
Wintervogels.
De invallende vorst jaagt ganzen, smienten en kieviten voor
zich uit in grote zwermen. De ganzen zijn op zoek naar nog niet
bevroren gras en de kieviten naar onbevroren grond waarin ze
met hun fijne priemsnavel naar wormen kunnen zoeken. Kieviten
verstaan de kunst van het 'wormentrappelen' evengoed als
meeuwen.
Gallen.
Gallen zijn boeiend. In de winter komen uit de op de grond
gevallen galnoten van de eik onbevruchte wijfjes die de boom
inklimmen om in slapende knoppen hun eiren te leggen. Ze zoeken
de knoppen op aan de voet van de stam of aan eenjarige twijgen.
Dit worden in het voorjaar de paarse Fluweelgalletjes. Die
leveren in de lente geslachtsrijpe mannetjes en vrouwtjes op,
deze paren en de bevruchte wijfjes zetten eieren af in het
eikeblad en dat levert gallen op, die met het najaarsblad
afvallen. Etc.
Sapstroom.
Het is niet helemaal waar dat loofbomen in de winter geheel
en al in rust zijn. De sapstroom is zo goed als stil gelegd.
Zou een loofboom in de winter doorgaan met pompen dan verdampt
hij (over het blad) water dat omdat het water in de bodem bevroren
is niet kan worden aangevuld. Stoppen dus, uitdrogingsgevaar.
Voor de levende knoppen van de bomen moet toch geademd worden.
Dat gaat via de lenticellen of schorsporien. Sommige boomssoorten
hebben heel duidelijk zichtbare lenticellen.
Wintervoedering.
Er is niets op tegen en veel voor om vogels uit de buurt in
uw tuin voedsel te verschaffen, maar doe het wel consequent. Het
gaat niet om veel tegelijk, maar ze zijn gediend met voortdurend
een beetje. Haal de pinda's weg tegen de tijd dat de mezen in de
buurt gaan broeden want hubn jonkies krijgen dodelijke maagklachten
van pinda's.
Reeën in de winter.
In de winter hebben de reeën een dikke en wat ruige vacht. De
bokken dragen een bastgewei. Het nieuwe groeiende gewei is nog
voorzien van een huid. De gezinssprongen (een sprong is een groep reeën)
kunnen samengaan tot grote sprongen. In de late winter verlaten de dieren
de dekking.


Wintervoedering (2).
Wie aardig wil zijn voor dieren als Blauwe Reiger en Roerdomp
informeert even waar de plaatselijke vogelvoerders zitten,
(Vogelbescherming, Zeist 030-6937700) want dit vereist slachtafval
en samenwerking. Slachtafval in de tuin lokt zelfs buizerd en waterral.
Voor het in leven houden van de ijsvogel moet er buitenwater open
blijven op een plek waar vis zit. We kennen iemand die in een winter
wel zes ijsvogels hun plompen in een wak voor zijn neus mocht
bewonderen. Elke keer raak!
Naar het strand.
Ten zeerste aan te bevelen: een lange wandeling over het strand:
mooi en bloeiend aanspoelsel in de winter en daar vaak een levende
boel, ook even een kijkje nemen tussen de pieren of in de zeehavens.
Nog sneeuwgorzen over het strand, waar de jonge duintjes zijn,
zien wapperen?
Het winterbos.
In het winterbos laat zich het vogelleven goed bekijken.
Verschillende soorten sluiten zich in groepjes aaneen. Dat is
veiliger in die zin dat je de kans hebt dat je buurman wordt gepakt
in plaats van jijzelf. Verchillende soorten in een groep gebruiken
bovendien een universeel waarnemingssysteem, alle soorten begrijpen
de alarmkreet van alle andere soorten.


Lieveheersbeestjes.
Lieveheersbeestjes behoren tot de eerste insekten die in de lente
ontwaken. De winter brengen ze door onder loszittende schors en dood
riet. Er is maar even zon nodig op een luw plekje om ze te wekken.
De eerste dagvlinders.
