ALGEMENE INFORMATIE


Algemeen.

In Nederland, 41.160 km2 groot, leven 15 miljoen mensen, die allemaal een stukje grond opeisen om daarop te wonen, te werken en..... de vrije tijd door te brengen. Bovendien leven er zeer veel runderen, minder paarden maar wel kudden schapen, enorm veel varkens en kippen, waaraan 1,5 miljoen honden en een veelvoud van dat aantal aan katten moet worden toegevoegd. Al met al is ons land overvol met medeschepselen maar toch..... komen er nog steeds dieren in het wild voor!

Voor veel mensen is een ontmoeting met é;é;n van die in het wild levende dieren een belevenis om nooit te vergeten en waarop na jaren nog met voldoening wordt teruggekeken. In dit dichtbevolkte land wonen nog gelukkige mensen, voor wie de zomer niet per kalender eindigt maar pas op het moment dat ze de eerste trekkende wulpen zien en horen overvliegen in de richting van de winterkwartieren, voor wie de herfst pas begint als de roep van de bronstige edelherten over het Veluwse land heeft geklonken en voor wie de winter dan pas is aangebroken als tienduizenden ganzen zijn overgetrokken. Voor deze te benijden mensen is er nog veel te genieten in een land als het onze. De grootste wilde landzoogdieren die ons land herbergt, zijn het ree, het edelhert, het damhert en het wilde zwijn, waarvan de drie laatstgenoemden alleen op de Veluwe, meestal binnen rasters, te vinden zijn.

Reeë;n komen verspreid over Nederland voor, van Zuid-Limburg en Zeeland tot in de kop van de provincies Groningen en Friesland, ja zelfs in de nieuwe IJsselmeerpolders en op het eiland Ameland. Het aantal reeë;n dat in ons land leeft wordt geschat op zo'n 25.000 dieren. Dat is erg veel voor zo'n volgebouwd land als het onze. Het zijn dan ook meestal een of meer van deze reeë;n die als 'hert' door de mensen worden gezien. Reeë;n leiden een interessant leven dat ingewikkeld in elkaar zit.

Terug naar de homepage van:




HERTENSOORTEN


Hertensoorten.

Hoewel we ons voornamelijk zullen bepalen tot het ree willen we toch eerst ook de grotere hertensoorten de revue laten passeren. De in Nederland voorkomende hertensoorten verschillen nl. nogal van elkaar en zijn dan ook goed te onderscheiden.

Het edelhert.

Het grootste hert van ons land is het edelhert. De mannelijke herten bereiken een schofthoogte van zo'n een meter dertig en een gewicht van ongeveer honderdvijftig kilogram, terwijl de hinden, de vrouwelijke dieren, kleiner zijn en aanzienlijk minder wegen. Alleen mannetjes dragen een gewei, dat uit stangen is opgebouwd, die wel een meter lang kunnen worden en die samen ongeveer acht kilogram kunnen wegen. De geweistangen zijn vertakt, het aantal vertakkingen heeft niets te maken met de leeftijd van het dier, hoewel er toch wel sprake is van een zekere opbouw gedurende de loop der jaren.

Het damhert.

Het damhert is het bekende parkhert, dan ook in halfwilde staat binnen afgerasterde terreingedeelten op de Veluwe voorkomt. De meeste damherten die daar leven zijn donker gekleurd en niet zo gespikkeld als de parkherten. Damherten zijn kleiner dan edelherten: de schouder ligt zo'n 30 cm lager. Het meest opvallende kenmerk wordt door de mannelijke dieren gedragen, met name het merkwaardige schoffelvormige gewei. Het damhert is niet zoals het edelhert inheems, maar is eeuwen geleden geimporteerd uit zuldelijker landen. Damherten gaan, als ze heel hard moeten lopen, stuiten als een bal: ze dansen dan tegelijkertijd op alle vier poten waarbij de staart op en neer zwaait.

Het ree.

In tegenstelling tot de zojuist besproken grote herten is het ree klein: schouderhoogte ongeveer 70 cm. Het gewei is klein, wordt niet veel langer dan 25 cm en heeft onder normale omstandigheden nooit meer dan 2 zijtakken per stang. Het gewicht ligt rond de 23 kg: een waarde die sterk afsteekt tegenover de zwaarte van het edelhert.

Terug naar de homepage van:




UITERLIJK


Bouw.

De kleinste van de inlandse hertensoorten is het ree. Een diersoort die meer aan een gazelle doet denken dan aan een hert: sierlijk gebouwd en gracieus van beweging en bovenal perfect aangepast aan de toch steeds weer veranderende omgeving. Door de geringe grootte, schouderhoogte ongeveer 70 cm en een lichaamslengte van ongeveer 120 cm, zijn reeë;n uitermate geschikt om te leven in terreinen met veel struikgewas. Door van de verschuilmogelijkheden tussen de struiken gebruik te maken worden de dieren niet zo snel opgemerkt. Ook door de enigszins wigvormige bouw kunnen reeë;n uitstekend leven in met struikgewas begroeide terreinen.

Signalen en zintuigen.

Wanneer reeë;n worden verstoord volgt daarop meestal een snelle korte vlucht. Om dit vluchten tot een uiterste te beperken zijn ze uitgerust met voortreffelijk functionerende zintuigen die hen vroegtijdig waarschuwen. Signalen uit de omgeving worden door de zintuigen opgevangen en in de hersenen nauwkeurig 'bekeken', waarop het dier een passende reactie laat volgen.

