Biografie Maria Jacoba Meinertzhagen
Eerder gepubliceerd in: W. van den Broeke (Red.), "Utrechtse biografieën (5). Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters". Utrecht (SPOU), 1998.
Geannoteerde versie van de auteur
MARIA JACOBA MEINERTZHAGEN (1712-1787)
Een patricische vrouw uit de 18e eeuw
Maria Jacoba Meinertzhagen werd op 21 april 1712 geboren
in Keulen als het eerste kind van Johan Werner Meinertzhagen, koopman, en
diens nicht Anna Maria Meinertzhagen. Zij trouwde in 1736 te Utrecht met
Cornelis Jan van Royen, die in 1741 raad in de vroedschap werd en in 1764
burgemeester. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie er één dood geboren
werd en zes op zeer jonge leeftijd stierven. Maria Jacoba Meinertzhagen overleefde
haar man en twee van de drie overgebleven kinderen. Toen zij op 9 maart 1787 te
Utrecht overleed, liet zij één dochter en één kleindochter na.
Maria Jacoba Meinertzhagen zou, zoals de meeste patricische
vrouwen uit de achttiende eeuw, in de vergetelheid zijn geraakt, als zij niet
een dagboek bijgehouden had. Dit dagboek werd bijna honderd jaar na haar dood
gepubliceerd in het Algemeen Nederlandsch Familieblad, het orgaan van
de Vereeniging het Nederlandsch Familie-Archief.1 Men vond het zo bijzonder
dat een vrouw aantekeningen over haar leven had gemaakt, dat de schrijfster
bestempeld werd als "eene merkwaardige vrouw". Het woord
merkwaardig gebruikte men in de betekenis van opmerkelijk. Verder werd zij
getypeerd als een "goed ontwikkelde, godsdienstige en in 's levens school
ervarene vrouw uit den deftigen stand".
Hoewel Maria Jacoba Meinertzhagen Duitse van geboorte was, heeft zij het grootste deel
van haar leven in Utrecht doorgebracht. Op 19 juli 1717 verhuisde zij vanuit
Keulen naar Utrecht, waar haar vader een huis aan de Nieuwegracht, op de hoek
van de Catharijnesteeg, had gehuurd. In dat huis zou het gezin Meinertzhagen
achttien jaar lang wonen. Vader Johan Werner was aanvankelijk een veelzijdig en
succesvol zakenman2, maar hij kwam later in grote financiële problemen.
Hij moest zelfs in 1735 de stad ontvluchten om aan arrestatie te ontkomen.
Door de hervormde gemeente werd Meinertzhagen onder censuur (kerkelijke
straf) geplaatst wegens "schandelijk banqueroet".3 Deze
schande trof uiteraard ook de rest van de familie. Gelukkig kreeg Maria
Jacoba veel steun van haar geliefde, Cornelis Jan van Royen. Deze 24-jarige
jongeman stamde uit een vooraanstaande Utrechtse familie. Zijn vader, die
in 1723 overleden was, had de functies van raad in de vroedschap en schout bekleed.
Zijn moeder woonde nog in het ouderlijk huis aan het Janskerkhof. Cornelis
Jan was in 1731 gepromoveerd als jurist en in 1734 was hij op eigen verzoek
ontslagen als cadet in het leger.4 Op 25 oktober 1735 hielp hij de
in het nauw gedreven Johan Werner Meinertzhagen door van hem honderden
aandelen te kopen.5 Kort daarna nam Meinertzhagen de wijk naar
IJsselstein, vanwaar hij later naar de vrijplaats Culemborg zou vluchten.6
Van Royen zag wel in, dat in deze omstandigheden een huwelijk met Maria Jacoba
Meinertzhagen door zijn familie niet geapprecieerd zou worden. Hij besloot
daarom tot een romantische escapade: samen met zijn geliefde vertrok hij (in
één rijtuig, wat in die tijd niet echt gepast was!) via IJsselstein naar
Kleef. Daar werd het paar op 5 november 1735 bij notariële akte "plegtig
verbonden" en Maria Jacoba vermeldde die dag als haar huwelijksdatum.