Op zonnige dagen vliegen de eerste dagvlinders rond, die op
beschutte plaatsen overwinterden. Kleine vos en dagpauwoog rustten op
vorstvrije plekken op zolders en in schuren. De heldergroene
citroenvlinder zat de hele winter lang buiten tussen dor blad. Op
zonnige lentedagen met weinig wind worden deze drie soorten overal in
ons land gezien. Hoewel er al meer voorjaarsbloemen bloeien, komen ze
het meest af op klein hoefblad en op de eerste paardebloemen.
Hommels.
Hommels houden hun winterslaap in de grond. Ze komen nu te
voorschijn. Het zijn allemaal vrouwtjes, kongininnen die een nest gaan
stichten. Daarom zie je nu heel grote hommels laag over de grond
rondvliegen op zoek naar een geschikt holletje. Daar voeren ze hun
eerste larven zelf. Later nemen de werksters die taak over. Hommels
zijn nu op allerlei voorjaarsbloemen te zien. Vooral de paarse
dovenetel en het eerste hondsdraf trekken veel hommels.
Huisjesslakken.
In de ochtenduren zijn nu vaak parende huisjesslakken te vinden.
Dat is vooral het geval als het 's-nachts geregend heeft. Elke slak is
tegelijk mannetje en vrouwtje. Toch hebben slakken een partner nodig
om bevrucht te worden. Parende slakken bevruchten dus elkaar. Zo'n
paring kan uren duren, want slakken hebben geen haast. Later worden de
eieren in de grond gelegd. Huisjesslakken leven vooral van verwelkd
blad. In de natuur zijn ze daarom nuttig.
Hazen.
Hazen paren in maart, ook als het koud is. De rammen vechten
daarbij fel met elkaar. Dat is te zien aan de grote vlokken lichtbruin
hazehaar op plekken waar gevochten is. Zes weken na de paring krijgen
de voedsters jongen in een open leger. Het kan dan nog erg koud zijn.
Soms sterven jonge hazen bij strenge nachtvorst. Later kunnen toch nog
jongen worden geboren, want hazen paren ook in de zomer en vroege
herfst. Late jongen krijgen het in de winter moeilijk.
Padden.
Padden leven zowel in het water als op het land. Het water zoeken
ze voornamelijk op om er te paren en eieren te leggen. In deze tijd
van het jaar trekken ze van overal vandaan naar hun vaste
paarplaatsen. Soms moeten ze er een reis van een paar kilometer voor
ondernemen. Padden trekken in het donker. Omdat ze daarbij veel
autowegen moeten oversteken worden er onderweg veel doodgereden.
Vrijwilligers helpen ze door ze op te vangen en over de wegen te
zetten.
Pril groen.
De struikeen komen nu snel in blad. De meidoorns zijn al gehuld in
pril groen. De spitse knoppen van het krenteboompje zijn uitgelopen en
tussen het roze-achtige blad komen de eerste bloemknoppen uit. Heel
lichtgroen is het jonge blad van de vogelkersen. De jonge scheuten van
de vlier maken een paarsachtige indruk. Tussen de nog kale stammen van
de bosbomen valt nu ook het tere jonge blad op va de hazelaars.
De havik.
Dertig jaar geleden vreesde men dat de havik in ons land zou
uitsterven. Sindsdien is deze stootvogel door drastische bescherming
sterk toegenomen. Hij komt nu in streken voor waar hij al meer dan een
eeuw niet meer broedde. In deze dagen vestigen de haviken de aandacht
op zich door hun schelle roep. De paren vormen zich nu en de
nestplaats wordt bepaald.
De weidevogels zijn terug.
Eind maart zijn alle weidevogels terug op hun broedplaatsen: de
watersnip, kemphaan, tureluur, grutto, kievit, scholekster en wulp.
Vooral de eerste vier soorten hebben het moeilijk omdat ze tussen hoog
gras in natte graslanden nestelen. Zulk vochtig grasland bestaat er
bijna niet meer. Ze nemen nu genoegen met andere drassige weilanden,
maar ook die worden steeds zeldzamer. Gemechaniseerde landbouw vormt
een bedreiging voor eieren en jongen, evenals vroeg maaien.


Kikkerdril.