Naast signalen die waarschuwen voor onraad krijgen reeë;n op deze manier ook informatie over het weer, het terrein en de aard van het voedsel. De dieren houden onderling contact door middel van geluiden; daarnaast geven houdingen en bewegingen veel inlichtingen omtrent de gemoedstoestand van de dieren. Bovendien blijken met geurstoffen belangrijke mededelingen verstrekt te worden. Hiervoor zitten bij de bokken aan de basis van het gewei een aantal zweet- en talgklieren, die een geurstof afscheiden die door de dieren aan boomstammen en overhangende takken wordt gesmeerd. Deze klieren zijn niet altijd even actief, maar gedurende de zomermaanden tijdens de bronst, werken ze optimaal. Door op het hout 'geurvlaggen' te smeren maken ze andere reebokken duidelijk dat dit gebied bezet is.

Een ander klierveld, dat bij beide geslachten voorkomt, is duidelijk zichtbaar als donkere plek op de achterpoten. De functie hiervan is niet bekend, maar het zou vooral in hoge begroeiing wel eens geursporen kunnen achterlaten die informatie kunnen verstrekken aan passerende reeë;n. Tussen de hoeven van de achterpoten zit ook een vochtproducerend klierweefsel. De hier geproduceerde vloeistof wordt opgevangen in een zakje, waarin een opening naar buiten uitmondt. Welke berichten door deze, slof aan andere reeë;n worden doorgegeven is de mens niet bekend. De Zwitserse bioloog Kurt veronderstelt dat deze vloeistof een waarschuwende uitwerking heeft op andere reeën.

Dat de reuk belangrijk is blijkt wel uit het feit dat, wanneer reeë;n elkaar tegenkomen, na een wederzijdse blik vaak een besnuffeling van kop en hals volgt. Kennelijk vertrouwen ze hun eigen ogen niet. Reeën hebben grote donkere ogen, geen reebruine, die aan de zijkant van de kop staan. Hierdoor heeft het dier een groot gezichtsveld. Bewegende voorwerpen worden sneller en beter opgemerkt dan stilstaande. Naast de reuk is ook het gehoor uitstekend: met de beweeglijke oorschelpen lepelen ze als het ware de geluiden uit de lucht.

Luidruchtig zijn reeën niet bepaald, maar toch maken ze geluiden. Bokken kunnen een geluid maken dat aan hondengeblaf doet denken, vaak 's-nachts en in de vroege morgen geproduceerd. Ook geiten en kalveren maken dergelijke geluiden.

Beharing.

Reeën zijn zoogdieren die een constante lichaamstemperatuur van 37 oC bezitten. Om zo weinig mogelijk warmte te verliezen zijn ze evenals de meeste andere zoogdieren behaard en deze haren werken isolerend. Tijdens de wintermaanden en in het vroege voorjaar hebben reeën een dichte wintervacht, die een goede bescherming biedt tegen koude weersomstandigheden. Deze haardos is meestal grijs van kleur met een opvallend witte spiegel. Het fraaie reebruine zomerhaar is alleen maar gedurende de zomermaanden aanwezig. Ook komen in Nederland zwarte reeën voor: zij vormen een donkere kleurvariëteit en niet een aparte soort zoals men wel eens meent. Kalveren hebben in de eerste maanden van hun bestaan een vlektekening die in samenwerking met het verstopgedrag voor een fantastische camouflage zorgdraagt. Volwassen reeën verkleuren 2 keer per jaar, van winter- naar zomerkleed in het late voorjaar en van zomer- naar winterkleed tijdens de herfstmaanden.

Hoefdieren.

Omdat reeën lopen op de toppen van de tenen, die door hoornen hoeven worden beschermd, worden ze ingedeeld bij de hoefdieren. Tijdens de ontwikkeling van deze zoogdieren, die vermoedelijk een vijfvingerige en vijftenige vooronder hebben gehad, zijn de derde en vierde vinger en teen zich gaan ontwikkelen, dit in tegenstelling tot de wel aanwezige, maar kleine, tweede en vijfde teen. Door deze goed ontwikkelde derde en vierde teen worden de reeën tot de evenhoevigen gerekend.Reeën bezitten in verhouding tot hun lichaamsafmetingen lange poten (lopers), waarmee ze zich snel kunnen verplaatsen. Doordat de dieren hoeven bezitten kunnen vele bodemsoorten worden betreden.

Herkauwers.

Herten zijn evenals schapen en koelen herkauwers. Dat wil zeggen dat zij het voedsel zonder het fijn te malen direct naar de maag transporteren om het later, na de voedselopname, in alle rust te gaan kauwen. Reeën bezitten een aan het plantaardig voedsel aangepast gebit en splisverteringskanaal. De maag van een herkauwen en dus ook van het ree is ingewikkeld van bouw om het plantaardige voedsel te kunnen verteren.

Het gebit.

