
Algemeen.
In Nederland, 41.160 km2 groot, leven 15 miljoen mensen, die
allemaal een stukje grond opeisen om daarop te wonen, te
werken en..... de vrije tijd door te brengen. Bovendien leven
er zeer veel runderen, minder paarden maar wel kudden
schapen, enorm veel varkens en kippen, waaraan 1,5 miljoen
honden en een veelvoud van dat aantal aan katten moet worden
toegevoegd. Al met al is ons land overvol met medeschepselen
maar toch..... komen er nog steeds dieren in het wild voor!
Voor veel mensen is een ontmoeting met é;é;n van die in het
wild levende dieren een belevenis om nooit te vergeten en
waarop na jaren nog met voldoening wordt teruggekeken. In
dit dichtbevolkte land wonen nog gelukkige mensen, voor wie
de zomer niet per kalender eindigt maar pas op het moment
dat ze de eerste trekkende wulpen zien en horen overvliegen
in de richting van de winterkwartieren, voor wie de herfst
pas begint als de roep van de bronstige edelherten over het
Veluwse land heeft geklonken en voor wie de winter dan pas
is aangebroken als tienduizenden ganzen zijn overgetrokken.
Voor deze te benijden mensen is er nog veel te genieten in
een land als het onze. De grootste wilde landzoogdieren die
ons land herbergt, zijn het ree, het edelhert, het damhert
en het wilde zwijn, waarvan de drie laatstgenoemden alleen
op de Veluwe, meestal binnen rasters, te vinden zijn.
Reeë;n komen verspreid over Nederland voor, van Zuid-Limburg en Zeeland tot in de kop van de provincies Groningen en Friesland, ja zelfs in de nieuwe IJsselmeerpolders en op het eiland Ameland. Het aantal reeë;n dat in ons land leeft wordt geschat op zo'n 25.000 dieren. Dat is erg veel voor zo'n volgebouwd land als het onze. Het zijn dan ook meestal een of meer van deze reeë;n die als 'hert' door de mensen worden gezien. Reeë;n leiden een interessant leven dat ingewikkeld in elkaar zit.

Hertensoorten.
Hoewel we ons voornamelijk zullen bepalen tot het ree willen
we toch eerst ook de grotere hertensoorten de revue laten
passeren. De in Nederland voorkomende hertensoorten
verschillen nl. nogal van elkaar en zijn dan ook goed te
onderscheiden.
Het edelhert.
Het grootste hert van ons land is het edelhert. De
mannelijke herten bereiken een schofthoogte van zo'n een
meter dertig en een gewicht van ongeveer honderdvijftig
kilogram, terwijl de hinden, de vrouwelijke dieren, kleiner
zijn en aanzienlijk minder wegen. Alleen mannetjes dragen
een gewei, dat uit stangen is opgebouwd, die wel een meter
lang kunnen worden en die samen ongeveer acht kilogram
kunnen wegen. De geweistangen zijn vertakt, het aantal
vertakkingen heeft niets te maken met de leeftijd van het
dier, hoewel er toch wel sprake is van een zekere opbouw
gedurende de loop der jaren.
Het damhert.
Het damhert is het bekende parkhert, dan ook in halfwilde
staat binnen afgerasterde terreingedeelten op de Veluwe
voorkomt. De meeste damherten die daar leven zijn donker
gekleurd en niet zo gespikkeld als de parkherten. Damherten
zijn kleiner dan edelherten: de schouder ligt zo'n 30 cm
lager. Het meest opvallende kenmerk wordt door de mannelijke
dieren gedragen, met name het merkwaardige schoffelvormige
gewei. Het damhert is niet zoals het edelhert inheems, maar
is eeuwen geleden geimporteerd uit zuldelijker landen.
Damherten gaan, als ze heel hard moeten lopen, stuiten als
een bal: ze dansen dan tegelijkertijd op alle vier poten
waarbij de staart op en neer zwaait.
Het ree.
In tegenstelling tot de zojuist besproken grote herten is het ree klein: schouderhoogte ongeveer 70 cm. Het gewei is klein, wordt niet veel langer dan 25 cm en heeft onder normale omstandigheden nooit meer dan 2 zijtakken per stang. Het gewicht ligt rond de 23 kg: een waarde die sterk afsteekt tegenover de zwaarte van het edelhert.


Bouw.
De kleinste van de inlandse hertensoorten is het ree. Een
diersoort die meer aan een gazelle doet denken dan aan een
hert: sierlijk gebouwd en gracieus van beweging en bovenal
perfect aangepast aan de toch steeds weer veranderende
omgeving. Door de geringe grootte, schouderhoogte ongeveer
70 cm en een lichaamslengte van ongeveer 120 cm, zijn reeë;n
uitermate geschikt om te leven in terreinen met veel
struikgewas. Door van de verschuilmogelijkheden tussen de
struiken gebruik te maken worden de dieren niet zo snel
opgemerkt. Ook door de enigszins wigvormige bouw kunnen
reeë;n uitstekend leven in met struikgewas begroeide
terreinen.
Signalen en zintuigen.
Wanneer reeë;n worden verstoord volgt daarop meestal een
snelle korte vlucht. Om dit vluchten tot een uiterste te
beperken zijn ze uitgerust met voortreffelijk functionerende
zintuigen die hen vroegtijdig waarschuwen. Signalen uit de
omgeving worden door de zintuigen opgevangen en in de
hersenen nauwkeurig 'bekeken', waarop het dier een passende
reactie laat volgen.
