Biografie Cees van Leeuwen


Eerder gepubliceerd in: W. van den Broeke (Red.), "Utrechtse biografieën (1). Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters". Utrecht (SPOU), 1997.

Geannoteerde versie van de auteur




Cees van Leeuwen


Oprichter van de schouwburg op het Vredenburg


Cornelis van Leeuwen werd op 10 september 1786 in de Nederduits-gereformeerde kerk te Moerkapelle bij Gouda gedoopt als wettige zoon van Pieter van Dam en Neeltje van Leeuwen. Omdat hij later de achternaam Van Leeuwen gebruikte, werd hij wellicht opgevoed door familie van zijn in 1788 overleden moeder. Op 1 juli 1806 trad hij te Utrecht in het huwelijk met de 27-jarige Everijntje (ook: Everdina, Johanna Dina) van Wijk. Het echtpaar kreeg in de periode 1806-1819 acht dochters, van wie er drie op jeugdige leeftijd overleden. In 1821 en 1823 werden nog twee zoons geboren.

Het is niet bekend, wanneer Cornelis van Leeuwen zijn geboortestreek verlaten heeft. Hij kreeg in 1810 het burgerrecht van Utrecht1, maar hij woonde hier al in 1806, aan de Potterstraat. Daarna verhuisde hij naar de Groenestraat, waar hij een dansschool had2. In 1811 was hij violist3, een beroep dat uiteraard goed te combineren was met het geven van danslessen.
Omstreeks 1812 werd Cornelis van Leeuwen kastelein in het huis "Sterkenburg" aan de Springweg, waar hij danspartijen en "redoutes" (gemaskerde bals) gaf. Op 1 mei 1813 verhuisde hij naar het koffiehuis "Hof van Holland" aan het Vredenburg4. Dit koffiehuis bevond zich op de plaats van het tegenwoordige bankgebouw Vredenburg 2, op de hoek van de Drieharingstraat. De situering leek ideaal, want op het plein Vredenburg was veel bedrijvigheid door de veemarkten en de jaarlijkse kermis. Toch had Cornelis van Leeuwen moeite om in zijn onderhoud te voorzien, zodat hij door het organiseren van wekelijkse partijen moest proberen extra inkomsten te verwerven. Een oude toneelknecht wist zich jaren later te herinneren, dat er ook toneelvoorstellingen gehouden werden: "In dat huis werd komedie gespeeld, o.a. op Hoveniersmaandag in de kermisweek, wanneer het er stampvol was"5. Deze voorstellingen zullen niet alleen uit commerciŽle overwegingen, maar ook uit persoonlijke belangstelling georganiseerd zijn: "Van Leeuwen, alhoewel er niet voor grootgebracht, was artiste in zijn hart"6.

In april 1815 diende Cornelis van Leeuwen bij het stadsbestuur een verzoek in om op het plein Vredenburg, recht tegenover zijn huis, een schouwburg op te richten. Nadat de eerste schouwburg in 1808 door brand verwoest was, had men het koor van de Mariakerk ingericht als theater. In januari 1815 werd deze ruimte echter in gebruik genomen als concertzaal, zodat het initiatief van Van Leeuwen zeer welkom was. Het verzoek werd dan ook ingewilligd7, maar door geldgebrek moest Van Leeuwen zich voorlopig beperken tot het huren van een houten loods, waarin hij toneelgezelschappen kon laten optreden8. In 1819 diende hij een nieuw verzoek in voor de bouw van een vaste schouwburg, waarin tevens een woonhuis en een koffiehuis gevestigd zouden zijn9. Het koffiehuis moest voor vaste inkomsten zorgen, want Van Leeuwen realiseerde zich dat hij van het organiseren van toneelvoorstellingen niet zou kunnen rondkomen. Net als in 1815 ontbrak het benodigde kapitaal, maar het lukte nu om grote bedragen te lenen, onder meer van zo'n vijftig particulieren10. Van Leeuwen moet wel een man met overredingskracht zijn geweest! Op 20 september 1820 werd de eerste steen van deze nieuwe schouwburg gelegd11.
Het gebouw, ontworpen door Van Leeuwen zelf en de timmerman G. van Dorssen, was van hout, maar had een stenen voet12. De voorgevel was neoklassiek en had een peristyle met vier dikke zuilen. Het geheel kreeg door latere verbouwingen een nogal plomp en rommelig aanzien, maar in de tijd van Van Leeuwen was het toch een monumentaal bouwwerk. De inwijding op 9 juli 1821 werd bijgewoond door "de voornaamste autoriteiten en bijna al wat aanzienlijk heeten mag"13 en het zal voor Cornelis van Leeuwen een glorieuze avond geweest zijn.

