrek of mishande­ling.

In mei 1910 verleenden B&W vergunning voor het vergroten van het kattenhuis, het maken van een houten paviljoen met aangrenzend schuurtje en het aanbrengen van een omhei­ning langs de Markstraat en de Abstederdijk. De verbouwing zorgde voor een grote verbete­ring en het bestuur constateerde vergenoegd dat het asiel nu ‘keurig in orde’ was. In 1914 liep het huurcontract af van het terrein waarop de gebouwen stonden; de vereniging was in de gelegenheid de grond aan te kopen. De schuld die daarvoor moest worden aangegaan, kon al in 1915 worden afgelost door een legaat van 10.000 gulden. Het volgende jaar werd ook het huisje naast het asiel, waarin de beheerder woonde, eigendom van de vereniging.
De bestuursleden voelden zich nauw betrokken bij het reilen en zeilen in het asiel. Eens per week bezochten zij beurtelings de instelling om toezicht te houden en er werden soms dra­ma­­tische verhalen opgetekend, die de dames niet onberoerd hadden gelaten. Zo kwam er in 1913 een hond binnen van een oude afgeleefde man, die een zelfmoordpoging had gedaan. De man had het dier gebruikt om zijn karretje te trekken, ‘wat niet belette dat beiden zeer aan elkaar gehecht waren en hun sober en moeilijk verdiend stukje brood broederlijk deelden’. In een wanhopige bui had hij de hond losgemaakt en was hij met karretje en al het water ingereden. Het kwam toch nog goed: de drenkeling werd gered en naar een instel­ling in Groningen gebracht en de hond kreeg via het asiel een nieuwe baas. Een echte tra­nen­trekker was het verhaal over een wit doeshondje, dat achter de ruitjes van het verstik­kings­toestel nog mooi ging opzitten ...

Grotere bekendheid
Hoewel het asiel binnen de bebouwde kom gevestigd was, werd er door Utrechters over ge­klaagd dat het te afgelegen lag. Men moest vaak een lange tocht ondernemen om een gevonden hond of kat te brengen. Daarom werd in 1910 een aantal stalhouders verspreid in de stad ge­vraagd de zwerfdieren tijdelijk op te nemen. De stalhouders, die de beschikking kregen over een halsband met ketting voor een hond en een gesloten mand voor een poes, telefoneerden naar het asiel als er een dier afgegeven was. De opzichter van het asiel ging de zwerver ver­volgens ophalen. Grote honden vervoerde hij lopend, kleinere dieren op een fiets met een mand voorop en zwakke of gewonde dieren met een handkar. In 1922 werd een motorfiets met een gesloten bak aangeschaft, waarin de dieren tochtvrij opgeborgen waren. Na drie jaar werd de motor vervangen door een kleine auto, waar­op naar aanwij­zingen van het bestuur een bovenbouw van lichtgeel hout aan­gebracht werd. Op deze bovenbouw waren naam en adres van het asiel geschilderd, zodat de auto voor een goede reclame zorgde. Ook op andere manieren werd aan publiciteit gedaan; er werden bijvoor­beeld reclamebiljetten gedrukt en in de stad opgehangen. Met de auto konden ook dieren buiten de stad worden opgehaald, waardoor het asiel voor de hele provincie nuttig werd. De bekendheid van het asiel werd steeds groter, maar de geldelijke steun hield daarmee geen gelijke tred. Gelukkig kwam er wel zo nu en dan een gift of legaat, want er was veel geld nodig voor het aanbrengen van verbeteringen en vernieuwingen.

In de Eerste Wereldoorlog droeg het asiel zijn steentje bij door huisdieren die met Belgische vluchtingen meegekomen waren, gratis op te nemen. Vooral in de oorlogsjaren was het moeilijk om aan voedsel voor de dieren te komen. Er was ook nog geen speciaal honden- en katten­voer, zoals tegenwoordig. In 1919 kregen de katten bijvoorbeeld drie keer per dag melk (’s morgens met havermout) en ’s middags aardappels met gehakt. De bestuursleden, die maandelijks vergaderden, hielden plichtsgetrouw toe­zicht en stonden open voor adviezen en klachten. Zij vroegen wel om begrip: ‘Mocht een ieder toch beden­ken, dat het Asyl een inrichting is, niet in ’t leven geroepen uit winzucht, maar opgericht uit mededoogen met het lijdende dier’. Dat de sfeer onder bestuursleden en werknemers goed was, bleek wel uit het feit dat op 1 december 1927 het 25-jarig jubileum gevierd werd van de bewaarder, inmiddels opzichter genoemd. Philippus Sollman en zijn familie werden door het voltallige bestuur opgewacht in het versierde kantoortje. De presidente hield een toe­spraak en bood de jubilaris een elektrische hanglamp en een gratificatie aan. Tijdens een receptie getuigden vele bloemen en geschen­ken (onder andere afkomstig van een hond die meermaals in het asiel vertoefde) van waar­dering en vriendschap. Sollman was al op 22-jarige leeftijd bij het asiel komen werken en hij zou er tot zijn pensioen blijven. Een makke­lijk man was hij niet en er kwamen nogal eens klachten binnen over zijn barse optreden. Hij was nu eenmaal ‘inniger verknocht’ aan dieren dan aan mensen!