Kalveren worden met drie melkkiezen per kaakhelft geboren, die geleidelijk worden vervangen en aangevuld tot het blijvende gebit met zes kiezen per kaakhelft. Snijtanden komen alleen voor in de onderkaak. Hoektanden, de haken, worden soms als kleine tanden, meestal in één kaakhelft aangetroffen. De sterk geplooide kiezen en tanden bestaan uit tandbeen bedekt met een glazuurlaag. Het glazuur is veel harder dan het tandbeen. Omdat de kiezen worden gebruikt bij het vermalen van het voedsel ontstaat er op de kiezen een slijtagepatroon. Niet alleen worden de kiezen op den duur korter, maar ook het beeld van het snijvlak verandert. Aan de hand van veranderingen die optreden aan de kiezen is men in staat de leeftijd van reen bij benadering te bepalen.

Terug naar de homepage van:




VOEDSEL


Voedsel.

Reeën zijn planteneters die met zorg en overleg planten uitkiezen voor de consumptie. Ze eten lang niet alles wat hen voor de bek komt, maar selecteren als fijnproevers. De planten worden beroken alvorens ze worden gegeten. Daarnaast bestaat er een persoonlijke voorkeur van ieder ree afzonderlijk voor bepaalde plantensoorten. Ook kalveren worden opgeleid in het maken van een voedselkeuze doordat ze vlak naast de bek van de moeder eten. De meeste plantensoorten dienen slechts enkele weken of enige maanden als voedsel, omdat vele planten een korte groeitijd doormaken, maar het kan ook zijn dat in de loop van de tijd de verteerbaarheid en de smakelijkheid van de planten is teruggelopen. Melchiar analyseerde in 1960 een aantal pensinhouden en verkreeg het volgende resultaat:

62% bladeren en knoppen van bomen en struiken; 10% grassen;
16% kruiden;
12% lagere planten zoals korstmossen en paddestoelen.

Bladeren van bomen en struiken worden met graagte gegeten, zo mogelijk het gehele jaar door. De braam en de klimop behouden ook in de winter hun bladeren en deze planten worden dan ook vaak door reeën bezocht. Tijdens barre winterse omstandigheden eten reeën zelfs hulst en rhododendronbladeren, terwijl ook de twijgen en bast van naaldbomen dan niet worden versmaad. In de herfst vormen eikels en beukenootjes hun voedsel. Zelfs paddestoelen worden in de pensinhouden aangetroffen. Dat het voedsel gevarieerd is, bleek wel uit onderzoek. Men vond dat van de 500 plantensoorten die in het onderzochte gebied in Zwitserland groeiden er 70% werden gegeten. In Duitsland vond men in 1958 63% van de 160 plantensoorten uit een bepaald terrein in de pensinhoud van reeën terug. De onderzoeker vond dat vooral gedurende de herfst- en voorjaarsmaanden veel voedsel werd opgenomen. De verhoogde behoefte aan voedsel in de herfst lijkt noodzakelijk. Hierdoor wordt een reservevoorraad vet aangelegd, om een komende voedselarme periode te overleven. Het is gebleken dat in de winter de stofwisseling van reeën minder intensief is, waardoor er minder voedsel verbrandt. De verhoogde eetactiviteiten in het voorjaar staan in verband met de voedselschaarste in de winter, waardoor de dieren op hun reserves inteerden, en ook aan de toegenomen sociale spanningen binnen de sprong.

Reeën laveien voornamelijk overdag. Per dag wordt ongeveer 10 keer het voedsel verzameld, waarna rustpauzes volgen om het voedsel te herkauwen. Een ree van 25 kg eet in 24 uren ongeveer 1,5 kg voedsel. Het is merkwaardig dat reeën goed gedijen als er geen water in de buurt is. Hoogst zelden zal men dan ook een ree zien drinken. Doordat reeën in de vroege ochtend gaan fourageren worden er planten gegeten die nog met dauw zijn bedekt. Kennelijk wordt er dan met het voedsel voldoende water opgenomen, zodat de behoefte hierdoor wordt gedekt.

Terug naar de homepage van:




TERRITORIUM


Territorium.

Veel hoefdieren brengen hun hele leven in groepsverband door. Een kudde biedt voordelen, zoals bescherming tegen roofdieren, maar heeft ook zijn nadelen omdat de voedselconcurrentie binnen de groep erg groot is. Veel hertensoorten, zoals edelherten en damherten leven in kuddeverband. Reeën echte, verenigen zich niet tot kudden, maar vormen uitsluitend in de winter kleine groepjes van twee tot vijf dieren, die sprongen worden genoemd. In de loop van het voorjaar valt zo'n sprong weer uit elkaar.

Een terrein wordt door de reeën onderling verdeeld in een aantal leefgebieden, waarbinnen de dieren hun normale activiteiten vertonen zoals eten, slapen, paren en jongen groot brengen. De grootte van zo'n leefgebied varieert en is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die er in voorkomt, het jaargetijde en de dekkingsmogelijkheden. Is er veel voedsel in het leefgebied aanwezig dan wordt de oppervlakte kleiner. In terreinen met weinig dekking zijn de leefgebieden aanzienlijk groter dan in gebieden met veel verschuilmogelijkheden. De leefgebieden waarin de dieren zich thuisvoelen kunnen zowel door alleenstaande dieren als door sprongen worden bewoond.

Territoriumafbakening.

Reebokken bakenen binnen een leefgebied een speciaal terreingedeelte af, dat territorium wordt genoemd. Dit territorium wordt verdedigd tegen seksegenoten en van merktekens voorzien.

Merktekens.