Naast signalen die waarschuwen voor onraad krijgen reeë;n op
deze manier ook informatie over het weer, het terrein en de
aard van het voedsel. De dieren houden onderling contact
door middel van geluiden; daarnaast geven houdingen en
bewegingen veel inlichtingen omtrent de gemoedstoestand van
de dieren. Bovendien blijken met geurstoffen belangrijke
mededelingen verstrekt te worden. Hiervoor zitten bij de
bokken aan de basis van het gewei een aantal zweet- en
talgklieren, die een geurstof afscheiden die door de dieren
aan boomstammen en overhangende takken wordt gesmeerd. Deze
klieren zijn niet altijd even actief, maar gedurende de
zomermaanden tijdens de bronst, werken ze optimaal. Door op
het hout 'geurvlaggen' te smeren maken ze andere reebokken
duidelijk dat dit gebied bezet is.
Een ander klierveld, dat bij beide geslachten voorkomt, is
duidelijk zichtbaar als donkere plek op de achterpoten. De
functie hiervan is niet bekend, maar het zou vooral in hoge
begroeiing wel eens geursporen kunnen achterlaten die
informatie kunnen verstrekken aan passerende reeë;n. Tussen
de hoeven van de achterpoten zit ook een vochtproducerend
klierweefsel. De hier geproduceerde vloeistof wordt
opgevangen in een zakje, waarin een opening naar buiten
uitmondt. Welke berichten door deze, slof aan andere reeë;n worden
doorgegeven is de mens niet bekend. De Zwitserse bioloog
Kurt veronderstelt dat deze vloeistof een waarschuwende
uitwerking heeft op andere reeën.
Dat de reuk belangrijk is blijkt wel uit het feit dat,
wanneer reeë;n elkaar tegenkomen, na een wederzijdse blik
vaak een besnuffeling van kop en hals volgt. Kennelijk
vertrouwen ze hun eigen ogen niet. Reeën hebben grote donkere
ogen, geen reebruine, die aan de zijkant van de kop staan. Hierdoor
heeft het dier een groot gezichtsveld. Bewegende voorwerpen worden
sneller en beter opgemerkt dan stilstaande. Naast de reuk is ook het
gehoor uitstekend: met de beweeglijke oorschelpen lepelen ze als
het ware de geluiden uit de lucht.
Luidruchtig zijn reeën niet bepaald, maar toch maken ze
geluiden. Bokken kunnen een geluid maken dat aan
hondengeblaf doet denken, vaak 's-nachts en in de vroege
morgen geproduceerd. Ook geiten en kalveren maken dergelijke
geluiden.
Beharing.
Reeën zijn zoogdieren die een constante lichaamstemperatuur
van 37 oC bezitten. Om zo weinig mogelijk warmte te
verliezen zijn ze evenals de meeste andere zoogdieren
behaard en deze haren werken isolerend. Tijdens de
wintermaanden en in het vroege voorjaar hebben reeën een
dichte wintervacht, die een goede bescherming biedt tegen
koude weersomstandigheden. Deze haardos is meestal grijs van
kleur met een opvallend witte spiegel. Het fraaie reebruine
zomerhaar is alleen maar gedurende de zomermaanden aanwezig.
Ook komen in Nederland zwarte reeën voor: zij vormen een
donkere kleurvariëteit en niet een aparte soort zoals men
wel eens meent. Kalveren hebben in de eerste maanden van hun
bestaan een vlektekening die in samenwerking met het
verstopgedrag voor een fantastische camouflage zorgdraagt.
Volwassen reeën verkleuren 2 keer per jaar, van winter- naar
zomerkleed in het late voorjaar en van zomer- naar
winterkleed tijdens de herfstmaanden.
Hoefdieren.

Herkauwers.
Herten zijn evenals schapen en koelen herkauwers. Dat wil
zeggen dat zij het voedsel zonder het fijn te malen direct
naar de maag transporteren om het later, na de
voedselopname, in alle rust te gaan kauwen. Reeën bezitten
een aan het plantaardig voedsel aangepast gebit en
splisverteringskanaal. De maag van een herkauwen en dus ook
van het ree is ingewikkeld van bouw om het plantaardige
voedsel te kunnen verteren.
Het gebit.
Kalveren worden met drie melkkiezen per kaakhelft geboren, die geleidelijk worden vervangen en aangevuld tot het blijvende gebit met zes kiezen per kaakhelft. Snijtanden komen alleen voor in de onderkaak. Hoektanden, de haken, worden soms als kleine tanden, meestal in één kaakhelft aangetroffen. De sterk geplooide kiezen en tanden bestaan uit tandbeen bedekt met een glazuurlaag. Het glazuur is veel harder dan het tandbeen. Omdat de kiezen worden gebruikt bij het vermalen van het voedsel ontstaat er op de kiezen een slijtagepatroon. Niet alleen worden de kiezen op den duur korter, maar ook het beeld van het snijvlak verandert. Aan de hand van veranderingen die optreden aan de kiezen is men in staat de leeftijd van reen bij benadering te bepalen.

Voedsel.