In ondiepe sloten drijft nu kikkerdril. Dat zijn eitjes van de
bruine kikker. De groene kikker paart veel later. Die houdt van meer
warmte. Padden leggen hun eitjes in snoeren. Salamanders leggen een
eitje op het blad van een waterplant, die ze daarna met hun
achterpoten dichtvouwen.
Het krenteboompje.
De krenteboompjes bloeien nu. Sommige bossen, zoals die bij
Ommen, zijn daar beroemd om. De sneeuwwitte bloei is overweldigend. In
veel parken en plantsoenen is deze struik, die oorspronkelijk uit
Noord Amerika komt, aangeplant. Op de losse bloemtrossen komen bijen
af, niet alleen honingbijen, maar ook de oranje-rood behaarde
vosbijtjes. Dit bijtje bouwt geen raten, maar voorziet een nestje in
de grond in haar eentje van een eitje en voedsel.
Fitis en tjiftjaf.
De fitis is terug in ons land, een paar weken later dan zijn
familielid de tjiftjaf. Uiterlijk lijkt de fitis zoveel op de tjiftjaf
dat hij in het bos alleen aan zijn zang te onderscheiden is. De fitis
heeft een sterke voorliefde voor berkenbossen en jonge delen van
parken en plantsoenen. Daar is hij zelfs midden in de stad te horen.
De meeste fitissen leven in de duinbossen.
De nachtegaal.
Half april keert dde nachtegaal terug uit tropisch Afrika. Daar
bracht hij de winter door. Zodra hij in zijn broedgebied is
aangekomen, begint hij te zingen. Om die zang is de nachtegaal
beroemd. Zijn lied bestaat uit heel hoge en heel lage tonen, beginnend
met een aanzwellend "tjoe-tjoe-tjoe", gevolgd door een uitbarsting van
welluidende, maar ook scherpe en gerekte fluittonen. Deze bruine
bosvogel leeft in bossen en bosjes waar veel brandnetels groeien.
Reeën na de winter.
Na de winter krijgen de reeën kale plekken in hun wintervacht. De
bokken gaan het bastgewei vegen; de oude bokken beginnen daar het eerst
mee. De sprongen (een sprong is een groep reeën) vallen uiteen. De grote
kalveren worden verjaagd.


Gierzwaluwen.
De gierzwaluwen zijn terug uit tropisch Afrika. Zij komen alleen om
te nestelen en de jongen groot te brengen. Begin augustus vertrekken
ze weer naar het zuiden. Gierzwaluwen leven in steden en dorpen en
zijn voor hun nestbouw afhankelijk van de zogenaamde mansardedaken.
Die daken hebben het voordeel dat de zwaluwen zich uit hun nest onder
de pannen kunnen laten vallen om meteen op de wieken te zijn. Met hun
korte pootjes kunnen deze zwarte, krijsende vogels bijna niet lopen.
Het beukenbos.
Dit is de mooiste tijd voor een wandeling door de beukenbossen. De
beuken ontplooien hun blad dat opgevouwen uit de bruine knoppen komt.
Het lichte groen steekt prachtig af tegen de donkere stammen. Het
geeft een heel prille sfeer die alleen in deze weken te beleven is.
Het doet er niet toe of het zonnig is of regent. Een beukenbos is het
mooist als wolken en zon elkaar afwisselen. De Utrechtse Heuvelrug, de
Zuid-Veluwe, Twente en de Achterhoek zijn gebieden met veel
beukenbossen.
Morieljes.
Morieljes zijn echte lentepaddestoelen. Je vindt ze alleen in april
en mei. Vooral in de duinen ten zuiden van Bergen komen ze voor.
Morieljes hebben een witte of okerkleurige steel en een licht- tot
donkerbruine hoed. De buitenkant van de hoed zit vol holten en diepe
plooien. Daarin worden de sporen gevormd waarmee morieljes zich
verspreiden. De drie soorten zijn moeilijk van elkaar te
onderscheiden. De kapjesmorielje is de minst zeldzame soort.
Reeën in het voorjaar.