De bokken markeren het gebied onder andere met 'veegboompjes'. Dit zijn meestal jonge boompjes, waarvan met het gewei de bast wordt afgeslagen, zodat de stammetjes als opvallend witte seinpalen in het terrein staan. Bovendien voorziet de bok zo'n 'veegboom' ook van een geur, door de stam met een geurstof in te smeren die uit zijn voorhoofdsklier komt. Vaak worden kop en hals langs de ingesmeerde boom gestreken, zodat de bok geparfumeerd door zijn territorium trekt. Regelmatig patrouilleert hij door dat terreingedeelte en voorziet het steeds van verse merktekens. Meestal maakt de bok tijdens deze tocht gebruik van wissels die in het terrein zijn ingesleten, waarbij hij ook geurstoffen afzet aan overhangende takken. Ook maakt de bok, vooral in de vroege ochtenduren, ietwat blaffende geluiden, die tot in de verre omtrek goed hoorbaar zijn. Dit zou wel eens een plaatsaanduiding kunnen zijn van de territoriale bok.

Territoriaal gedrag.


Wanneer in het vroege voorjaar de reeën nog in sprongen bijeen zijn beginnen de volwassen bokken zich agressief te gedragen, vooral ten aanzien van andere bokken, maar ook de overige spronggenoten moeten het vaak ontgelden. De bokken dreigen nu erg vaak naar de andere reeën, waarbij de oren in de nek worden gelegd en het gewei gepresenteerd.

Oude bokken vertonen dit agressieve gedrag eerder in het voorjaar dan jongere dieren. Vaak is alleen een dreighouding van een oudere bok voldoende om een jonger dier het veld te laten ruimen. Er heerst onder reebokken dan ook een uitgesproken ouderdomsdominantie. Oudere bokken zetten vroeg in het voorjaar een territorium af, terwijl het territoriale gedrag bij jongeren dan nog onvoldoende aanwezig is. Hierdoor zijn de ouderen in staat zich als eerste te vestigen en ze doen dit bijna altijd in hetzelfde territorium, dat ze reeds jaren hebben verdedigd.

Territorium-jaargetijde.

Eind maart, begin april beginnen vooral de oude bokken een grondgebied af te bakenen. Gedurende deze periode worden ze vaak gezien en vertonen ze herhaaldelijk het territoriale gedrag. In de maanden april en mei worden dagelijks inspectietochten door het territorium gemaakt. In de maand juni wordt dit gedrag minder waargenomen, maar omstreeks half juli, begin augustus is het met al zijn hevigheid weer aanwezig. Dit is het tijdstip waarop de bronst valt en de bokken geen concurrentie wensen. In de nazomer neemt het territoriale gedrag af en sluit de bok zich weer bij een gezinssprong aan.

Territorium-afmeting.

Het gebied dat de bok jaarlijks doorkruist kan afhankelijk van de terreinomstandigheden variëren van 20 tot 200 hectaren en is aanzienlijk groter dan zijn territorium. De gemiddelde grootte van een reebokterritorium in vele landen van Europa schommelt tussen de 7 en 12 hectaren. Het is niet uitgesloten dat een groter gebied niet verdedigbaar is. Wordt het gebied kleiner dan 7 hectaren dan bestaat de mogelijkheid dat er voor de bok te weinig voedsel aanwezig is. Geiten worden in het territorium van een bok wel getolereerd. Zijn gebied overlapt terreintjes van meerdere geiten.

Territorium-functie.

Het verschijnsel territorium komt bij vele, niet verwante diersoorten voor. Doordat het dier zich binnen dat terreingedeelte nogal opvallend gedraagt zal de kwetsbaarheid ten aanzien van roofdieren worden vergroot. Vandaar dat men mag veronderstellen dat territoriumbezit voordelen biedt. Hier volgen enige veronderstellingen:

1. Doordat de dieren in territoria leven zijn ze verspreid over een gebied en dit zou enige bescherming kunnen bieden tegen roofdieren.
2. De bok kan, niet gehinderd door rivalen, met een geit paren.
3. Door territoria wordt overbevolking tegengegaan, omdat de dieren die zich niet hebben kunnen vestigen het terrein worden uitgestuurd.
4. Binnen het territorium verzekert het dier zich van voldoende voedsel en rustplaatsen, hetgeen vooral tijdens de aanwezigheid van de jongen van groot belang is.

Leefgebied-geiten.

Ook geiten verdelen het geschikte terrein gedurende de zomermaanden met hun seksegenoten. De gebieden waar de geiten zich in de zomer ophouden zijn aanzienlijk kleiner dan de wintergebieden, wat vermoedelijk in de allereerste plaats te danken is aan een beter voedselaanbod. Daarnaast is ook de geringere actieradius van de kalveren bepalend voor de afmeting van het gebied. De terreingedeelten van verschillende geiten kunnen elkaar overlappen. Bij een geringe reedichtheid zullen de jonge reegeiten terreinen opzoeken die nog niet door geiten met kalveren zijn bezet. Is de reegeitdichtheid hoog dan worden juist deze dieren steeds weer verdreven door vreemde oudere geiten. Niet verwante geiten zijn aanzienlijk minder verdraagzaam ten opzichte van elkaar dan dieren met nauwe familiebanden. Vaak worden moeilijkheden voorkomen doordat de dochter zich vestigt in een gebied naast dat van de moeder.

Terug naar de homepage van:




GEWEI


Functie.