Reeën zijn planteneters die met zorg en overleg planten
uitkiezen voor de consumptie. Ze eten lang niet alles wat
hen voor de bek komt, maar selecteren als fijnproevers. De
planten worden beroken alvorens ze worden gegeten. Daarnaast
bestaat er een persoonlijke voorkeur van ieder ree
afzonderlijk voor bepaalde plantensoorten. Ook kalveren
worden opgeleid in het maken van een voedselkeuze doordat ze
vlak naast de bek van de moeder eten. De meeste
plantensoorten dienen slechts enkele weken of enige maanden
als voedsel, omdat vele planten een korte groeitijd
doormaken, maar het kan ook zijn dat in de loop van de tijd
de verteerbaarheid en de smakelijkheid van de planten is
teruggelopen. Melchiar analyseerde in 1960 een aantal
pensinhouden en verkreeg het volgende resultaat:
62% bladeren en knoppen van bomen en struiken; 10% grassen;
16% kruiden;
12% lagere planten zoals korstmossen en paddestoelen.
Bladeren van bomen en struiken worden met graagte gegeten,
zo mogelijk het gehele jaar door. De braam en de klimop
behouden ook in de winter hun bladeren en deze planten
worden dan ook vaak door reeën bezocht. Tijdens barre
winterse omstandigheden eten reeën zelfs hulst en
rhododendronbladeren, terwijl ook de twijgen en bast van
naaldbomen dan niet worden versmaad. In de herfst vormen
eikels en beukenootjes hun voedsel. Zelfs paddestoelen
worden in de pensinhouden aangetroffen. Dat het voedsel
gevarieerd is, bleek wel uit onderzoek. Men vond dat van de
500 plantensoorten die in het onderzochte gebied in
Zwitserland groeiden er 70% werden gegeten. In Duitsland
vond men in 1958 63% van de 160 plantensoorten uit een
bepaald terrein in de pensinhoud van reeën terug. De
onderzoeker vond dat vooral gedurende de herfst- en
voorjaarsmaanden veel voedsel werd opgenomen. De verhoogde
behoefte aan voedsel in de herfst lijkt noodzakelijk.
Hierdoor wordt een reservevoorraad vet aangelegd, om een
komende voedselarme periode te overleven. Het is gebleken
dat in de winter de stofwisseling van reeën minder intensief
is, waardoor er minder voedsel verbrandt. De verhoogde
eetactiviteiten in het voorjaar staan in verband met de
voedselschaarste in de winter, waardoor de dieren op hun
reserves inteerden, en ook aan de toegenomen sociale
spanningen binnen de sprong.
Reeën laveien voornamelijk overdag. Per dag wordt ongeveer 10 keer het voedsel verzameld, waarna rustpauzes volgen om het voedsel te herkauwen. Een ree van 25 kg eet in 24 uren ongeveer 1,5 kg voedsel. Het is merkwaardig dat reeën goed gedijen als er geen water in de buurt is. Hoogst zelden zal men dan ook een ree zien drinken. Doordat reeën in de vroege ochtend gaan fourageren worden er planten gegeten die nog met dauw zijn bedekt. Kennelijk wordt er dan met het voedsel voldoende water opgenomen, zodat de behoefte hierdoor wordt gedekt.

Territorium.
Veel hoefdieren brengen hun hele leven in groepsverband
door. Een kudde biedt voordelen, zoals bescherming tegen
roofdieren, maar heeft ook zijn nadelen omdat de
voedselconcurrentie binnen de groep erg groot is. Veel
hertensoorten, zoals edelherten en damherten leven in
kuddeverband. Reeën echte, verenigen zich niet tot kudden,
maar vormen uitsluitend in de winter kleine groepjes van
twee tot vijf dieren, die sprongen worden genoemd. In de
loop van het voorjaar valt zo'n sprong weer uit elkaar.
Een terrein wordt door de reeën onderling verdeeld in een
aantal leefgebieden, waarbinnen de dieren hun normale
activiteiten vertonen zoals eten, slapen, paren en jongen
groot brengen. De grootte van zo'n leefgebied varieert en is
afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die er in voorkomt,
het jaargetijde en de dekkingsmogelijkheden. Is er veel
voedsel in het leefgebied aanwezig dan wordt de oppervlakte
kleiner. In terreinen met weinig dekking zijn de
leefgebieden aanzienlijk groter dan in gebieden met veel
verschuilmogelijkheden. De leefgebieden waarin de dieren
zich thuisvoelen kunnen zowel door alleenstaande dieren als
door sprongen worden bewoond.
Territoriumafbakening.
Reebokken bakenen binnen een leefgebied een speciaal
terreingedeelte af, dat territorium wordt genoemd. Dit
territorium wordt verdedigd tegen seksegenoten en van
merktekens voorzien.
Merktekens.
De bokken markeren het gebied onder andere met
'veegboompjes'. Dit zijn meestal jonge boompjes, waarvan met
het gewei de bast wordt afgeslagen, zodat de stammetjes als
opvallend witte seinpalen in het terrein staan. Bovendien
voorziet de bok zo'n 'veegboom' ook van een geur, door de
stam met een geurstof in te smeren die uit zijn
voorhoofdsklier komt. Vaak worden kop en hals langs de
ingesmeerde boom gestreken, zodat de bok geparfumeerd door
zijn territorium trekt. Regelmatig patrouilleert hij door
dat terreingedeelte en voorziet het steeds van verse
merktekens. Meestal maakt de bok tijdens deze tocht gebruik
van wissels die in het terrein zijn ingesleten, waarbij hij
ook geurstoffen afzet aan overhangende takken. Ook maakt de
bok, vooral in de vroege ochtenduren, ietwat blaffende
geluiden, die tot in de verre omtrek goed hoorbaar zijn. Dit
zou wel eens een plaatsaanduiding kunnen zijn van de
territoriale bok.