Nieuwbouw
De gebouwen die in 1910 nog zo ‘keurig in orde’ waren, voldeden in de jaren ’20 niet meer. Het asiel groeide uit zijn jasje en er waren ter plaatse geen uitbreidingsmogelijkheden. Om een indruk te geven van de bedrijvigheid: in 1925 kwamen er 3410 dieren, waarvan er 834 als kostdier verzorgd werden; 2145 dieren moesten worden afgemaakt en voor 295 geluks­vogels kon een nieuw tehuis worden gevonden. Niet alleen de sterke groei van het asiel, maar ook de geluidsoverlast zorgde voor problemen. In 1902 lag de Markstraat aan het eind van de Abstederdijk nog in een lande­lijke omgeving, maar intussen werd het terrein door een groot stadsdeel ingesloten. Al in 1917 werd door omwo­nenden geklaagd over het hin­der­lijk blaffen van de honden gedu­ren­de de nacht. In 1926 werd in beginsel besloten tot uitbrei­ding en dus verplaat­sing, waarbij men gebruik wilde maken van de nieuwste inzich­ten op hygiënisch gebied. Door enkele legaten én het zuinige beheer van de penning­mees­teresse durfde het bestuur deze plannen te maken, maar het lukte nog niet een geschikt ter­rein te vinden: ‘We zoeken dan ook wel eenigsints het "schaap met vijf pooten". Het Asyl toch moet ver genoeg van de bebouwde kom der stad liggen om geen last te bezorgen door hinderlijk leven en toch ook weer dichtbij genoeg om gemakkelijk bereik­baar te zijn, zoo­wel te voet als per autobus of tram. Ook moet er gas aanwezig zijn en water (liefst leiding­water). En als het terrein aan al deze eischen beantwoordt, mag het niet te hoog in prijs wezen". In 1928 werd dan toch het ideale terrein gevonden: in oktober werd de voorlopige koop gesloten van een stuk grond van 4341 m2 aan het Houtenschepad. Er konden nu plan­nen gemaakt worden voor een ‘model-inrichting’. In de algemene ledenver­gadering van 12 april 1929 werd het bouwplan goed­ge­keurd, waarna aan architect Chr. Stoffels de opdracht werd gegeven het plan met de teke­ningen gereed te maken. Op 9 juli 1930 vond onder grote belangstelling de opening plaats van de nieuwe gebouwen op het adres Houtenschepad (later Oude Houtensepad) 2a (vernummerd tot achtereenvolgens 26 en 46). In de kranten verschenen lovende arti­kelen over het complex: ‘En daar staat me dan nu het fonkelnieuwe Asyl aan het Houtenschepad, als een kostelijk juweel uitglanzend boven het oude kavalje aan de Markstraat’.

Het hoofdgebouw was ingericht als opzichterswoning, met een kantoor, een bestuurskamer en een onderzoeks­ruimte voor de dierenarts die als adviseur aan het asiel verbonden was. Bij de garage voor de asielauto bevonden zich het dierenbad en bergruimten. Links en rechts van de garage lagen de ruime kennels voor honden en katten, die voorzien waren van dag- en nachtverblijven. Er was ook een apart gebouwtje voor zwerfdieren. Het bestuur, dat nog steeds geheel uit vrouwen bestond, werd geprezen om zijn daadkracht en doorzet­tings­vermogen: ‘Ziedaar een sterke uiting van particulier initiatief, een sterke daad van een betrekkelijk kleinen kring, aan wien het is mogen gelukken, méér dan een halve ton aan geld bijeen te brengen om dezen nieuwbouw naar modernen eisch mogelijk te maken’. De tijd dat het bestuur geheel uit dames bestond, was trouwens al snel voorbij: in 1931 kwam er voor het eerst een manne­lijk bestuurslid en het aantal mannen in het bestuur zou in de loop van de jaren toenemen.