In het voorjaar leven de reeën niet meer in sprongen. (een sprong
is een groep reeën) Ze zoeken wat meer de begroeiing op. Het winterhaar
wordt door het kortere bruine zomerhaar vervangen. De jonge dieren
verharen eerder dan de oude exemplaren. De volwassen bokken hebben
hun gewei geveegd. De kalveren worden in deze tijd geboren. Meestal
zijn dat er 1 of 2, maar soms ook wel eens 3 kalveren. Ze liggen
verstopt op een veilig plekje en hun vacht heeft witte stipjes.


Kamperfoelie.
In bossen en duinen bloeit nu de wilde kamperfoelie. 's-Avonds gaan
de trompetbloemen open en verspreiden dan een heerlijke geur. Die is
bedoeld om insecten te lokken die nectar in de lange bloemkroon kunnen
vinden. Bij het zuigen, bestuiven ze de plant. Kamperfoelie wordt bezocht
door nachtinsecten met een lange tong, want alleen 's-nacht geuren de
bloemen en die zijn te diep voor gewone insecten. Stamgast is de grote
pijlstaartvlinder.
Waterjuffers.
Overal waar water is, vliegen nu de waterjuffers. Die
mini-helikopters zweven daar niet zonder doel. Meestal zijn het
mannetjes op zoek naar vrouwtjes. Die hebben een iets andere kleur en
tekening. Mannetjes pakken de vrouwtjes met een speciale
achterlijfstang in de nek, waar een ruimte is waarin de tang past als
een sleutel in een slot. Zo weten de mannetjes dat ze een vrouwtje van
hun eigen soort te pakken hebben. Veel soorten lijken sprekend op
elkaar! Behalve dat tangetje dan.
Egels.
Egels zijn nu erg actief. Direct na de winterslaap begon de
paartijd die tot in september duurt. Juist nu zwerft een deel van de
mannetjes rond op zoek naar paarlustige vrouwtjes. Ze steken vaak
wegen over en worden dan nogal eens overreden. Egels vertrouwen zo op
hun stekels dat ze zich bij elk naderend gevaar oprollen. Het is hun
enige antwoord daarop en ze kunnen niet leren dat je voor auto's moet
uitwijken. Auto's passen niet in hun wereld.
Hommels.
Wees niet bang als u een hommelnest in uw tuin vindt. Hommmels zijn
niet agressief tenzij je hun nest verstoort. Ze komen ook niet af op
zoetigheid die voor mensen is bestemd, zols wespen wel doen. Hommels
zijn bloembezoekers die een rol spelen bij de bestuiving van veel
soorten bloemen. Ze maken hun nest meestal in de grond, waarvoor ze
verlaten muizen- en mollengangen gebruiken. Sommige hommelsoorten
leven liever in nestkastjes of in boomholten.
De spinnende watertor.
In kleine, dichtbegroeide sloten zijn nu larven van de spinnende
watertor te vinden. Deze log gebouwde dieren zijn slechte zwemmers. Ze
kruipen rond tussen waterplanten vlak bij de oever. Daar vangen ze
geen snel bewegende dieren, zoals visjes en kikkerlarven, wat
waterroofkevers wel doen, maar waterslakken. Een prooi die bij hun
traagheid past. Met hun sterke kaken kraken ze de slakkenhuisjes. De
kever zelf is een vreedzame panteneter.
Sint Jan.
Op 24 juni is het Sint Jan. Een belangrijke dag in de zomer, zoals
al blijkt uit planten- en dierennamen: Sint Janskruid, Sin Janslot,
Sint Jansvlinder, Sint Jansvlieg. Sint Jan is de gekerstende feestdag
waarop in heidense tijden de midzomerzonnewende werd gevierd. Op deze
datum staat driekwart van onze plantenwereld in bloei. Na die datum
laat de nachtegaal zijn lied niet meer horen. De bomen maken nieuw
blad. Vanf nu worden de dagen weer korter.


Distels.
De Distels bloeien nu. Langs wegen, in weilanden en op
braakliggende grond groeien drie soorten: akker-, speer- en
kruldistel. De speerdistel heeft de grootste bloemhoofdjes en is
bedekt met speervormige stekels. De kruldistel is nog stekeliger, maar
de stekels zijn fijner. De akkerdistel is de minst mooie, met
paarsblauwe bloemhoofdjes. Het blad is grof getand, de stengel kaler
dan die van de andere twee. Op alle distels komen veel vlinders af.