Enkele maanden leefden de geliefden in Duitsland als man en vrouw, maar
officieel was er nog geen huwelijk gesloten. Van Royen gebruikte zelfs een
valse naam. Pas toen hij in februari 1736 de meerderjarige leeftijd van 25
had bereikt, durfde hij met Maria Jacoba naar Utrecht terug te keren om het
huwelijk te laten voltrekken. Zijn moeder weigerde echter haar toestemming
te geven, waardoor Van Royen zich genoodzaakt zag een proces tegen haar te
beginnen.7 Tijdens dit proces, dat enkele maanden duurde, verklaarde
hij dat Maria Jacoba en hij "over en weder genegentheyt" voor
elkaar gekregen hadden en dat zij elkaar trouw hadden beloofd. Zijn moeder
rakelde voor het gerecht de "quade feyten" op die door vader Meinertzhagen
gepleegd waren en zij wees erop dat haar zoon nog minderjarig was geweest, toen
hij zonder haar toestemming het land verlaten had. Uiteindelijk gaf het
gerecht in mei toestemming voor het huwelijk. Op 6 juli werden in de Waalse
kerk de trouwbeloften gedaan.8 Volgens het dagboek werd het
huwelijk bevestigd op 21 juli, de dag waarop Maria Jacoba met haar man een
woning aan de Hamburgerstraat betrok. In mei 1737 werd een huis aan de
Nieuwegracht gehuurd.
De verhouding met moeder Van Royen werd door het gerechtelijke
proces niet verstoord: het eerste kind van het jonge echtpaar, geboren op 1
september 1736, werd naar haar vernoemd en het tweede kind werd in november
1737 door haar ten doop gehouden. Toch moeten er redenen zijn geweest om
Utrecht voor enkele jaren de rug toe te keren. Op 21 april 1738 vertrok het
gezin per schip naar de Duitse plaats Xanten.9 Maria Jacoba was er
niet zo best aan toe; zij schreef in haar dagboek over haar "groote
swakheid, door veelvuldig hertzeer en alteratiën", waarvan zij pas na
aankomst in Xanten herstelde.
Het gezin logeerde in Xanten eerst bij oom en tante Müntz. Deze familieleden van
Maria Jacoba Meinertzhagen (tante Müntz was een zuster van haar moeder) waren
door de jaren heen een belangrijke steun en ze worden regelmatig in het dagboek
genoemd. Oom Müntz was op 18 juli 1736 ook als voogd van Maria Jacoba
opgetreden bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden in Xanten.10
Op 2 juli 1738 verhuisde het gezin naar een eigen huis, volgens de
dagboekaantekeningen het grootste huis dat in Xanten te huur was. Geldzorgen
waren er niet. Cornelis van Royen bracht bij zijn huwelijk bezittingen in ter
waarde van ¦ 18.300 en hij had in augustus 1736 een hofstede met landerijen
in Harmelen verkocht.11
In Xanten kreeg Maria Jacoba in tweeënhalf jaar tijd drie kinderen: een dochter
in februari 1739, een zoon in juni 1740 en een zoon in juli 1741. Het tweede
dochtertje dat in Utrecht geboren was, overleed er in juli 1739, nog geen
twee jaar oud. Pas in augustus 1741 werd de tijd rijp geacht voor een bezoek aan
Nederland. Met de drie oudste kinderen, de trouwe meid Sibilla en de knecht
Frans voer het echtpaar op 21 augustus in een aak naar Culemborg. Daar zag
Maria Jacoba voor het eerst sinds 1735 haar ouders terug. Na enkele weken
reisde het gezin door naar Utrecht, waar gelogeerd werd in het vooraanstaande
logement Place Royale aan de Minrebroederstraat. Er werd gegeten bij
"Mama Van Royen" en andere familieleden. Maria Jacoba bezocht
tevens haar neef Jan David van den Enden, een bezoek dat heel nuttig bleek te
zijn. Op 1 november 1741, ruim een maand na terugkomst in Xanten, werd Van
Royen namelijk in Utrecht ontboden en op 14 november kon hij zitting nemen in
de Vroedschap, nadat neef Van den Enden zijn plaats in verband met ziekte
vrijwillig had afgestaan. Familiebetrekkingen waren belangrijk in die
tijd!