Van Leeuwen wilde niet alleen ruimte bieden voor toneelvoorstellingen, maar ook voor concerten, feesten en grote bijeenkomsten. Voor dat doel liet hij naast de schouwburg een aparte zaal bouwen. In 1828 werd hij ook nog huurder van een park bij de Wittevrouwensingel en de Nachtegaalstraat, waar hij in de zomermaanden allerlei vermakelijkheden organiseerde. Hij gaf het park de naam "Tivoli", maar het stond algemeen bekend als "de tuin van Kees van Leeuwen". In 1836 kwamen er bij de viering van het 200-jarig bestaan van de universiteit meer dan 4000 personen, onder wie Prins Frederik, bijeen om te genieten van illuminatie, vuurwerk en muziek14. Van Leeuwen had inmiddels in het park een houten halfopen concertgebouw laten neerzetten, waar in een zaal met kroonluchters en spiegels gedanst kon worden. Dit gebouw werd op 29 november 1836 tijdens een hevige storm vernield, waardoor Cornelis van Leeuwen bijna verongelukte. Hij werd bedolven onder de puinhoop en "schier levensloos en ellendig bezeerd, met moeite gered"15. Van Leeuwen herstelde gelukkig en de lokalen in het park konden herbouwd worden dank zij de opbrengsten van een speciaal concert, waaraan onder meer zijn schoonzoon P.G. van Dam als klarinettist en zijn zoon Cornelis als pianist meewerkten16.

Als schouwburgexploitant ging Cornelis van Leeuwen gebukt onder financiŽle zorgen. Het organiseren van toneelvoorstellingen kostte veel geld en de inkomsten bleven daar ver bij achter. Hij leed vaak verliezen en kon de schulden die hij voor de oprichting van het gebouw gemaakt had, niet aflossen. Utrecht had niet zoals Amsterdam een vast toneelgezelschap en er moest steeds weer veel moeite gedaan worden om gezelschappen van elders aan te trekken. Van het gemeentebestuur kreeg Van Leeuwen nauwelijks steun. In de jaren 1835-1838 diende hij verschillende verzoeken om subsidie in, maar deze werden afgewezen17. De Utrechtsche Courant sprak er schande van dat "in eene stad, bevolkt met meer dan 43.000 inwoners, in eene academieplaats, door ruim 550 studenten bezocht, de stedelijke regering volstrekt geene ondersteuning in de laatste jaren meer heeft gegeven"18. De inwoners mopperden dat de schouwburg zo vaak gesloten was, maar ŗls er eens een voorstelling georganiseerd werd, bleef een groot deel van het publiek weg. Er was wel eens iets aan te merken op de "bemoeyingen en gedragingen" van Van Leeuwen, maar zijn "onvermoeiden ijver en ondernemenden geest" werden te weinig op prijs gesteld19. In de krant wordt ook geklaagd over het slechte gedrag van de studenten: er werden onbetamelijke liedjes ten gehore gebracht, er werden geluiden van dieren nagebootst, er werd bij opera's meegeneuried en men probeerde soms de acteurs in de war te brengen. Bovendien werd er in de zaal volop gerookt. Onder meer uit lange Goudse pijpen kon men de damp zien opstijgen, waardoor de toch al niet goede verlichting "als door eenen nevel omhuld" scheen te zijn. Het werd Cornelis van Leeuwen kwalijk genomen, dat hij tegen dergelijke ongeregeldheden niet optrad20. Vermoedelijk hield hij de studenten de hand boven het hoofd, omdat hij financieel te zeer afhankelijk van hen was. Op 17 mei 1839 maakte Cornelis van Leeuwen bekend, dat hij de huur van het park Tivoli had overgedaan aan zijn kinderen21. De twee oudste nog in leven zijnde dochters zetten de activiteiten in het park voort, totdat aan het eind van 1842 de huur door de nieuwe eigenaar werd opgezegd. Cornelis van Leeuwen bleef wel zelf de schouwburg exploiteren. Hij overleed op 2 januari 1841, zeven jaar na de dood van zijn echtgenote. De erfenis bestond voor een groot deel uit schulden en de kinderen moesten de schouwburg in 1842 verkopen22. Nog bijna een eeuw zou het gebouw op het Vredenburg dienst doen. In 1941 werd het gesloopt en vervangen door de Stadsschouwburg aan het Lucasbolwerk. Het park Tivoli, dat na 1842 nog was vergroot, verdween in 1929. En zo herinnert vandaag de dag niets meer aan Cornelis van Leeuwen. Toch heeft deze artistieke "man uit het volk" dank zij zijn durf en volharding veel betekend voor het culturele leven in de stad Utrecht.