Territoriaal gedrag.

Wanneer in het vroege voorjaar de reeën nog in sprongen
bijeen zijn beginnen de volwassen bokken zich agressief te
gedragen, vooral ten aanzien van andere bokken, maar ook de
overige spronggenoten moeten het vaak ontgelden. De bokken
dreigen nu erg vaak naar de andere reeën, waarbij de oren in
de nek worden gelegd en het gewei gepresenteerd.
Oude bokken vertonen dit agressieve gedrag eerder in het
voorjaar dan jongere dieren. Vaak is alleen een dreighouding
van een oudere bok voldoende om een jonger dier het veld te
laten ruimen. Er heerst onder reebokken dan ook een
uitgesproken ouderdomsdominantie. Oudere bokken zetten vroeg
in het voorjaar een territorium af, terwijl het territoriale
gedrag bij jongeren dan nog onvoldoende aanwezig is.
Hierdoor zijn de ouderen in staat zich als eerste te
vestigen en ze doen dit bijna altijd in hetzelfde
territorium, dat ze reeds jaren hebben verdedigd.
Territorium-jaargetijde.
Eind maart, begin april beginnen vooral de oude bokken een
grondgebied af te bakenen. Gedurende deze periode worden ze
vaak gezien en vertonen ze herhaaldelijk het territoriale
gedrag. In de maanden april en mei worden dagelijks
inspectietochten door het territorium gemaakt. In de maand
juni wordt dit gedrag minder waargenomen, maar omstreeks half
juli, begin augustus is het met al zijn hevigheid weer
aanwezig. Dit is het tijdstip waarop de bronst valt en de
bokken geen concurrentie wensen. In de nazomer neemt het
territoriale gedrag af en sluit de bok zich weer bij een
gezinssprong aan.
Territorium-afmeting.
Het gebied dat de bok jaarlijks doorkruist kan afhankelijk
van de terreinomstandigheden variëren van 20 tot 200
hectaren en is aanzienlijk groter dan zijn territorium. De
gemiddelde grootte van een reebokterritorium in vele landen
van Europa schommelt tussen de 7 en 12 hectaren. Het is niet
uitgesloten dat een groter gebied niet verdedigbaar is.
Wordt het gebied kleiner dan 7 hectaren dan bestaat de
mogelijkheid dat er voor de bok te weinig voedsel aanwezig
is. Geiten worden in het territorium van een bok wel
getolereerd. Zijn gebied overlapt terreintjes van meerdere
geiten.
Territorium-functie.
Het verschijnsel territorium komt bij vele, niet verwante
diersoorten voor. Doordat het dier zich binnen dat
terreingedeelte nogal opvallend gedraagt zal de
kwetsbaarheid ten aanzien van roofdieren worden vergroot.
Vandaar dat men mag veronderstellen dat territoriumbezit
voordelen biedt. Hier volgen enige veronderstellingen:
1. Doordat de dieren in territoria leven zijn ze verspreid
over een gebied en dit zou enige bescherming kunnen
bieden tegen roofdieren.
2. De bok kan, niet gehinderd door rivalen, met een geit
paren.
3. Door territoria wordt overbevolking tegengegaan, omdat de
dieren die zich niet hebben kunnen vestigen het terrein
worden uitgestuurd.
4. Binnen het territorium verzekert het dier zich van
voldoende voedsel en rustplaatsen, hetgeen vooral tijdens
de aanwezigheid van de jongen van groot belang is.
Leefgebied-geiten.
Ook geiten verdelen het geschikte terrein gedurende de zomermaanden met hun seksegenoten. De gebieden waar de geiten zich in de zomer ophouden zijn aanzienlijk kleiner dan de wintergebieden, wat vermoedelijk in de allereerste plaats te danken is aan een beter voedselaanbod. Daarnaast is ook de geringere actieradius van de kalveren bepalend voor de afmeting van het gebied. De terreingedeelten van verschillende geiten kunnen elkaar overlappen. Bij een geringe reedichtheid zullen de jonge reegeiten terreinen opzoeken die nog niet door geiten met kalveren zijn bezet. Is de reegeitdichtheid hoog dan worden juist deze dieren steeds weer verdreven door vreemde oudere geiten. Niet verwante geiten zijn aanzienlijk minder verdraagzaam ten opzichte van elkaar dan dieren met nauwe familiebanden. Vaak worden moeilijkheden voorkomen doordat de dochter zich vestigt in een gebied naast dat van de moeder.


Functie.
Veel hoefdiersoorten hebben kopsieraden zoals horens of
geweien. Men neemt aan dat deze organen zich in eerdere
tijdvakken hebben ontwikkeld als bescherming tegen
roofdieren. Toch is uit onderzoek gebleken dat kopsieraden
nu in de eerste plaats worden gebruikt als imponeerorgaan
tegen soortgenoten. Horens en geweien maken de dieren groter
en indrukwekkender, waardoor hun positie binnen de groep
wordt verstevigd zonder dat het tot bloedvergieten komt.