Eind december 1741 keerde Van Royen met zijn vrouw en vier kinderen definitief
terug naar Utrecht. Eerst woonde het gezin aan de Nieuwegracht en in mei 1742
ging de huur in van een huis aan de Oudegracht bij de Weerdpoort. Van Royen
was nu weer een eerzaam en gerespecteerd burger. Hij kreeg verschillende
functies in de stad, zoals regent van het weeshuis, schepen en commissaris
van de Aalmoezenierskamer. In 1747 was hij als kapitein van het schuttersvendel
"Zwarte knechten" present bij het inhalen van Stadhouder Willem IV in
Utrecht. De buren hadden bij die gelegenheid een ereboog voor zijn deur gezet.
Financieel ging het Van Royen ook voor de wind. Hij kon zich in 1747 vier
personeelsleden permitteren12 en hij huurde vanaf 31 mei 1748 de
buitenplaats "Noordborg"13 bij Harmelen. Na zes jaar werd
dit buitenverblijf verruild voor "Iepma" bij De Meern. 's Zomers
woonde het gezin buiten, vaak met logés, en 's winters in de stad. Er was ook
geld om regelmatig tochtjes te maken. Zo bezocht Maria Jacoba van tijd tot
tijd met haar gezin of met andere familieleden haar ouders in Culemborg. Een
leuk uitje werd in september 1746 georganiseerd: het gezin ging, vergezeld van
oom en tante Müntz, een nicht en de broer van Maria Jacoba, met het Statenjacht14
naar Muiden om de nieuwe zeedijken te bezichtigen.
Maria Jacoba Meinertzhagen werd in de jaren '40 vooral in beslag genomen door
zwangerschappen, bevallingen en zorgen om haar kinderen. Ziekten, zoals de
pokken, vormden in de achttiende eeuw een grote bedreiging en hadden vaak de
dood tot gevolg. De twee zoontjes die in Xanten geboren waren, overleden kort
na elkaar, de oudste "seer subiet" in oktober 1742 en de jongste
"aan een kwijnende siekte" in december van hetzelfde jaar. Het
zoontje dat in september 1742 in Utrecht geboren was, werd in maart 1744
"zeer gevaarlijk ziek". Het kind herstelde, maar werd in april van
het volgende jaar weer ziek en overleed op de 33e verjaardag van zijn moeder.
Inmiddels was in augustus 1744 het zevende kind geboren, een zoon die Jan
Jacob genoemd werd. Eind januari 1746 beviel Maria Jacoba van een dood zoontje,
in april 1748 stierf een dochtertje dat het jaar daarvoor geboren was, en het
laatste kind, een dochtertje dat in maart 1749 ter wereld kwam, werd slechts
enkele weken oud. Toen zij 37 jaar was, had Maria Jacoba na tien zwangerschappen
nog drie kinderen: de oudste dochter Anna Catharina, de derde dochter Sara
Jacoba Elisabeth en de zoon Jan Jacob.
De jaren '50 en '60 verliepen vrij voorspoedig. Nadat het gezin vanaf 1753 in een
huurhuis op de hoek van de Pieterstraat had gewoond, kocht Van Royen in april
1759 voor het bedrag van 4650 een statig huis aan de Nieuwegracht
(nu nr. 94), dat grondig werd verbouwd.15 Het moet een mooi moment
voor Maria Jacoba geweest zijn, toen haar zoon Jan Jacob (Jantje) op 30 juli de
eerste steen voor de verbouwing in de achtergevel legde. Een ander heuglijk
moment in de jaren '60 was de benoeming van Cornelis Jan van Royen tot burgemeester.
De beide dochters trouwden: Sara Jacoba Elisabeth in 1760 met Jan de Lely en Anna Catharina in 1766 met Joan Hendrik de Vlieger. In
augustus 1767 maakte Maria Jacoba met haar man, haar zoon en de oude meid
Filipine een mooie reis naar Gelderland. Zij bezochten het paleis 't Loo,
logeerden drie dagen bij de broer van Maria Jacoba in Zutphen en reisden
vervolgens via Arnhem en Nijmegen naar Kleef en Xanten.