Vlinders.
Waar niet alleen gras groeit, maar ook wilde bloemen bloeien zijn
nu veel vlinders te zien. Het meest vallen de zandoogjes en de
hooibeestjes op, waarvan de rupsen wilde grassoorten eten. De
donkerbruine zandoogjes dartelen op zonnige julidagen vlak boven het
gras. De zacht oranje hooibeestjes vliegen pas op als je ze stoort door
in het gras te lopen. Een typische graslandvlinder is ook het dikkopje
dat goudachtig oranje vleugels heeft.
Vliegende mieren.
Op zwoele zomerdagen zwermen de mieren. De werksters lopen druk
rond en de nesten in en uit, als daar in de middag gevleugelde
mannetjes en vrouwtjes uit komen. Hoog in de lucht vieren die hun
bruiloft. Meeuwen, spreeuwen, kauwtjes en zwaluwen proberen zoveel
mogelijk vliegende mieren in de lucht te vangen. In de avond keren de
overlevende mieren naar de aarde terug. De bevruchte vrouwtjes
stichten dan nieuwe nesten, de mannetjes gaan snel dood.
De grote groene sabelsprinkhaan.
Uit bomen en struiken klinkt in de middag en avond het luide
sjirpen van de grote groene sabelsprinkhaan. Dit 10 cm lange dier komt
bijna overal in ons land voor, maar is door zijn groene kleur moeilijk
tussen de planten te ontdekken. Alleen het mannetje sjirpt. Daarbij
wrijft hij met de voorvleugels snel over elkaar. Het grotere vrouwtje
is te herkennen aan de 'sabel' aan haar achterlijf. Dat is een legboor
waarmee ze haar eitjes in de grond deponeert.
Parende egeltjes.
Door hun stekelvacht voelen egels zich veilig. Ze hoeven niet stil
te doen. Luidruchtig breken ze zich een weg door dicht plantengroei op
zoek naar slakken. In juli en augustus vinden de meste paringen
plaats. Egels zijn dan extra lawaaiig. Knorren, sissen, blazen en
hijgen begeleiden de langdurige flirt. Bij de paring vormen de stekels
een probleem. Het vrouwtje legt ze plat en steekt haar achterste
omhoog, zodat het mannetje zich niet bezeert.
Reeën in de zomer.
In de zomer leven de reeën afzonderlijk. De vroeggeboren kalveren
kunnen de geit volgen. Ook laten bok en geit zich vaak weer samen zien.
Hun vacht is nu op zijn mooist en heeft een glanzend bruine kleur.
De kalveren verliezen hun stippelkleed en worden beige/bruin. Gedurende
de bronst zijn de reeën erg actief en worden vaker gesignaleerd.


Gierzwaluwen.
De gierzwaluwen die 's-zomers zo krijsen boven de stad, zijn alleen
in de broedtijd in ons land. Ze kwamen eind april en de meeste
vetrekken begin augustus. Nu zijn troepen gierzwaluwen op bepaalde
plaatsen boven steden en dorpen te zien. Ze verzamelen zich voor de
trek naar tropisch Afrika. Gierzwaluwen zijn geen echte zwaluwen en in
de lucht direct van huis- en boerenzwaluwen te onderscheiden door hun
silhouet. Dat heeft de vorm van een anker.
Rugstreeppadden.
Rugstreeppadden leven vooral en West-Nederland. In lente en zomer
verblijven ze in de weilanden en in duinplasjes. Ze komen nu naar de
tuinen, waar ze jacht maken op kevers, pissebedden en naaktslakken.
Vaak bestaan hun uitwerpselen helemaal uit de harde chitinepantsers
van de schadelijke torren. Padden zijn een bondegenoot van de tuinman.
Leg een steen neer waar ze overdag onder kunnen schuilen. En geloof
nooit dat je van paddenpis wratten kunt krijgen.
Bullekopjes.