Runderen, schapen, geiten en antilopen dragen horens, die
het gehele leven blijven doorgroeien. Herten hebben geweien,
die ieder jaar worden vervangen. Doordat het gewei jaarlijks
wordt afgeworpen, bestaat de mogelijkheid voor een hert om
binnen de groep van plaats te veranderen.
Reebokken dragen vergeleken met andere hertensoorten geweien
die eenvoudig zijn van bouw en gering van omvang:
het geweigewicht bedraagt hier slechts 2% van het
lichaamsgewicht. Misschien is bij reeën de geweiontwikkeling
voor de soortgenoten wel van een ondergeschikt
belang omdat er onder de bokken toch al een uitgesproken
ouderdomsrangorde heerst. Zo zijn er oude reebokken die,
ondanks dat ze een slecht ontwikkeld gewei dragen, toch de
beste plekken in het terrein hebben veroverd. Zoals reeds
vermeld zijn het vooral de oudere bokken die het eerst in
het voorjaar een territorium innemen. Omdat de gewei-opbouw
tijdens de wintermaanden en het afbakenen van een
territorium in het vroege voorjaar extra energie vergen,
bestaat de mogelijkheid dat hier een natuurlijk
selectiemechanisme werkt en dat alleen de bokken die over de
beste conditie beschikken aan de instandhouding van de soort
mogen deelnemen.
Hormonen.
Het groeiproces van het gewei wordt geregeld door hormonen,
waarbij het geslachtshormoon, testosteron, een belangrijke
rol speelt. Wordt de balzak van een volwassen reebok, die
zijn gewei heeft geveegd, beschadigd, dan werpt hij kort
daarop het gewei af en begint met de opbouw van een nieuw,
vaak met een afwijkende vorm.
Pruikbok.
Krijgt een bok dezelfde verwonding terwijl hij een bastgewei
draagt, dan vindt er geen afworp plaats, maar groeit het met
bast bedekte gewei door tot een volledig afwijkende vorm.
Deze bokken worden naar dit woekerende gewei pruikbokken
genoemd.
Van afworp tot vegen.
Gedurende de wintermaanden wordt het gewei van een reebok
opgebouwd en er liggen ongeveer 20 weken tussen het afwerpen
van het oude gewei en het vegen van het nieuwe. Direct nadat
het gewei is afgeworpen wordt er begonnen met de opbouw van
een nieuw. Vanaf de rozenstokken, gemaakt vanuit de
omhullende huid begint de constructie van het gewei. Vlak
onder de top bevindt zich een steeds delende cellaag
waardoor het gewei groeit. Daarna verbenen langzamerhand de
reeds gevormde cellen. Met de bloedvaten, die oppervlakkig
liggen worden bouwstoffen aangevoerd. Tijdens de bouw
bestaat er kans op beschadiging, hetgeen vooral in strenge
winters het geval is. In de huid lopen ook zenuwen, waardoor
het gewei erg gevoelig wordt en dat is dan ook de reden dat
er in deze periode niet met het gewei wordt gevochten.
Wanneer het gewei is voltooid wordt de bloedtoevoer
verminderd en de huid sterft af en wordt weldra afgeveegd.
De kleuring.
Het pasgeveegde gewei is wit van kleur en krijgt pas later
een donkere tint. Op welke wijze deze kleuring ontstaat is
niet duidelijk. Hierover bestaan verschillende theorieën. De
kleuring zou kunnen ontstaan doordat er plantesappen op het
gewei inwerken, maar er wordt ook gesuggereerd dat de
kleurstoffen van de dieren zelf afkomstig zijn. Maar over
het algemeen ziet men wel invloed van de
vegetatie op de kleur van de geweistangen.
De vorm en de leeftijd.
Op het voorhoofdsbeen van de reebok staan uitwassen, genaamd
rozenstokken, waarop de geweien worden gevormd. Dit begint
al op jonge leeftijd. Drie a vier maanden na de geboorte
beginnen de reebokjes met de aanleg van hun eerste gewei. Er
zijn dan miniem kleine haarkwasties te zien, waarvan de huid
na enkele weken afsterft. Daarna komen er beenknopjes
tevoorschijn. Meestal worden deze na korte tijd afgeworpen,
waarna er wordt begonnen met de opbouw van het 'echte' gewei.
De basisvorm van het reeëngewei bestaat uit drie uiteinden
(takken) per gewelstang. De hoofdstang vertakt zich in een
voor- en achterzak, waarvan de achterzak weer twee uiteinden
bezit. De voortak wordt oogtak genoemd. Toch wordt van deze
vorm afgeweken; er komen anders gevormde geweien voor. Het
gewei, opgebouwd in een jaargetijde waarin weinig
voedingsstoffen aanwezig zijn, kan door een tekort aan
bouwstoffen vervormd raken. Naast voedsel spelen onder
andere de reedichtheid, de mate van verstoring en de
klimaatsinvloeden een belangrijke rol bij de gewei-opbouw.