In de jaren '70 sloeg het noodlot weer toe. Van Royen, die al sinds 1743 pijn aan
zijn been had, leed aan waterzucht. In de zomer van 1772 reisde hij met vrouw
en zoon naar Leiden om een neef over zijn ziekte te consulteren. Ook ging hij
toen naar Den Haag, waar hij samen met zijn zoon zijn opwachting maakte bij
Stadhouder Willem V in Huis ten Bosch. Na deze reis verergerde zijn toestand,
maar hij aanvaardde toch zijn tweede benoeming tot burgemeester. Op 10 oktober
1774 overleed hij op 63-jarige leeftijd. Maria Jacoba bleef alleen achter, want
haar geliefde zoon Jan Jacob had in maart 1773 koorts gekregen en was in de
nacht van 2 op 3 april overleden. Kort daarvoor had Maria Jacoba nog in haar
dagboek geschreven, dat haar zoon op 29-jarige leeftijd een beminde had
gekregen, een meisje dat bij haar zeer in de smaak viel ("een lief waerdig
voorwerp"). Maria Jacoba verhuisde naar de Zuilenstraat, want het huis
aan de Nieuwegracht werd na het overlijden van haar man toebedeeld aan haar
oudste dochter.16 Deze dochter, Anna Catharina de Vlieger-van
Royen, stierf in 1783.
Maria Jacoba Meinertzhagen overleed op 9 maart 1787 in haar huis aan de Zuilenstraat.
Zij werd met veel pracht en praal begraven in de Buurkerk. Haar enige achterkleinkind,
Steven Jan Matthijs van Geuns, erfde uiteindelijk al haar bezittingen.17
Het dagboek van Maria Jacoba Meinertzhagen eindigt in december 1780 met de
vermelding van de bruiloft van een van de vele verre neven. De gebeurtenissen
in de omvangrijke familie nemen in het boekje een belangrijke plaats in. De
schrijfster had echter ook aandacht voor andere voorvallen, zoals de doorbraak
van dijken en de inval van de Fransen. Zij moet een intelligente dame zijn
geweest, die de huishouding met strakke hand leidde. Uit het feit dat zij
regelmatig bepaalde uitgaven noteerde, blijkt wel dat zij goed op de hoogte
was van de financiën. Echte ontboezemingen zijn in het dagboek niet te vinden
en de vele tragische gebeurtenissen worden op een sobere manier vermeld. Alleen
bij het overlijden van een 29-jarige vriendin in 1742 liet Maria Jacoba iets
van haar gevoelens blijken: "... welke dood mij seer trof, omdat [ik] met
haer op 't selfde school in mijn jonge jaren geweest was en dagelijks haer
gezien en omgang met haer gehad had, en maekte haer dood veel indruk op mijn
gemoed en merkte het voor mij aen als een roepstem, bereyd Uw Huys want gij
zult sterven..."
J.N. van der Meulen
Archivalia
HUA: Stadsarchief II; archief familie Van Geuns; archief Kerkeraad Hervormde Gemeente.
Literatuur
"Het dagboek van eene merkwaardige Vrouw", in:
Algemeen Nederlandsch Familieblad, 1884, no. 83, 85, 87, 93, 96, 105, 109, 111, 123.
Mr. D. Dunlop, "Het huis Nieuwegracht (Onder de
Linden) no. 94, in: Jaarboekje
Oud-Utrecht, 1966, p. 75-89.
Noten
1. Dit blad is aanwezig bij het Centraal
Bureau voor Genealogie in Den Haag. Een afdruk van het dagboek is opgenomen
in de bibliotheek van de HUA (bibl.sign. LXIV A 270).
2. Johan Werner Meinertzhagen had al op 28
september 1716 het burgerrecht aangevraagd (HUA, SA II, inv.nr. 121), dat
volgens vroedschapsresoluties van 30 oktober 1682 en 8 oktober 1683 gratis werd
verleend aan Keulse personen van de gereformeerde religie die zich in Utrecht
wilden vestigen om hun handel of bedrijf voort te zetten. Hij werd op 6 september
1717 als burger ingeschreven. Inmiddels had hij octrooi gekregen om als
enige in de stad en de provincie een loodgieterij op te richten (HUA, SA II,
121, Vroedschapsresoluties, 7 juni en 12 juli 1717, en SA II, inv.nr. 3515,
Resoluties van de Staten van Utrecht, 2 juni, 15 juli en 4 augustus 1717). Kort
daarna vatte hij echter het plan op om een suikerraffinaderij te beginnen; een
octrooi daarvoor werd hem in 1718 geweigerd (HUA, SA II, inv.nr. 3515,
Resoluties van de Staten van Utrecht, 6 januari en 24 februari 1718). In 1720
kreeg hij van de Staten van Utrecht wel toestemming voor een ander plan: de
oprichting van een Compagnie van Commercie en Assurantie (HUA, SA II,
inv.nr. 121, Vroedschapsresoluties, 26 augustus en 2 september 1720, SA II, inv.nr.
3515, Resoluties van de Staten, 19 en 26 juli 1720, en bibl.sign. XXVII M 9).
Meinertzhagen kocht zelf aandelen en in 1730 werd hij commissaris van de
compagnie (HUA, SA II, inv. nr. 121, Vroedschapsresoluties, 6 december 1730).
Daarnaast was hij ook actief als wijnkoper. In 1733 bezat hij grote voorraden
wijn, die opgeslagen lagen in zijn eigen kelder en in acht andere kelders in de
stad (HUA, notarieel archief, inv.nr. U 173 a 4, 13 januari 1733, akte nr.
76). De vaten wijn in verschillende kelders werden in 1735 in beslag genomen
(HUA, SA II, inv.nr. 2835, Minuten van de door de deurwaarders aangebrachte
verklaringen over het arresteren van personen en goederen, 3 en 4 november
1735).
3. HUA, archief Kerkeraad Hervormde
Gemeente, inv.nr. 612, Register van gecensureerden, achterin, pag. 5.
4. HUA, archief familie Van Geuns,
inv.nrs. 488-490.
5. HUA, notarieel archief, inv.nr. U 166 a
12, akte nr. 73.
6. Volgens de verklaring van Anna
Catharina de Moor, weduwe van mr. Jan van Royen, tijdens het proces (zie noot
7).
7. HUA, SA II, inv.nr. 3075, Stukken
betreffende de procedure voor schepenen-commissarissen naar aanleiding van de
eis van mr. Cornelis Jan van Royen tegen zijn moeder Anna Catharina de Moor,
weduwe van mr. Jan van Royen, tot toestemming in zijn huwelijk met Maria
Jacoba Meinertzhagen.
8. HUA, DTB-registers, inv.nr. 109.
9. Van Royen liet wel van tevoren
vastleggen, dat het burgerschap van Utrecht ondanks zijn absentie
gecontinueerd zou worden voor hem en zijn gezin (HUA, SA II, inv.nr. 121,
Vroedschapsresoluties, 14 april 1738).
10. HUA, archief familie Van Geuns, inv.nr.
494.
11. HUA, notarieel archief, inv.nr. U 162 a
17, 28 augustus 1736, akte nr. 142.
12. HUA, SA II, inv.nr. 2048, Manuaal
Liberale Gifte, Handvoetboog, nr. 140.
13. Wellicht wordt hier
"Noordbosch" bedoeld (Zie het Aardrijkskundig Woordenboek der
Nederlanden van A.J. van der Aa).
14. Zie hierover het artikel
"Statenjachten en stadsjacht van Utrecht" door A. Graafhuis, in Jaarboek
Oud-Utrecht, 1960, p. 143-158.
15. HUA, SA II, inv.nr. 3243, register van
transporten en plechten, 31 oktober 1759 (p. 435-440), en archief familie Van
Geuns, inv.nrs. 212-214 en 468.
16. HUA, archief familie Van Geuns, inv.nr.
496.
17. Ibidem,
inv.nrs. 70, 222, 225-227, 229.
BOVEN
BIOGRAFIEËN
REAGEER
HOME