In de weilanden krioelt het nu van de jonge kikkertjes. Het zijn
bruine, geen groene kikkers. Ze zijn zojuist van een visachtig
waterdier (bullekopjes) vierpotig landdier geworden. Een ingrijpende
verandering, want ze eten nu geen algen meer, maar insecten. Omdat ze
zo klein zijn, vangen ze vooral bladluizen. Die zitten niet alleen
hoog op planten, maar ook op waterplanten die net boven water
uit steken en laag op oeverplanten waar kikkers bij kunnen.
Trekvlinders.
Er bestaan veel trekvlinders. Net als trekvogels komen ze in de
lente uit het zuiden. Hun hier opgroeiende nakomelingen trekken in het
najaar naar het zuiden terug. Zo'n trekvlinder is de atalanta of
admiraalvlinder, nu veel te zien op buddleja's en bloeiende liguster.
Hij is zwart met rode banden over de vleugels. Op de veugelonderkant
is het cijfer 98 of 86 te lezen. Daarom heet hij ook wel een
nummervlinder.
Sprinkhanen.
De aanwezigheid van sprinkhanen is niet alleen te horen, maar ook
te zien. Lopend in het gras zie je ze voor je wegspringen. Ze warmen
zich bij tientallen tegelijk op in de zon op grote bladeren zoals van
hoefblad. Waar veel sprinkhanen zijn, is het leuk naar eierleggende
vrouwtjes te zoeken. Ze leggen hun eitjes op zandige plekjes en zijn
daar zo druk mee bezig dat ze van dichtbij te bekijken zijn. Hun
achterlijf steekt daarbij rechtstandig in de grond.
Nachtvlinders.
Nu komen veel nachtvlinders op lamplicht af. Zeker als je hier
vlakbij een mengsel van stroop, bier en honing smeert, bijvoorbeeld
op een boomstam. Een van de vlinders die hier nu zeker op afkomt is
een donker uiltje, dat op de voorvleugels een zilveren vlek heeft.
Naar de vorm van die vlek heet deze vlinder pistooltje. Ook wel
gamma-uil, omdat die vlek ook lijkt op de Griekse letter G. Het
pistooltje vliegt 's-nacht en overdag. Het trekt elk jaar vanuit
Zuid-Europa naa het noorden en legt hier eitjes. De vlinders die
daaruit voortkomen, trekken in de herfst zuidwaarts.
Spitsmuizen.
Spismuizen zin insectenetertjes zo groot als een veldmuis. Ze zien
er uit als mini-mollen, maar leven tussen de planten in bossen en in
bermen. Dagelijks moeten deze energieke diertjes hun eigen gewicht aan
insecten en spinnen eten. Daarom zijn ze de hele dag op jacht.
Spismuizen worden maar een jaar oud. In deze tijd zoeken ze een
partner. De mannetjes leveren daarvoor luidruchtige gevechten. Ze
laten daarbij een ultrahoog piepen horen.
Stinkzwammen.
Een al in de zomer opkomende paddestoel is de grote stinkzwam. Hij
doet zijn naam eer aan: je vindt hem op de geur. Die afschuwelijke
lucht is bedoeld om vliegen te lokken. Die eten het groene slijm dat
de hoed bedekt. In dat slijm zitten sporen die het darmkanaal van de
vliegen zonder schade passeren. Als de plek, waar die sporen met de
vliegenpoep terechtkomen, geschikt is, kunnen daar nieuwe stinkzwammen
uit groeien. Stinkzwammen vind je in bossen en parken.
De heide.
In augustus bloeit de heide op zijn mooist. Dan bloeit de
belangrijkste heideplant, de struikhei. Nu beginnen grote stukken hei
lilapaars te kleuren. De hoofdbloei is in de tweede helft van deze
maand. Niet elke heide ziet er dan mooi uit. Veel velden zijn
overgroeid met smelegras dat de struikhei verdringt. Het heidehaantje
(een kever) tast vaak de heide aan, die dan niet paars, maar dorbruin
ziet. Ook oude, verhoute struikhei bloeit slecht.


De laatste gele plompen.