Er zijn bokken met twee onvertakte geweistangen, die spitser
worden genoemd. Vaak moeten deze dieren tot de zeer jonge of
de erg oude bokken gerekend worden. Naast spitsergeweien
komen gaffelgeweien voor, waarbij de hoofdstang is vertakt
in een voor- en achterzak, bij zowel de jonge als de oude
bokken. Vaak onderscheidt men de bokken naar de vorm van het
gewei, zoals spitser, gaffel en zesender, maar toch is dit
geen ontwikkelingsreeks. Een bok in zijn eerste jaar hoeft
geen spitser te zijn, in zijn tweede geen gaffel en in zijn
derde jaar geen zesender. Een nog steeds voortlevend
sprookje is het verhaal dat het gewei er ieder jaar een tak
bij zou krijgen en dat men aan de hand van het aantal
uiteinden de leeftijd van de bok zou kunnen bepalen. Wel
dragen vele bokken van drie jaar en ouder een zesender
gewei. Het hoogtepunt van de geweiontwikkeling ligt bij de
reebokken rond of na het vijfde levensjaar, maar dit is ook
weer afhankelijk van vele factoren.
Ook de rozen en de bepareling van het gewei kunnen
aanwijzingen geven omtrent de leeftijd. Rozen rond de
geweibasis duiden op een gevorderde leeftijd, terwijl de
bepareling van het gewei gedurende het ouder worden toeneemt
om in een later stadium weer af te nemen.
Knopbok.
In verscheidene gebieden in ons land komen jaarlingbokken voor die een gewei dragen dat slechts uit twee knopjes bestaat. Ook ligt het gewicht van deze dieren aanzienlijk onder dat van een normaal ontwikkelde jaarling. Deze dieren, een produkt van hun omgeving, groeiden meestal op in een terrein met een te hoge reedichtheid. De voedselconcurrentie was hoog en hierdoor kregen ze weinig voedsel, meestal van slechte kwaliteit, weinig rust om de voedingsstoffen te verteren. Mede daardoor wordt de lichaamsconditie minder en de kans op infectie door parasieten is erg groot. Het voorkomen van deze dieren is een aanwijzing omtrent de reedichtheid van het terrein.

Kalveren.
In het voorjaar worden de kalveren geboren. Het smalree
krijgt in het algemeen één jong, de oudere geiten twee,
terwijl er zo nu en dan geiten met een drieling voorkomen.
De geit zoekt een plaats waar de kalveren geboren zullen
worden. Deze plek moet een schuilplaats zijn voor de jongen.
Omdat de kalveren de eerste weken na de geboorte de geit nog
niet volgen en verstopt in het terrein blijven liggen, moet
die ligplaats droog zijn. Er is in de eerste dagen na de
geboorte weinig contact tussen moeder en kind. Het kalf is
nog reukloos en de geit reageert vooral op geluidssignalen
van het kalf. De lichaamsgeur van het kalf wordt later een
belangrijk herkenningsmiddel voor de geit. Het is van groot
belang voor de kalveren dat ze juist in de eerste levensfase
reukloos zijn, omdat ze dan moeilijk worden gevonden door
roofdieren. De kalveren van één geit kunnen vlak bij elkaar
liggen; meestal bedraagt de afstand zo'n 10-20 meter.
De kalveren zijn in de eerste periode aangewezen op
moedermelk. Omdat de kalveren de geit nog niet volgen
wachten ze in de dekking totdat de moeder langs komt om hen
te zogen. Dit zogen duurt erg kort en wordt door de moeder
onderbroken door eenvoudig weg te lopen. Vlak na de geboorte
beginnen de kalveren op uitwerpselen te kauwen, wat wel eens
belangrijk zou kunnen zijn voor de darmbeweging en de
ontwikkeling van micro-organismen in het darmkanaai. Weldra
gaan de kalveren aan planten knabbelen. Toch zijn ze tot in
de zomer op de melk van de moeder aangewezen, waarna wordt
overgegaan op plantaardig voedsel.
Gezinssprong.
In de vroege zomer volgen de kalveren de geit. Deze familie-
eenheid wordt gezinssprong genoemd. Naast het gebruikelijke
slapen en eten oefenen de kalveren zich nu ook in het
spelen. Hierbij springen ze met stijve poten, ze stoten met
de koppen tegen elkaar en gedurende deze spelletjes
achtervolgen ze elkaar met grote snelheid. Al spelend leren
de dieren erg veel. Tevens wordt de plaats in de
reeënrangorde vastgelegd, die belangrijk is voor het verdere
leven. Het spel bevat dan ook elementen als dreigen,
imponeren en deemoedshoudingen die gemoedstoestanden
uitdrukken.
Rangorde.
Binnen de gezinssprong heerst een duidelijke hierarchie,
waarbij de geiten hoger op de sociale ladder staan dan de
kalveren. Ook tussen volwassen geiten heerst een
rangordesysteem, waarbij de hoger geplaatste dieren een
betere voedselplek hebben. Dit zal vooral tijdens strenge
winters, wanneer het voedsel schaars en moeilijk bereikbaar
is, tot uiting komen.
Wintersprong.
In de herfst wordt de gezinssprong uitgebreid met een
smalree, een vrouwelijk kalf van het vorige jaar, en een
volwassen bok. Dit groepje dieren wordt wintersprong
genoemd. Reeën komen ook wel in grotere groepen voor, maar
dit zijn meestal 'noodsprongen' waarbij zich enige
wintersprongen hebben verenigd. Het tekort aan voedsel
brengt de sprongen bij elkaar op plaatsen waar nog iets te
eten valt. Toch mijden de dieren binnen de 'noodsprongen'
elkaars aanwezigheid en blijven ze op afstand.