Veel hoefdiersoorten hebben kopsieraden zoals horens of geweien. Men neemt aan dat deze organen zich in eerdere tijdvakken hebben ontwikkeld als bescherming tegen roofdieren. Toch is uit onderzoek gebleken dat kopsieraden nu in de eerste plaats worden gebruikt als imponeerorgaan tegen soortgenoten. Horens en geweien maken de dieren groter en indrukwekkender, waardoor hun positie binnen de groep wordt verstevigd zonder dat het tot bloedvergieten komt. Runderen, schapen, geiten en antilopen dragen horens, die het gehele leven blijven doorgroeien. Herten hebben geweien, die ieder jaar worden vervangen. Doordat het gewei jaarlijks wordt afgeworpen, bestaat de mogelijkheid voor een hert om binnen de groep van plaats te veranderen.

Reebokken dragen vergeleken met andere hertensoorten geweien die eenvoudig zijn van bouw en gering van omvang: het geweigewicht bedraagt hier slechts 2% van het lichaamsgewicht. Misschien is bij reeën de geweiontwikkeling voor de soortgenoten wel van een ondergeschikt belang omdat er onder de bokken toch al een uitgesproken ouderdomsrangorde heerst. Zo zijn er oude reebokken die, ondanks dat ze een slecht ontwikkeld gewei dragen, toch de beste plekken in het terrein hebben veroverd. Zoals reeds vermeld zijn het vooral de oudere bokken die het eerst in het voorjaar een territorium innemen. Omdat de gewei-opbouw tijdens de wintermaanden en het afbakenen van een territorium in het vroege voorjaar extra energie vergen, bestaat de mogelijkheid dat hier een natuurlijk selectiemechanisme werkt en dat alleen de bokken die over de beste conditie beschikken aan de instandhouding van de soort mogen deelnemen.

Hormonen.

Het groeiproces van het gewei wordt geregeld door hormonen, waarbij het geslachtshormoon, testosteron, een belangrijke rol speelt. Wordt de balzak van een volwassen reebok, die zijn gewei heeft geveegd, beschadigd, dan werpt hij kort daarop het gewei af en begint met de opbouw van een nieuw, vaak met een afwijkende vorm.

Pruikbok.

Krijgt een bok dezelfde verwonding terwijl hij een bastgewei draagt, dan vindt er geen afworp plaats, maar groeit het met bast bedekte gewei door tot een volledig afwijkende vorm. Deze bokken worden naar dit woekerende gewei pruikbokken genoemd.

Van afworp tot vegen.

Gedurende de wintermaanden wordt het gewei van een reebok opgebouwd en er liggen ongeveer 20 weken tussen het afwerpen van het oude gewei en het vegen van het nieuwe. Direct nadat het gewei is afgeworpen wordt er begonnen met de opbouw van een nieuw. Vanaf de rozenstokken, gemaakt vanuit de omhullende huid begint de constructie van het gewei. Vlak onder de top bevindt zich een steeds delende cellaag waardoor het gewei groeit. Daarna verbenen langzamerhand de reeds gevormde cellen. Met de bloedvaten, die oppervlakkig liggen worden bouwstoffen aangevoerd. Tijdens de bouw bestaat er kans op beschadiging, hetgeen vooral in strenge winters het geval is. In de huid lopen ook zenuwen, waardoor het gewei erg gevoelig wordt en dat is dan ook de reden dat er in deze periode niet met het gewei wordt gevochten. Wanneer het gewei is voltooid wordt de bloedtoevoer verminderd en de huid sterft af en wordt weldra afgeveegd.

De kleuring.

Het pasgeveegde gewei is wit van kleur en krijgt pas later een donkere tint. Op welke wijze deze kleuring ontstaat is niet duidelijk. Hierover bestaan verschillende theorieën. De kleuring zou kunnen ontstaan doordat er plantesappen op het gewei inwerken, maar er wordt ook gesuggereerd dat de kleurstoffen van de dieren zelf afkomstig zijn. Maar over het algemeen ziet men wel invloed van de vegetatie op de kleur van de geweistangen.

De vorm en de leeftijd.

Op het voorhoofdsbeen van de reebok staan uitwassen, genaamd rozenstokken, waarop de geweien worden gevormd. Dit begint al op jonge leeftijd. Drie a vier maanden na de geboorte beginnen de reebokjes met de aanleg van hun eerste gewei. Er zijn dan miniem kleine haarkwasties te zien, waarvan de huid na enkele weken afsterft. Daarna komen er beenknopjes tevoorschijn. Meestal worden deze na korte tijd afgeworpen, waarna er wordt begonnen met de opbouw van het 'echte' gewei.

De basisvorm van het reeëngewei bestaat uit drie uiteinden (takken) per gewelstang. De hoofdstang vertakt zich in een voor- en achterzak, waarvan de achterzak weer twee uiteinden bezit. De voortak wordt oogtak genoemd. Toch wordt van deze vorm afgeweken; er komen anders gevormde geweien voor. Het gewei, opgebouwd in een jaargetijde waarin weinig voedingsstoffen aanwezig zijn, kan door een tekort aan bouwstoffen vervormd raken. Naast voedsel spelen onder andere de reedichtheid, de mate van verstoring en de klimaatsinvloeden een belangrijke rol bij de gewei-opbouw.