Aan het Oude Houtensepad
Kort na de verhuizing, in 1931, ontving de vereniging een bijzondere gift: een bedrag van 50 gulden afkomstig van prinses Juliana. De kas werd ook gespekt door bazaars en een loterij, die in de tweede helft van de jaren '30 georganiseerd werden. In 1936 kon dan ook een nieuwe auto worden aan­geschaft. In 1942 bestond het asiel veertig jaar. Als jubileumdatum werd niet de oprich­tingsdatum van de vereniging of de openingsdatum van het eerste asiel aangehouden, maar 1 december, de datum waarop de opzichter aan de Markstraat met zijn werkzaamheden begonnen was. Door de oorlog kon er van een viering geen sprake zijn, maar het bestuur kwam bijeen voor een ‘sobere maar fleurige plechtigheid’. De presidente memoreerde in haar toespraak, dat het asiel in de loop van de jaren ‘een uitkomst werd voor wie zich tijdelijk of eeuwig van zijn huisdier wenschte te ontdoen, en een reddende toevlucht voor de baas- en dakloozen’. Zij sprak ook haar grote waardering uit voor de heer Sollman en zijn vrouw, die al die jaren met zoveel toewijding in het asiel hadden gewerkt. Het was voor mevrouw Ebeling de laatste toespraak als presiden­te, want per 1 januari 1943 legde zij haar functie neer. Zij werd met recht erelid van de vereniging, evenals een ander bestuurslid van het eerste uur, mevrouw S.E. Jenny Weijerman-Dirks.

De oorlogsjaren waren moeilijk voor het asiel. Het was steeds een puzzel hoe men aan eten voor de dieren moest komen, de binnengebrachte honden waren in slechte conditie, de auto werd in beslag genomen en de huisvesting werd steeds gebrekkiger. De belangstelling voor het asiel nam natuurlijk ook af. De algemene ledenvergadering van 1943 werd door geen enkel lid bijgewoond. Het bestuur reageerde laconiek: ‘Wij danken de dames en heeren zeer voor dit bewijs van vertrouwen’. Terugkijkend op 1944 verzuchtte de secreta­resse: ‘Waar was de charme, de sport, de sfeer, die ons Asyl tot Asyl maakten, wel-bekend en bemind bij zoo menigeen, stad of dorpeling onzer gewesten?... Waar al de leutige frischheid van weleer, als we kennel of verblijf betraden? Waar de pracht-exemplaren, vacantie-gasten in vroegere zomers?...’ Toch bleef het asiel voor grote rampen gespaard en men ging na de bevrijding vol goede moed verder: ‘Wat ook is gevallen, niet de liefde voor het dier, wat ook verloren ging, niet de vriendschap van onzen viervoetigen makker...’ Er werd weer een auto aange­schaft, de dierenverblijven werden gerepareerd en verbeterd en het afmaak­toestel werd gerestaureerd. Vooral in 1947 moesten veel kosten worden gemaakt, maar de inkom­sten stegen door een tariefverhoging en door een stijging van het aantal leden. Bovendien ver­strekte de gemeente Utrecht in dat jaar voor het eerst een subsidie van duizend gulden, naast de jaarlijkse vergoeding voor het afhalen en vervoeren van zwerf­honden.
Hoewel het asiel in de eerste plaats bestemd was voor honden en katten, werden er inciden­teel ook andere dieren verzorgd, zoals cavia’s, konijnen en papegaaien. De naam van het asiel bleef onge­wijzigd, al ging men ‘Stichtsch’ enkele jaren na de oorlog als ‘Stichts’ schrijven. In 1949 bracht burgemeester jhr. C.J.A. de Ranitz met zijn vrouw een bezoek aan het asiel; mevrouw De Ranitz werd bij die gele­gen­heid beschermvrouwe van de vere­niging. In het jubileumjaar 1952 werd trots geconstateerd, dat het Stichts Asyl een van de grootste inrichtingen op dat gebied in Neder­land was.