Agressief gedrag.
Agressief gedrag binnen de soort is erg belangrijk. Hierdoor
wordt een rangordesysteem opgebouwd, territoria worden
afgebakend en overbevolking wordt voorkomen. Daarom is het
nuttig voor dieren, die in groepen leven, dat er een
rangordesysteem bestaat. Eik dier heeft binnen de groep door
een leerproces een bepaalde positie veroverd. Het weet hoe
een hoger geplaatste moet worden gemeden en op welke wijze
een lager geplaatste geintimideerd kan worden.
Samenwerken.
Tijdens de wintermaanden vallen de activiteiten van de reeën
in een wintersprong samen. Doordat de dieren tegelijk gaan
slapen, eten, voedsel zoeken en herkauwen wordt de onrust
tot een minimum beperkt zodat er weinig energie verloren
gaat. Tijdens het rusten, waarbij de leden van een
wintersprong zo'n 3-6 meter van elkaar liggen, kijken de
dieren in verschillende richtingen, waardoor er een groot
gezamenlijk gezichtsveld ontstaat.
Zelfstandig worden.
In het volgende voorjaar wordt de band tussen de geit en
haar kalveren losser, de jonge dieren treden zelfstandiger
op en verwijderen zich steeds verder van de moeder. In deze
periode wordt de volwassen bok agressiever, waardoor de
onrust binnen de wintersprong toeneemt. Deze agressie richt
zich vooral tegen bokkalveren, die op deze wijze uit de
sprong worden verdreven. Het zijn vooral de fors
uitgegroeide bokkalveren die ook nog volwassen gedrag
vertonen, die het eerst worden weggejaagd. Tegen de tijd dat
de volwassen geit nieuwe kalveren gaat krijgen vertrekken
ook de geitkalveren.
Verspreiding.
Dit migreren van deze jonge dieren is uiterst belangrijk
voor de verspreiding van reeën, niet alleen voor het aantal
dieren per oppervlakte-eenheid, maar ook voor het in bezit
nemen van reelege terreinen in Nederland. Men veronderstelt
dat op deze wijze bijvoorbeeld de IJsselmeerpolders door
reeën werden bevolkt.
Functie van de spiegel.
Reeën gedragen zich tijdens de wintermaanden socialer dan in
de zomer. Dit valt ook af te leiden uit het winterhaarkleed,
dat zo'n duidelijke spiegel heeft. Er zou wel eens verband
kunnen bestaan tussen het leven in groepsverband en het
voorkomen van de opvallende spiegel. Bovendien kunnen de
reeën de haren van de spiegel rechtop zetten, waardoor deze
vlek wordt vergroot. Dit vergroten gebeurt onder bepaalde
omstandigheden, wanneer het dier vlucht, dreigt,
zich poetst of ontlast. Het lijkt aannemelijk dat de spiegel
van belang is om de sprong bijeen te houden, vooral tijdens
de vlucht.
Omdat reeën vooral gedurende de schemeruren actief zijn, en de kans op verstoring groter wordt, kunnen ze elkaar tijdens een vlucht gemakkelijk kwijtraken, maar deze kans wordt aanzienlijk geringer doordat ze zich richten naar de spiegel van een spronggenoot. Op deze wijze houdt de spiegel de sprong bij elkaar en wordt er voorkomen dat er met zoekacties energie verloren zou gaan. Dit voordeel weegt blijkbaar op tegen het nadeel dat de opvallende spiegel in gebieden waar wolven en lynxen voorkomen reeën juist extra opvallend en daarmee uiterst kwetsbaar maakt.

Camouflage.
In de maanden mei, juni en juli bestaat de kans dat
wandelaars in bos en beemd plotseling een reekalf vinden.
Meestal ligt het 'zielig' alleen, geen reegeit in de buurt
te bespeuren, en snel concludeert men dat het diertje wel
verlaten zal zijn. Bijna iedereen krijgt bij het zien van
zoveel hulpeloosheid de neiging het diertje op te pakken,
mee te nemen en groot te brengen. Toch moet er met nadruk op
worden gewezen dat deze kalveren niet verlaten zijn, maar
alleen doen wat Moeder Natuur hen voor eigen veiligheid
heeft meegegeven, namelijk héél stil blijven liggen.
Dit doodstil liggen vormt in combinatie met het
vlekkenpatroon op de huid en het praktisch reukloos zijn een
uitstekende camouflagetechniek. Wanneer de reegeit zich
voortdurend in de directe omgeving van haar kalf zou
ophouden dan vestigde ze juist extra de aandacht van de
roofdieren op de jonggeborene. Roofdieren zijn in staat
verband te leggen tussen de aanwezigheid van de reegeit en
het ergens verborgen liggen van haar jongen. Dit zou een
intensieve speuractie tot gevolg hebben waarbij de
roofdieren er meestal in zullen slagen het kalf, ondanks
zijn fantastische camouflage, te vinden.
Het kalf vertrouwt ook blindelings op deze camouflagetechniek, die ook wordt toegepast onder omstandigheden waarin het juist wel opvalt. Steekt bijvoorbeeld een geit met kalf een weg over en springt de geit plotseling gealarmeerd weg dan zakt het kalf door de poten en blijft roerloos liggen, maar is op deze rijweg extra opvallend. Ondanks de vele berichten, die regelmatig in de pers verschijnen, dat reekalveren niet in de steek worden gelaten blijft het fabeltje over die verlaten beestjes hardnekkig de ronde doen.