Er zijn bokken met twee onvertakte geweistangen, die spitser worden genoemd. Vaak moeten deze dieren tot de zeer jonge of de erg oude bokken gerekend worden. Naast spitsergeweien komen gaffelgeweien voor, waarbij de hoofdstang is vertakt in een voor- en achterzak, bij zowel de jonge als de oude bokken. Vaak onderscheidt men de bokken naar de vorm van het gewei, zoals spitser, gaffel en zesender, maar toch is dit geen ontwikkelingsreeks. Een bok in zijn eerste jaar hoeft geen spitser te zijn, in zijn tweede geen gaffel en in zijn derde jaar geen zesender. Een nog steeds voortlevend sprookje is het verhaal dat het gewei er ieder jaar een tak bij zou krijgen en dat men aan de hand van het aantal uiteinden de leeftijd van de bok zou kunnen bepalen. Wel dragen vele bokken van drie jaar en ouder een zesender gewei. Het hoogtepunt van de geweiontwikkeling ligt bij de reebokken rond of na het vijfde levensjaar, maar dit is ook weer afhankelijk van vele factoren.

Ook de rozen en de bepareling van het gewei kunnen aanwijzingen geven omtrent de leeftijd. Rozen rond de geweibasis duiden op een gevorderde leeftijd, terwijl de bepareling van het gewei gedurende het ouder worden toeneemt om in een later stadium weer af te nemen.

Knopbok.

In verscheidene gebieden in ons land komen jaarlingbokken voor die een gewei dragen dat slechts uit twee knopjes bestaat. Ook ligt het gewicht van deze dieren aanzienlijk onder dat van een normaal ontwikkelde jaarling. Deze dieren, een produkt van hun omgeving, groeiden meestal op in een terrein met een te hoge reedichtheid. De voedselconcurrentie was hoog en hierdoor kregen ze weinig voedsel, meestal van slechte kwaliteit, weinig rust om de voedingsstoffen te verteren. Mede daardoor wordt de lichaamsconditie minder en de kans op infectie door parasieten is erg groot. Het voorkomen van deze dieren is een aanwijzing omtrent de reedichtheid van het terrein.

Terug naar de homepage van:




GEDRAG


Kalveren.

In het voorjaar worden de kalveren geboren. Het smalree krijgt in het algemeen één jong, de oudere geiten twee, terwijl er zo nu en dan geiten met een drieling voorkomen. De geit zoekt een plaats waar de kalveren geboren zullen worden. Deze plek moet een schuilplaats zijn voor de jongen. Omdat de kalveren de eerste weken na de geboorte de geit nog niet volgen en verstopt in het terrein blijven liggen, moet die ligplaats droog zijn. Er is in de eerste dagen na de geboorte weinig contact tussen moeder en kind. Het kalf is nog reukloos en de geit reageert vooral op geluidssignalen van het kalf. De lichaamsgeur van het kalf wordt later een belangrijk herkenningsmiddel voor de geit. Het is van groot belang voor de kalveren dat ze juist in de eerste levensfase reukloos zijn, omdat ze dan moeilijk worden gevonden door roofdieren. De kalveren van één geit kunnen vlak bij elkaar liggen; meestal bedraagt de afstand zo'n 10-20 meter.

De kalveren zijn in de eerste periode aangewezen op moedermelk. Omdat de kalveren de geit nog niet volgen wachten ze in de dekking totdat de moeder langs komt om hen te zogen. Dit zogen duurt erg kort en wordt door de moeder onderbroken door eenvoudig weg te lopen. Vlak na de geboorte beginnen de kalveren op uitwerpselen te kauwen, wat wel eens belangrijk zou kunnen zijn voor de darmbeweging en de ontwikkeling van micro-organismen in het darmkanaai. Weldra gaan de kalveren aan planten knabbelen. Toch zijn ze tot in de zomer op de melk van de moeder aangewezen, waarna wordt overgegaan op plantaardig voedsel.

Gezinssprong.

In de vroege zomer volgen de kalveren de geit. Deze familie- eenheid wordt gezinssprong genoemd. Naast het gebruikelijke slapen en eten oefenen de kalveren zich nu ook in het spelen. Hierbij springen ze met stijve poten, ze stoten met de koppen tegen elkaar en gedurende deze spelletjes achtervolgen ze elkaar met grote snelheid. Al spelend leren de dieren erg veel. Tevens wordt de plaats in de reeënrangorde vastgelegd, die belangrijk is voor het verdere leven. Het spel bevat dan ook elementen als dreigen, imponeren en deemoedshoudingen die gemoedstoestanden uitdrukken.

Rangorde.

Binnen de gezinssprong heerst een duidelijke hierarchie, waarbij de geiten hoger op de sociale ladder staan dan de kalveren. Ook tussen volwassen geiten heerst een rangordesysteem, waarbij de hoger geplaatste dieren een betere voedselplek hebben. Dit zal vooral tijdens strenge winters, wanneer het voedsel schaars en moeilijk bereikbaar is, tot uiting komen.

Wintersprong.

In de herfst wordt de gezinssprong uitgebreid met een smalree, een vrouwelijk kalf van het vorige jaar, en een volwassen bok. Dit groepje dieren wordt wintersprong genoemd. Reeën komen ook wel in grotere groepen voor, maar dit zijn meestal 'noodsprongen' waarbij zich enige wintersprongen hebben verenigd. Het tekort aan voedsel brengt de sprongen bij elkaar op plaatsen waar nog iets te eten valt. Toch mijden de dieren binnen de 'noodsprongen' elkaars aanwezigheid en blijven ze op afstand.