Het lijkt nog zomer. Naast de witte waterlelie prijkt op het water
van de plassen nog de gele plomp. De bloei van de laatste is nu snel
afgelopen. Tussen de bladeren, die veel op die van de waterlelie
lijken, zijn steeds meer vruchten te zien. Ze steken net boven de
waterspiegel uit. Ze lijken op groene, dikbuikige flessen. De ronde
schijf met stralen op de top van de fles is in de bloem te herkennen
als de stamper.
Gallen.
De vele soorten gallen op de eiken bieden een mogelijkheid voor een
aardige herfstspeurtocht door bos en park. De gallen zijn misvormingen
van bladeren, takken en bloemen, veroorzaakt doordat een galwesp een
ei in het plantenweefsel legde. Al naar de soort wesp die ze
veroorzaakt, hebben gallen hun eigen vorm: erwten, napjes, knikkers,
knoopjes, roosjes, noem ze maar op. Bladeren met gallen zijn
gemakkelijk te drogen (niet in een boek!) en als verzameling te
bewaren.
Vlinderwereld.
Nu de meeste buddleja's (of vlinderstruiken) zijn uitgebloeid,
komen in de tuinen de dagvlinders op de hemelsleutels. Soms wemelt het
op de roze schermen van de kleine vossen. Dagpauwoog en atalanta
bezoeken liever de grote bossen herfst-asters die nu net in bloei
komen. Dagpauwoog en kleine vos overwinteren op beschutte plekken. Ze
zijn nu vaak in huis te vinden. Het zijn vlinders die in deze dagen
uit de pop kwamen. De atalanta's trekken weg naar het zuiden.
Voor trek zangvogels naar de kust.
Wie echt gewaar wil worden van de herfsttrek van kleine zangvogels
gaat daarvoor naar de kust. Vooral waar bosjes in open land staan,
zoals de eendenkooien op de waddeneilanden, verzamelen zich overdag
fitissen, tjiftjaffen en roodborsten. Ze zingen er vaak net zo druk
als in het voorjaar. Al die vogels broedden deze zomer in noordelijker
gebieden. Soms zit er een zeldzame tussen. Zo verschijnen rond de
derde week van september de eerste bladkoninkjes.
Reeën in het najaar.
In het najaar worden sprongen gevormd. Een sprong bestaat uit een
geit met kalveren en smalree (kalf van het vorig jaar) en bok. Ze laten
zich vaak in de begroeiing zien maar niet in het open veld. Hun vacht
begint weer te verkleuren, bij de jonge reeën begint dat eerder dan
bij de oude dieren. De bokken werpen hun gewei af, de oude bokken doen
dat het eerst. Bij jonge reeën kan nabronst optreden.


Eerste smienten.
Begin oktober arriveren de smienten in ons land. Deze eenden
broeden in Noord-Europa en kunnen daar in de winter geen voedsel
vinden. Daarom overwinteren ze in West-Europa. Ons land met zijn vele
plassen en weiden heeft een grote aantrekkingskracht op ze. De eerste
gasten hoor je als ze in de nacht overvliegen. Ze hebben een fluitende
roep. Daarom heten ze ook wel fluiteenden. In hun overwinteringsgebied
grazen ze op de oevers van meren en plassen. Smienten zijn
steilstarters. Mooi.
Gaaien planten eiken.
Nu de eikels vallen zijn de vlaamse gaaien druk in de weer. Deze
kleurrijke vogels begraven de eikels als wintervoorraad, maar vergeten
wel eens waar ze die hebben verstopt. De gaai is daardoor een van de
voornaamste verspreiders van de eik. Al hamsterend poten de gaaien de
eikels op de meest uiteenlopende plaatsen. Nuttig werk want eikels die
naast de boom vallen, ontkiemen niet. Vaak eten de gaaien in de lente
de zaadlobben van hum zaailingen.
Kikkerslaap.
In deze maand zijn de kikkers actief. Meestal ontmoet men de bruine
kikker omdat die een groot deel van zijn leven op het land doorbrengt.
Hij overwintert vaak in een verlaten muizenhol of mollengang, maar ook
wel in de slootmodder. De groene kikker zoekt altijd slootmodder op.
Deze waterkikker waagt zich niet ver op het land. De heikikker is een
zeldzame, alleen te vinden op sommige natte heidevelden. Ook deze
kikker overwintert onder water.