Territoriuminspectie.
De paartijd, de bronst, van onze reeën valt in het hartje
van de zomer vanaf half juli tot aan half augustus. Begin
juli begint de territoriale bok zijn, in het voorjaar
afgezette terrein, te inspecteren en opnieuw merktekens te
plaatsen. Hij maakt weer dagelijks zijn 'rondes' en is
bovendien erg agressief, hetgeen hij uit door te 'vechten'
met struiken en overhangende takken. Indringende bokken
worden subiet verwijderd.
Liefdesspel.
Bovendien begint hij duidelijk belangstelling voor geiten te
vertonen. Met de neus langs de grond loopt de bok, als een
jachthond, door zijn revier: kennelijk speurt hij naar
stoffen uit de reukklieren van de poten van de geiten.
Tijdens dit speuren kan hij plotseling stoppen en
teruglopen: hij is duidelijk iets op het spoor.
Tegelijkertijd bevochtigt hij met zijn tong de neusgaten,
vermoedelijk om de geur beter op te vangen. Is de geit
eenmaal gevonden dan achtervolgt hij haar, terwijl ze
voortdurend wegloopt.
De toenaderingspogingen zijn nogal heftig en de
geit reageert op deze woeste liefdesverklaring
met uiineren en ontlasten. De bok ruikt aan deze geloosde
urine en toetst deze, waarbij hij een merkwaardig gedrag
vertoont. Hierbij wordt de bovenlip opgetrokken en lucht
opgesnoven terwijl de kop in verschillende richtingen wordt
gedraaid. Deze handeling wordt 'flehmen' genoemd, en komt
niet alleen bij reeën maar ook bij andere hoefdiersoorten
voor. Kennelijk krijgt de bok uit de urine informatie
omtrent haar bronstigheid.
Tijdens het liefdesspel achtervolgt de bok de geit, waarbij
laatstgenoemde in het begin van de kennismaking de bok op
afstand houdt. Naarmate bij de geit het tijdstip van de
eisprong nadert laat ze de bok dichterbij komen. Dan lopen
de reeën vlak achter elkaar - dit wordt drijven genoemd - ze
draaien 'achtjes' in het terrein zodat er heksenkringen
ontstaan. Ondertussen controleert de bok voortdurend haar
geslachtsopening, maar de geit bepaalt het tijdstip waarop
ze gedekt wordt. Het tweetal blijft enige dagen bij elkaar,
ook nadat de dekkingen zijn voltooid. De geit wordt meerdere
keren door dezelfde bok gedekt.
Bronst is voor beide geslachten een afmattende bezigheid en
de dieren laveien, herkauwen en rusten tussen het liefde
bedrijven door. De kalveren worden tijdens de
bronsthandelingen niet echt verdreven, maar trekken zich
vaak in het struweel terug als de volwassen dieren te heftig
in elkaar opgaan.
Hormonen.
De bronst wordt gestuurd door hormonen. Dit geldt niet
alleen voor het erbij behorende gedrag maar, ook voor de
rijping van de eitjes in de elerstok van de geit en de
vorming van zaadcellen door de bok. De dieren zijn alleen
gedurende zo'n vier weken in de zomer seksueel actief. Dan
is bij de volwassen bokken de produktie van zaadcellen het
grootst, maar het is gebleken dat bij enkele jonge reebokken
de aanmaak van zaadcellen ook in de maanden november en
december kan gebeuren. De meeste geiten worden tijdens de
zomerse bronstperiode gedekt, maar er is een aantal dat in
deze tijd niet bronstig wordt, maar wel tijdens de
wintermaanden. Deze geiten kunnen worden gedekt door de
jonge, dan zaadcellen producerende, bokken.
Ontwikkeling embryo.
Na de bronst duurt het 10 maanden voordat de kalveren worden
geboren. Dit is een opmerkelijk lange draagtijd voor een
diersoort van een dergelijke afmeting. Er gebeurt bij reeën
dan ook iets wonderbaarlijks. De bevruchte eicellen beginnen
zich te delen en vestigen zich als kiem in de baarmoeder,
maar aan de wand hiervan kunnen ze zich niet vasthechten
omdat hiervoor geen hormoonbericht is afgegeven. De
klemcellen houden zich in leven met een melkachtige stof.
Pas half december is dat bewuste hormoon wel aanwezig en
nestelt de klem zich in de baarmoederwand waarna de groei
begint.
Bij de meeste zoogdieren nestelt het bevruchte eitje zich direct in de baarmoederwand waarna de groei begint. Deze vertraagde innesteling heeft een duidelijke functie, omdat op deze manier de kalveren in het voorjaar geboren worden, een tijd waarin er voldoende voedsel is. Wanneer het eitje direct na de bevruchting zou gaan groeien, zouden de kalveren in het hartje van de winter ter wereld komen, midden in een periode met slechte weersomstandigheden waarin ook weinig voedsel aanwezig is. De kalversterfte zou dan zeer hoog zijn en de diersoort zou ernstige schade oplopen. De bronst is energieverslindend en het lijkt waarschijnlijk dat tijdens de evolutie van de reeën deze bronst, die vrgeger misschien in de winter plaatsvond, naar een ander tijdstip is verschoven, waarin voldoende voedsel aanwezig is.