J.N. van der Meulen


Voornaamste bronnen:
Archivalia: GAU: Stadsarchief III en IV; notariŽle archieven; historisch werkmateriaal.
Literatuur: Mr. W.G.F.O. van Sorgen, De tooneelspeelkunst in Utrecht en de Utrechtsche Schouwburg ('s-Gravenhage, 1885); De schouwburg te Utrecht, in: Utrechtsche Volksalmanak, 1850, pag. 161-169; Utrechtsche Courant; artikelen over schouwburg en park Tivoli in Jaarboekjes en Maandbladen Oud-Utrecht.

Noten
1. Zie voor zijn verzoek om burgerrecht: GAU, SA III, inv.nr. 614.
2. Volgens G.J. Mijinke op pag. 49 van Mr. W.G.F.A. van Sorgen, De tooneelspeelkunst in Utrecht en de Utrechtsche Schouwburg, 's-Gravenhage, 1885, GAU, bibl.sign. XII F 15.
3. Volgens de geboorteakte van dochter Neeltje, geb. 20-8-1811.
4. Zie de advertentie van Van Leeuwen in Affiches, annonces et avis divers d'Utrecht/AdvertentiŽn, aankondigingen en verschillende berigten van Utrecht, no. 52, 30 april 1813, GAU, bibl.sign. LXXIII B 15.
5. G.J. Mijinke op pag. 49 van Van Sorgen (zie noot 2).
6. Ibidem.
7. Gezegeld register, bevattende besluiten van Burgemeester en Wethouders aan het zegelrecht onderworpen, 1 mei 1815, GAU, SA IV, inv.nr. 105, nr. 10.
8. Ibidem, nr. 12. De vergunning voor het laten spelen van toneelgezelschappen in de tent of loods werd opnieuw verleend op 28 maart 1817 (SA IV, inv.nr. 105, nr. 50).
9. GAU, SA IV, inv.nr. 1012 en in inv.nr. 1014.
10. Zie voor hypotheekakten het protocol van notaris C.J. Heijlidij, GAU, inv.nr. U 301 a 029, 25-10-1821, akten nrs. 1483-1485, 1487 en 1497.
11. Volgens "De schouwburg te Utrecht" in de Utrechtsche Volksalmanak van 1850, pag. 168, GAU, bibl.sign. XLI F 24.
12. Zie voor de ontwerptekeningen: GAU, Topografisch-Historische Atlas, cat.nr. T.A. X 4.5.
13. Utrechtsche Volksalmanak 1850 (zie noot 11), pag. 169.
14. Mr. J.H. van der Schaaff, Mijne herinneringen aan de feestviering van het tweede eeuwgetij der Utrechtsche Akademie, Utrecht, 1836, pag. 207, GAU, bibl.sign. VV 16, 1836.
15. Utrechtsche Courant 2 december 1836, GAU, bibl.sign. L 63 I i.
16. Ibidem, 3 en 7 april 1837. Cornelis van Leeuwen jr. vertrok in 1861 met zijn gezin naar Leeuwarden; volgens telefonische mededeling van de heer W.W. van Driel van het Gemeentearchief van Leeuwarden werd hij daar pianohandelaar, muziekonderwijzer en leider van een koor en overleed hij er in 1876.
17. Notulen van de raad, 18-11-1835 (pag. 68), 13-12-1836 (pag. 72/73), 28-12-1836 (pag. 77), 14-11-1837 (pag. 57) en 21-12-1838 (pag. 80/81), GAU, SA IV, inv.nr. 67.
18. "Over de tooneelvertooningen te Utrecht", in Utrechtsche Courant 13-2-1835, GAU, bibl.sign L 63 I i.
19. Ibidem 1-5-1835.
20. "Iets over het zingen en rooken in den bak van den schouwburg", in Utrechtsche Courant 3-10-1834, GAU, bibl.sign. L 63 I i.
21. Utrechtsche Courant 17-5-1839, GAU, bibl.sign. L 63 I i.
22. Zie protocol notaris B. Boers, GAU, inv.nr. U 326 a 023, akten nrs. 3134 en 3135, en in SA IV inv.nr. 1014.




BOVEN
BIOGRAFIEËN
REAGEER
HOME