Wespentijd voorbij.
Al viegen nu nog wel wespen rond, het echte seizoen is voorbij. De
nesten sterven in de herfst uit. De enige die in leven blijven, zijn
de jonge koninginnen die in de nazomer uit de pop kwamen. Ook die
verlaten het nest om in huizen of schuren te overwinteren; de hele
winter doodstil in een donker hoekje. Komend voorjaar beginnen ze in
hun eentje een nieuwe staat, al snel geholpen door hun eerste kroost,
werksters.


Nestkastjes schoonmaken.
Het is nu de tijd om gebruikte nestkastjes schoon te maken. Veel
vogels gebruiken ze in de winter om er de koude nachten in door te
brengen. In het oude nest zitten vaak vogelvlooien en veermijten,
waarvan de vogels veel last kunnen hebben. Gebruik geen insectengif
want dat is ook voor vogels zeer ongezond. De beste manier om een
nestkastje schoon te maken na verwijdering van het nest is om het om
te spoelen met kokend water. Soda hoeft niet.
Koperwieken.
Waar veel besdragende heesters staan zijn troepen koperwieken te
zien, bruin getinte lijsters die in het noorden hebben gebroed. Ze
lijken op de gewone zanglijster, maar hebben een lichte streep boven
het oog en een roodbruine vlek onder de vleugel, die te zien is als ze
opvliegen. Aan die vlek dankt de vogel zijn naam. Koperwieken trekken
vooral 's-nachts. Om contact met elkaar te houden roepen ze met een
hoog 'tsie'. Zelfs boven de stad is het te horen.
Bloemknoppen voor de komende lente.
Aan els en hazelaar is nu al te zien hoe die bomen en struiken in
de komende lente zullen bloeien. De katjes van straks zijn er al als
langwerpige, stijve knoppen, groen bij de hazelaar, paars bij de els.
De els toont ook zijn vruchten: 'elzeproppen' die op een
dennenappeltje lijken. De hardgroene zijn vruchten die deze zomer
groeiden, de zwarte zijn van vorig jaar. Tussen de wijd uitstaande
schubben zitten bleekbruine nootjes met een vliezig randje.


Diersporen.
Ligt er sneeuw? Zoek dan eens naar diersporen. Probeer te bedenken
of de afdrukker van die sporen zich door de sneeuw sleepte,
rondhuppelde, een aanloopje nam, alleen of in gezelschap was,
bedreigd werd. Let vooral op onverklaarbare zaken zoals het spoor
van een muis dat plotseling stopt tussen de afdrukken van de vleugels
van een stootvogel.
Het fluweelpootje.
Zelfs als het nog flink wintert zijn er nog paddestoelen te
vinden die juist in de winter verschijnen, zoals het Fluweelpootje.
Deze heeft zijn naam te danken aan de donkerbruine steel waarop de
boterachtige glimmende oranje hoed rust. Het Stobbe- of Winterzwammetje
lijkt veel op het fluweelpootje, maar heeft een beschubde steel en
het centrum van de hoed is lichter van kleur dan de rest.
Dronken kramsvogels.
Hangen er nog bessen aan de duindoorns? Het sap zou wel eens gegist
kunnen zijn, een alcoholisch feestmaal voor kramsvogels die stomdronken
kunnen raken. Moelijke ongeorganiseerde vluchten naar de grond,
verschuilen zich als opgejaagde junks op de grond tussen de struiken
in een poging aan de sperwer te ontkomen.
Klimop.
De bessen van de klimop, in november de laatste bloei, zijn in
december nog niet rijp. Pas tegen het einde van de winter zijn ze klaar
als voedsel voor tal van vogels. De dichte klimop biedt onder andere
koudebescherming aan de winterkoning die hier, ook als het heeft
geijzeld, zijn favoriete voedsel, spinnen, vindt.
De toverhazelaar.
Tussen Kerst en Nieuwjaar kan de toverhazelaar wel bloeien. Let eens
op de bruinfluwelen bloemknopjes waaruit aarzelend de gele lintjes
van de kroonbladen opgerold/uitgerold tevoorschijn komen.