Agressief gedrag.

Agressief gedrag binnen de soort is erg belangrijk. Hierdoor wordt een rangordesysteem opgebouwd, territoria worden afgebakend en overbevolking wordt voorkomen. Daarom is het nuttig voor dieren, die in groepen leven, dat er een rangordesysteem bestaat. Eik dier heeft binnen de groep door een leerproces een bepaalde positie veroverd. Het weet hoe een hoger geplaatste moet worden gemeden en op welke wijze een lager geplaatste geintimideerd kan worden.

Samenwerken.

Tijdens de wintermaanden vallen de activiteiten van de reeën in een wintersprong samen. Doordat de dieren tegelijk gaan slapen, eten, voedsel zoeken en herkauwen wordt de onrust tot een minimum beperkt zodat er weinig energie verloren gaat. Tijdens het rusten, waarbij de leden van een wintersprong zo'n 3-6 meter van elkaar liggen, kijken de dieren in verschillende richtingen, waardoor er een groot gezamenlijk gezichtsveld ontstaat.

Zelfstandig worden.

In het volgende voorjaar wordt de band tussen de geit en haar kalveren losser, de jonge dieren treden zelfstandiger op en verwijderen zich steeds verder van de moeder. In deze periode wordt de volwassen bok agressiever, waardoor de onrust binnen de wintersprong toeneemt. Deze agressie richt zich vooral tegen bokkalveren, die op deze wijze uit de sprong worden verdreven. Het zijn vooral de fors uitgegroeide bokkalveren die ook nog volwassen gedrag vertonen, die het eerst worden weggejaagd. Tegen de tijd dat de volwassen geit nieuwe kalveren gaat krijgen vertrekken ook de geitkalveren.

Verspreiding.

Dit migreren van deze jonge dieren is uiterst belangrijk voor de verspreiding van reeën, niet alleen voor het aantal dieren per oppervlakte-eenheid, maar ook voor het in bezit nemen van reelege terreinen in Nederland. Men veronderstelt dat op deze wijze bijvoorbeeld de IJsselmeerpolders door reeën werden bevolkt.

Functie van de spiegel.

Reeën gedragen zich tijdens de wintermaanden socialer dan in de zomer. Dit valt ook af te leiden uit het winterhaarkleed, dat zo'n duidelijke spiegel heeft. Er zou wel eens verband kunnen bestaan tussen het leven in groepsverband en het voorkomen van de opvallende spiegel. Bovendien kunnen de reeën de haren van de spiegel rechtop zetten, waardoor deze vlek wordt vergroot. Dit vergroten gebeurt onder bepaalde omstandigheden, wanneer het dier vlucht, dreigt, zich poetst of ontlast. Het lijkt aannemelijk dat de spiegel van belang is om de sprong bijeen te houden, vooral tijdens de vlucht.

Omdat reeën vooral gedurende de schemeruren actief zijn, en de kans op verstoring groter wordt, kunnen ze elkaar tijdens een vlucht gemakkelijk kwijtraken, maar deze kans wordt aanzienlijk geringer doordat ze zich richten naar de spiegel van een spronggenoot. Op deze wijze houdt de spiegel de sprong bij elkaar en wordt er voorkomen dat er met zoekacties energie verloren zou gaan. Dit voordeel weegt blijkbaar op tegen het nadeel dat de opvallende spiegel in gebieden waar wolven en lynxen voorkomen reeën juist extra opvallend en daarmee uiterst kwetsbaar maakt.

Terug naar de homepage van:




REEKALFJES


Camouflage.

In de maanden mei, juni en juli bestaat de kans dat wandelaars in bos en beemd plotseling een reekalf vinden. Meestal ligt het 'zielig' alleen, geen reegeit in de buurt te bespeuren, en snel concludeert men dat het diertje wel verlaten zal zijn. Bijna iedereen krijgt bij het zien van zoveel hulpeloosheid de neiging het diertje op te pakken, mee te nemen en groot te brengen. Toch moet er met nadruk op worden gewezen dat deze kalveren niet verlaten zijn, maar alleen doen wat Moeder Natuur hen voor eigen veiligheid heeft meegegeven, namelijk héél stil blijven liggen.

Dit doodstil liggen vormt in combinatie met het vlekkenpatroon op de huid en het praktisch reukloos zijn een uitstekende camouflagetechniek. Wanneer de reegeit zich voortdurend in de directe omgeving van haar kalf zou ophouden dan vestigde ze juist extra de aandacht van de roofdieren op de jonggeborene. Roofdieren zijn in staat verband te leggen tussen de aanwezigheid van de reegeit en het ergens verborgen liggen van haar jongen. Dit zou een intensieve speuractie tot gevolg hebben waarbij de roofdieren er meestal in zullen slagen het kalf, ondanks zijn fantastische camouflage, te vinden.

Het kalf vertrouwt ook blindelings op deze camouflagetechniek, die ook wordt toegepast onder omstandigheden waarin het juist wel opvalt. Steekt bijvoorbeeld een geit met kalf een weg over en springt de geit plotseling gealarmeerd weg dan zakt het kalf door de poten en blijft roerloos liggen, maar is op deze rijweg extra opvallend. Ondanks de vele berichten, die regelmatig in de pers verschijnen, dat reekalveren niet in de steek worden gelaten blijft het fabeltje over die verlaten beestjes hardnekkig de ronde doen.

