DAVID VAN MOLLEM (1670-1746)

eigenaar van zijdefabriek en buitenplaats "Zijdebalen"


David van Mollem werd op 5 oktober 1670 te Utrecht gedoopt als zoon van de zijdehandelaar en -fabrikant Jacob van Mollem en Maria Sijdervelt. Hij trad op 28 december 1698 te Amsterdam in het huwelijk met Jacoba van Oosterwijck. Het echtpaar kreeg zes kinderen, van wie er vier op jonge leeftijd overleden. David van Mollem overleed te Utrecht op 8 juli 1746.


David van Mollem werd in zijn tijd zeer bekend, omdat hij de zijde­fabriek van zijn vader tot grote bloei bracht èn omdat hij de tuin bij deze fabriek uitbreidde en verfraaide tot een ware Utrechtse attractie. Zijn vader, Jacob van Mollem, was afkomstig uit Amsterdam, maar werkte vanaf om­streeks 1665 als zijdereder in Utrecht. Bij de doop van David in 1670 werd als adres het Janskerkhof opgegeven. In 1681 ver­zocht Jacob van Mollem het Utrechtse stadsbestuur toestemming voor het bouwen van een zijdefabriek in het gerecht van Pijls­weerd, buiten de Weerdpoort1. Hij had gekozen voor deze loca­tie, omdat hij daar gebruik kon maken van water­kracht. Er stroomde name­lijk een riviertje, de Westerstroom, dat een hoge waterstand had en met kracht in de lager gelegen Vecht terecht­kwam. Het stadsbestuur besefte dat de fabriek van belang kon zijn voor Utrecht en toonde zich zeer bereidwillig. Er werd een overeenkomst met Van Mollem gesloten, waarbij onder meer bepaald werd dat de stadsvolmolen, die nu gebruik maakte van het verval in de Westerstroom, verhuisd zou worden2. Jacob van Mollem liet op de plaats van de tegenwoor­dige Hogenoord een breed huis bouwen, met de voorgevel aan de kant van de Vecht. Achter het huis kwam een tuin en haaks op de achtergevel van het huis verrees de lang­gerekte zijde­fabriek.

Ondanks de Utrechtse activiteiten had de familie Van Mollem officieel haar domicilie in Amsterdam. David van Mollem trouwde daar in 1698 met Jacoba (ook: Jacomina) van Ooster­wijck. Evenals David was zij doopsgezind en haar familie was reeds verwant aan de Van Mollems. Er was een kleine kring van doopsgezinde Amsterdamse families die door huwelijken met elkaar verweven waren; de namen Sijdervelt, Van Ooster­wijck en Van der Mersch duiken in de familie Van Mollem steeds weer op. Na het overlijden van zijn vader in 1699 werd David van Mollem eigenaar van de zijde­fabriek en de buitenplaats in Utrecht, beide "Zijdebalen" geheten, naar de balen waarin de ruwe zijde over de Vecht werd aangevoerd.

De fabriek was inmiddels een groot succes geworden en David van Mollem wist dit succes te handhaven, zelfs te ver­groten. Hij zal door zijn vader zijn ingewijd in de geheimen van de zijde­handel en -fabricage. Bovendien had hij in 1695 een reis ge­maakt naar Italië, dat bekend stond om de zijde­teelt. In de Utrechtse fabriek werd de ruwe zijde, geïm­por­teerd uit landen als Italië, Perzië en India, via een inge­wikkeld procédé bereid tot garens die geschikt waren voor het verven en weven. De fabriek zorgde voor veel werkgelegen­heid in de stad, want er waren tientallen perso­neels­leden in dienst. Alleen al in de bovenzaal werkten meer dan 100 vrouwen en kinderen, die onder meer tot taak hadden de afgebroken draden weer vast te knopen. Volgens de bezoekers deden de kinderen het werk spelenderwijs. Van Mollem profiteerde van het feit dat het werk grotendeels verricht kon worden door ongeschoolde arbeidskrach­ten; hij stond erom bekend, dat hij goed voor zijn personeel zorgde.

De fabriek van Van Mollem was heel bijzonder, omdat één water­rad de gehele machinerie met duizenden spoelen op een goedkope manier in beweging hield. Belangstellenden uit binnen- en buitenland kwamen het wonder aanschouwen. Van Mollem ontving hen gast­vrij, maar hij was terughoudend in zijn informatie, omdat hij wilde voorkomen dat anderen de kunst konden af­kij­ken. Hij dekte zelfs belangrijke onderdelen van de apparatuur af tijdens bezichtigingen. De Duitse reiziger Von Uffenbach, die de fabriek in 1710 samen met zijn broer be­zocht, schreef in zijn verslag (vertaald uit het Duits): "Mijn broeder had graag het rad in tekening gebracht, het was ech­ter, omdat de Hollanders vreemde lieden zijn, niet toegestaan. Het is alles heel vernuftig en goed uitgedacht en georgani­seerd"3. De beroemdste bezoeker was wel de Russische tsaar Peter de Grote, die in 1717 werd rondgeleid. Dit bezoek liep bijna slecht voor hem af: hij wilde proberen met zijn hand het waterrad tegen te houden en kon net op tijd door de meester­knecht worden weggetrokken.

De bezoekers kwamen niet alleen voor de fabriek, maar ook voor de bijbehorende buitenplaats, die net zo beroemd geworden was. De door Jacob van Mollem aan­gelegde tuin was door David in de loop van de jaren uitge­breid tot een ware "lusthof", een para­dijs op aarde. Door verschillende aankopen4 ontstond een lang­gerekt terrein, dat zich uitstrekte vanaf het huis tot ongeveer de plaats waar nu de Zilvergeldstraat te vinden is. De lange allee liep zelfs door tot aan de tegenwoordige 2e Daal­se­dijk. De tuin was aangelegd volgens de in die tijd gebrui­kelijke geo­metrische stijl. Van Mollem werd beïnvloed door Franse en Italiaanse tuinarchi­tecten; hij verfraaide de tuin niet alleen met bloemen, plan­ten en sierlijke hagen, maar ook met vijvers, fonteinen, water­vallen, beeldhouwwerken en allerlei verras­sende bouwsels. Zo waren er twee "grotten", de ene versierd met schelpen en spiegels, de andere met minera­len. Er was ook een "perspec­tief", dat een prachtig doorkijkje bood. In een oranjerie werden uitheemse gewassen gekweekt. Verder waren in de tuin onder meer een menagerie, een speel­huis, een labyrint, een triomfboog en een openluchttheater met beschilderde decor­stuk­ken te vinden. De bezoe­kers waren zeer onder de indruk. De Engelsman R. Poole vond het zelfs "the most curious place" die hij in deze streken had gezien5.

David van Mollem had meer interesses dan zijdehandel en tuin­archi­tectuur. Al in 1698 werd melding gemaakt van zijn grote algemene ontwikkeling: "Zijn nooit vermoeide geest en vond geen grooter vreugd, als in de oeffening van alle weten­schap­pen"6. Zijn bibliotheek bevatte honderden werken, onder meer over theolo­gie. Van Mollem werd graag vereenzelvigd met de eigenschappen die voor doopsgezinden belangrijk waren: mild­dadigheid, ijver en bescheidenheid. Hij droeg vrijwel uitslui­tend zwarte kle­ding. Zijn weelderig ingerichte tuin lijkt daarmee in tegen­spraak te zijn, maar hij zag het als zijn taak de grootsheid en verscheidenheid van Gods schepping te tonen. Ook in zijn huis verzamelde hij allerlei vormen van kunst, zoals schilde­rijen en Japans porselein. Hij had graag als een mecenas een kring kunste­naars om zich heen. Een van hen was de Antwerpse beeldhouwer Jacob Cresant, die veel beeldhouw­werken vervaar­digde voor de tuin. In 1740 maakte hij ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van David van Mollem diens portretbuste in terracotta7. In datzelfde jaar werd Van Mollem alleen en met zijn familie geportretteerd door de kunstschil­der Nicolaas Verkolje8. David van Mollem had een mijlpaal bereikt: hij was niet alleen 70 jaar gewor­den, maar zijn tuin had ook eindelijk zijn voltooiing bereikt en de fabriek was nog steeds zeer winstgevend.

In zijn persoonlijk leven had David van Mollem minder geluk: hij overleefde al zijn kinderen en zijn echtgenote, die in 1727 stierf. Van zijn zes kinderen bereikten alleen twee dochters de volwassen leeftijd. De oudste dochter, Jacoba, over­leed in 1735 als echtgenote van de Amster­­­damse zijdehan­delaar Jacob ("Giacomo") Sijdervelt en als moeder van twee jonge kinde­ren, Antoni en David. De jongste dochter, Lavina, overleed in 1743 kinderloos; zij was gehuwd met de Amsterdamse schepen Hendrik Nicolaas Sautijn. In het gezin van David van Mollem groei­den ook twee wezen op, Jacob en Maria, kinde­ren van een in 1713 overleden zuster van David. Pleeg­dochter Maria trouwde in 1738 met Jacob Sijdervelt, de weduwnaar van Jacoba van Mollem. Op het groepsportret van Verkolje uit 1740 is het gezin Sijdervelt, dat met nog twee kinderen uitgebreid was, samen met David van Mollem afgebeeld op het terras van "Zijde­balen", in een omgeving die bol staat van symboliek.

David van Mollem overleed op 8 juli 1746. Slechts enkele dagen tevoren had hij, "siekelijk van lichaam, op een rustbank leg­gende", zijn testament laten opmaken9. In de lijk­zangen die na de begrafenis verschenen, wordt in de bombas­tische stijl van die tijd de overledene geroemd om zijn gastvrijheid en zijn gulhartigheid: "De groote steunpilaar van menig huisge­zin; de trouwe vriend in nood, gewoon elk heusch te onthaalen; de nijvre koopheer op het heerlijk Zijdebaalen, tot aan den Nijl beroemd door 't kunstig wormgespin"10. Hij zal inderdaad een sympathieke man geweest zijn, betrouwbaar en deugdzaam. Het is zijn verdienste geweest, dat hij de zijde-industrie in Utrecht tot bloei heeft gebracht en dat hij de winst groten­deels ge­bruikt heeft voor het vervolmaken van zijn tuin en het onder­steunen van kunste­naars, personeelsleden en armen.

Helaas heeft zijn grote trots "Zijdebalen" niet stand kunnen houden. In 1781 werd nog het 100-jarig bestaan van het bedrijf gevierd, maar de inkom­sten gingen achteruit, onder meer door de slechte economische situatie en de veranderde mode. Boven­dien was het onderhoud van de tuin zeer kost­baar. De fabriek werd in 1816 gesloten en in december 1818 gaf het stedelijk bestuur toestem­ming het gebouw te slopen; alle kunstwerken uit het huis en de tuin werden in februari 1819 voor weinig geld geveild11. Op de plaats van "Zijdebalen" verrees later een deel van de woonwijk Pijls­weerd, waar alleen nog de David van Mollem­straat en de Zij­de­balenstraat aan het verle­den herinne­ren. Gelukkig zijn versla­gen van bezoekers, een ellenlang "hofdicht" uit 174012 èn twee series teke­nin­gen bewaard gebleven, die ons een beeld geven van de bij­zondere tuin. De tekeningen werden in 1745 en 1746 ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van Van Mollem gemaakt door de bekende tekenaar Jan de Beijer; hij legde gedetail­leerd 24 onderdelen van de tuin vast. De ene serie, bestaande uit voorstudies, berust nu bij de Gemeentelijke Archiefdienst, de andere bij het Centraal Museum, dat er in 1981 een tentoon­stelling aan gewijd heeft. Bij het bekijken van de mooie tekeningen kunnen wij nu nog mijmeren over "Zijdebalen", het aardse paradijs van David van Mollem.



Archivalia

GAU: SA II, inv.nrs. 121 en 1114; notarieel archief, inv.nr. U 182 a 005; losse aanwinsten, inv.nrs. 115-144; historisch werkmateriaal, inv.nrs. 564-565.


Literatuur

J. Brok-ten Broek, De Utrechtse zijde-industrie, 17de-18de eeuw. S.l., 1936 (doctoraalscriptie).

Erik de Jong, Natuur en kunst; Nederlandse tuin- en land­ schaps­­architectuur 1650-1740. Amsterdam, 1993.

C. Kramm, Zijde Balen te Utrecht. In: Utrechtsche Volksalmanak 1851, pag. 37-57.

B. ter Molen-den Outer, Een portret van David van Mollem en zijn familie door Nicolaas Verkolje (1673-1746) in: Antiek, jrg. 10 nr. 5 (dec. 1975).

S. Muller Fz., Zijdebalen. Uit: Bouwkunst, 1912.

Zijdebalen - lusthof aan de Vecht; tuin- en tekenkunst uit het begin van de 18e eeuw. Tentoonstellingscatalogus Centraal Museum, 1981.



J.N. van der Meulen




Noten

1. GAU, SA II, in inv.nr. 1114.

2. GAU, SA II, inv.nr. 121, 7 maart 1681.

3. GAU, Historisch werkmateriaal, inv.nr. 564, nr. 57.

4. GAU, Losse aanwinsten, inv.nrs. 115-144.

5. GAU, Historisch werkmateriaal, inv.nr. 565, nr. 73.

6. Uit de "gelukwenschinge" t.g.v. het huwelijk, GAU, bibl.sign. LXIV G 212.

7. Centraal Museum Utrecht, HC 1928/126.

8. Van het portret van Van Mollem zonder familie is een foto aanwezig in de Iconografische Atlas van de GAU; de vind­plaats van het originele schilderij is niet bekend. Het groepsportret bevindt zich in het Amsterdams Historisch Museum als bruikleen van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst.

9. GAU, Notarieel archief, inv.nr. U 182 a 005.

10. GAU, bibl.sign. XXII D 41.

11. Zie voor de veilingcatalogus GAU, bibl.sign. LXVI D 133.

12. GAU, bibl.sign. X C 23.