‘Laat uw dier niet stikken’
In 1975 werd de vereniging ontbonden en de Stichting Stichts Asyl voor Dieren opgericht. Er was een exploitatietekort en volgens het bestuur belemmerde de verenigings­constructie de slagvaardige uitvoering van een efficiënt beleid. Het doel bleef gelijk: ‘noodlijdende en onbeheerde dieren tijdelijk op te nemen en te helpen en eventueel de verzorging en bewaring van dieren, op verzoek van hun eigenaren, op zich te nemen’. Toch werd in het jaarverslag over 1976 nog als een van de werkdoelen geformu­leerd: ‘Het pijnloos laten inslapen van zowel zwerf- als daartoe door hun eigenaar afgegeven dieren, nadat e.e.a. door het Stichts Asyl als onafwendbaar wordt geacht’. Er ontstond veel commotie over dit af­maak­beleid en vooral ook over de manier waarop de dieren wer­den gedood. Er verschenen krantenartikelen en er werden actiegroepen opgericht. In de nacht van 6 op 7 mei 1978 probeerde de actiegroep ‘Laat uw dier niet stikken’ de gasklok in het asiel te ontvreemden en er werd zelfs gedreigd het apparaat met een bom op te blazen.
Zover kwam het niet en de actiegroep bood zijn excuses aan: het bom-dreigement was voortgekomen uit een emo­tio­nele opwelling en het was nooit de bedoeling geweest het uit te voeren. Het bestuur was van mening, dat de bij het asiel toegepaste methode ‘humaan en pijnloos’ was en dat ge­waakt moest worden voor een aan het publiek opgedrongen dierenbezit. De Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren dacht daar anders over. In 1977 werd in de algeme­ne ledenvergadering van deze vereniging beslo­ten om het doden van dieren in de asielen alleen toe te staan door de die­ren­arts via een injectie. De Dierenbescherming bood het Stichts Asyl voor Dieren in 1980 financiële steun aan, onder voor­waarde dat de gasklok op korte termijn zou worden afge­broken. Er moest bovendien een ‘eutha­na­sie­commissie’ worden opgericht, die besliste over het wel of niet afmaken van die­ren. Inderdaad werd de gasruimte gesloten en werd er een commissie ingesteld, bestaan­de uit de behandelend dierenarts, de beheerder en een bestuurs­­lid.
Het aantal zwerfhonden en -katten werd teruggedrongen door castratie- en sterilisatieacties. Bovendien verbeterde de gezondheid van de dieren door de ontwikkeling van de diergenees­kunde. Door de groeiende welvaart waren ook steeds meer mensen in de gelegenheid een huisdier te onderhou­den. In 1985 hoefde men nog slechts 35 honden en 8 katten te laten inslapen.

Verhuisplannen
In de laatste decennia van de 20e eeuw speelden nieuwbouwplannen een belangrijke rol. Net als aan de Markstraat kwamen er aan het Oude Houtensepad klachten van omwonen­den over geluidsoverlast, voldeden de gebouwen niet meer aan de eisen en was er veel te weinig ruimte. In 1990 leek de kogel door te kerk te zijn: de gemeente stelde 1,6 miljoen beschikbaar voor de bouw van een nieuw asiel. De omwonenden, die al jarenlang actie hadden gevoerd om het asiel uit de woonwijk weg te krijgen, reageerden zeer verheugd maar afwachtend. Hun argwaan was terecht, want het bleek moeilijk te zijn het resterende bedrag bij elkaar te krijgen en een geschikte locatie te vinden. Pas in 1996 werd besloten nieuwbouw te plegen op een terrein aan de Koningsweg, in de hoek van de A27 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem. Per 1 januari 1998 moest het nieuwe gebouw in gebruik zijn, maar er ontstond opnieuw vertraging, onder meer door bezwaren van bewoners van de Koningsweg. Tijdens vele juridische procedures, die tot maart 2002 duurden, werd het asiel aan het Oude Houtensepad gedoogd. Om tegemoet te komen aan de klachten over het geblaf, ging men er wel toe over de honden tijdelijk elders in de regio op te vangen; sinds 1 mei zijn er geen honden meer in het asiel aanwezig.
Op 22 april 2002 ging dan toch de eerste paal van het nieuwe gebouw de grond in. Het Stichts Asyl voor Dieren is de tweede eeuw van zijn bestaan begonnen met een verhuizing. Inmiddels zijn bij het asiel naast de beheerder vier betaalde krachten werkzaam en wordt er in drukke periodes gebruik gemaakt van de diensten van 20 tot 30 vrijwilligers.
Er is veel veranderd sinds 1902, maar er zijn gelukkig nog steeds mensen die zich willen inzetten voor de opvang van dieren in Utrecht.

Jellie van der Meulen

Bronnen
Het Utrechts Archief: archief van het Stichts Asyl voor Dieren, 1902 - 1987, toegang 1177, archief van het gemeente­bestuur van Utrecht na 1813 (bouwte­keningen met bijbehorende stukken; stukken betreffende het verstrekken van subsidie aan het Stichts Asyl voor Dieren), diverse kranten.