Terug naar de homepage van:




VOORTPLANTING


Territoriuminspectie.

De paartijd, de bronst, van onze reeën valt in het hartje van de zomer vanaf half juli tot aan half augustus. Begin juli begint de territoriale bok zijn, in het voorjaar afgezette terrein, te inspecteren en opnieuw merktekens te plaatsen. Hij maakt weer dagelijks zijn 'rondes' en is bovendien erg agressief, hetgeen hij uit door te 'vechten' met struiken en overhangende takken. Indringende bokken worden subiet verwijderd.

Liefdesspel.

Bovendien begint hij duidelijk belangstelling voor geiten te vertonen. Met de neus langs de grond loopt de bok, als een jachthond, door zijn revier: kennelijk speurt hij naar stoffen uit de reukklieren van de poten van de geiten. Tijdens dit speuren kan hij plotseling stoppen en teruglopen: hij is duidelijk iets op het spoor. Tegelijkertijd bevochtigt hij met zijn tong de neusgaten, vermoedelijk om de geur beter op te vangen. Is de geit eenmaal gevonden dan achtervolgt hij haar, terwijl ze voortdurend wegloopt.

De toenaderingspogingen zijn nogal heftig en de geit reageert op deze woeste liefdesverklaring met uiineren en ontlasten. De bok ruikt aan deze geloosde urine en toetst deze, waarbij hij een merkwaardig gedrag vertoont. Hierbij wordt de bovenlip opgetrokken en lucht opgesnoven terwijl de kop in verschillende richtingen wordt gedraaid. Deze handeling wordt 'flehmen' genoemd, en komt niet alleen bij reeën maar ook bij andere hoefdiersoorten voor. Kennelijk krijgt de bok uit de urine informatie omtrent haar bronstigheid.

Tijdens het liefdesspel achtervolgt de bok de geit, waarbij laatstgenoemde in het begin van de kennismaking de bok op afstand houdt. Naarmate bij de geit het tijdstip van de eisprong nadert laat ze de bok dichterbij komen. Dan lopen de reeën vlak achter elkaar - dit wordt drijven genoemd - ze draaien 'achtjes' in het terrein zodat er heksenkringen ontstaan. Ondertussen controleert de bok voortdurend haar geslachtsopening, maar de geit bepaalt het tijdstip waarop ze gedekt wordt. Het tweetal blijft enige dagen bij elkaar, ook nadat de dekkingen zijn voltooid. De geit wordt meerdere keren door dezelfde bok gedekt.

Bronst is voor beide geslachten een afmattende bezigheid en de dieren laveien, herkauwen en rusten tussen het liefde bedrijven door. De kalveren worden tijdens de bronsthandelingen niet echt verdreven, maar trekken zich vaak in het struweel terug als de volwassen dieren te heftig in elkaar opgaan.

Hormonen.

De bronst wordt gestuurd door hormonen. Dit geldt niet alleen voor het erbij behorende gedrag maar, ook voor de rijping van de eitjes in de elerstok van de geit en de vorming van zaadcellen door de bok. De dieren zijn alleen gedurende zo'n vier weken in de zomer seksueel actief. Dan is bij de volwassen bokken de produktie van zaadcellen het grootst, maar het is gebleken dat bij enkele jonge reebokken de aanmaak van zaadcellen ook in de maanden november en december kan gebeuren. De meeste geiten worden tijdens de zomerse bronstperiode gedekt, maar er is een aantal dat in deze tijd niet bronstig wordt, maar wel tijdens de wintermaanden. Deze geiten kunnen worden gedekt door de jonge, dan zaadcellen producerende, bokken.

Ontwikkeling embryo.

Na de bronst duurt het 10 maanden voordat de kalveren worden geboren. Dit is een opmerkelijk lange draagtijd voor een diersoort van een dergelijke afmeting. Er gebeurt bij reeën dan ook iets wonderbaarlijks. De bevruchte eicellen beginnen zich te delen en vestigen zich als kiem in de baarmoeder, maar aan de wand hiervan kunnen ze zich niet vasthechten omdat hiervoor geen hormoonbericht is afgegeven. De klemcellen houden zich in leven met een melkachtige stof. Pas half december is dat bewuste hormoon wel aanwezig en nestelt de klem zich in de baarmoederwand waarna de groei begint.

Bij de meeste zoogdieren nestelt het bevruchte eitje zich direct in de baarmoederwand waarna de groei begint. Deze vertraagde innesteling heeft een duidelijke functie, omdat op deze manier de kalveren in het voorjaar geboren worden, een tijd waarin er voldoende voedsel is. Wanneer het eitje direct na de bevruchting zou gaan groeien, zouden de kalveren in het hartje van de winter ter wereld komen, midden in een periode met slechte weersomstandigheden waarin ook weinig voedsel aanwezig is. De kalversterfte zou dan zeer hoog zijn en de diersoort zou ernstige schade oplopen. De bronst is energieverslindend en het lijkt waarschijnlijk dat tijdens de evolutie van de reeën deze bronst, die vrgeger misschien in de winter plaatsvond, naar een ander tijdstip is verschoven, waarin voldoende voedsel aanwezig is.

Terug naar de homepage van: