Voor de meeste mensen zijn uilen misterieuze vogels. Je ziet ze zelden, hooguit als een schim in de schemering en verder komen er alleen (angstaanjagende) geluiden uit het bos, een holle boom, oude schuur of kerktoren wanneer de uilen in de nacht actief zijn.
Muizen. Uilen hebben ontzettend goede ogen, waarmee ze vele malen beter in het donker kunnen zien dan mensen. Ook hun gehoor is vele malen beter dan dat van ons. Bovendien bezitten uilen een sterke, gebogen snavel en stevige klauwen met vlijmscherpe nagels. En de veren van hun vleugels hebben fijn vertakte donsachtige uiteinden die ervoor zorgen dat ze geluidloos kunnen vliegen. Al deze hulpmiddelen zijn nodig om succesvol te kunnen jagen op muizen en andere 'lekkere hapjes'.
Als het buiten donker wordt, gaan de uilen op jacht. Het hoofdvoedsel van uilen bestaat uit muizen: veldmuizen, bosmuizen, spitsmuizen en woelmuizen. Daarnaast eten uilen ook grotere zoogdieren, zoals jonge hazen, konijnen en mollen. En als er een tekort is aan muizen, vangen uilen ook wel eens kleine vogels, padden, kikkers of insecten. Meestal gaan de grote uilen op de grote prooien af en beperken de kleine uilen zich tot de kleine prooien.
Braakballen. Uilen eten hun prooien helemaal op. Zelfs haartjes, veertjes en botjes gaan mee naar binnen. Maar niet alles is even goed verteerbaar. De onverteerbare delen worden door de uilen uitgebraakt in de vorm van ballen. Deze ballen worden braakballen of uilenballen genoemd. Als je ergens een braakbal vindt, dan weet je dat er uilen in de buurt zijn. Het is heel interessant om een braakbal uit elkaar te halen, want je kunt dan precies nagaan wat de uil gegeten heeft. Als je een braakbal even in warm water legt, valt hij gemakkelijk uit elkaar. Daarna kun je met een pincet en een vergrootglas de onderdeeltjes van de braakbal verder uit elkaar halen en bekijken.
Roestplaats. Overdag slapen de meeste uilen. Dat doen ze op een vaste plaats, die de roestplaats genoemd wordt. Uilen zijn op hun roestplaats heel moeilijk te ontdekken. De ransuil kan het beste verstoppertje spelen. Hij zit het liefst hoog in een boom, zo dicht mogelijk tegen de stam aangedrukt. De steenuil speelt minder graag verstoppertje. Je kunt hem overdag nog wel eens zien zitten op een paaltje in het weiland.
Voor alle uilen geldt dat ze een schutkleur hebben, waardoor ze zo min mogelijk opvallen in hun natuurlijke omgeving. Zo heeft de bosuil bijvoorbeeld een vrij donker verenkleed, terwijl het verenkleed van de (niet in Nederland voorkomende) sneeuwuil grotendeels wit van kleur is.
Nesten. Uilen besteden weinig tijd aan het maken van een nest. Veel uilen leggen hun eieren in verlaten nesten van andere vogels. Daarnaast behoren holten, nissen en spleten tot de favoriete nestelplaatsen van veel uilen. Er zijn ook uilen die op de grond nestelen, zoals de velduil en de (niet in Nederland voorkomende) sneeuwuil. En de steenuil nestelt graag in knotwilgen en op oude leegstaande zolders.
De eieren van uilen zijn rond. Zodra het vrouwtje haar eerste ei gelegd heeft, begint ze met broeden. Tijdens het broeden legt ze de andere eieren. Het eerstgelegde ei komt als eerste uit en het laatstgelegde ei als laatste. Het eerstgeboren jong en het laatstgeboren jong zullen dan ook zichtbaar verschillen in grootte. Het jong dat het hardste bedelt en het verst zijn bekje openspert, krijgt van zijn ouders het meeste eten. Hierdoor gebeurt het nog wel eens dat het kleinste en zwakste jong van de honger om komt.
Uilskuikens.
Jonge uilen worden uilskuikens genoemd. Het aantal uilskuikens dat geboren wordt, hangt onder meer af van de hoeveelheid voedsel die de uilen tot hun beschikking hebben. Als er veel voedsel aanwezig is, zullen er veel uilskuikens geboren worden. Als er weinig voedsel is, zullen er minder uilskuikens ter wereld komen.
Pasgeboren uilskuikens zijn helemaal bedekt met witte, zachte donsveertjes. Na verloop van tijd maken de donsveertjes plaats voor een echt verenkleed. Uilskuikens groeien hard. Binnen amper zeven weken zijn ze even groot als hun ouders. De tijd is dan gekomen om te leren vliegen en jagen. Als de winter aanbreekt worden de uilskuikens door hun ouders weggejaagd en moeten ze helemaal voor zichzelf zorgen. De jongen die niet sterk genoeg zijn, zullen omkomen van de honger. De sterkste uilen zullen overblijven.
Zeldzaam. Voor alle soorten uilen in Europa geldt dat ze vrij zeldzaam zijn. Het aantal uilen is in de loop van de jaren sterk afgenomen. Heel vroeger werden uilen doodgemaakt omdat de mensen toen dachten dat uilen ongeluk brachten. Tegenwoordig zijn de meeste mensen het erover eens dat uilen hele mooie en nuttige dieren zijn. Gelukkig zijn de uilen in Nederland en België; nu ook goed beschermd via de Vogelwet. Er mag niet meer op uilen gejaagd worden en niemand mag meer uilen of eieren van uilen mee naar huis nemen. Maar helaas zijn er nog wel een heleboel andere gevaren waardoor uilen worden bedreigd, zoals: het drukke verkeer, hoogspanningsleidingen en giftige bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Bovendien verdwijnen er steeds meer natuurgebieden en plaatsen waar uilen kunnen nestelen.
De ogen van de uil staan in tegenstelling van de andere vogelsoorten net als bij de mens aan de voorkant van de kop geplaatst. Iedere uil kan zijn kop 270 graden draaien. Een uil kan dus alle kanten uit kijken zonder zijn lichaam te verdraaien.
Echte bosvogel. De bosuil leeft in oudere bossen, parkbossen en halfopen landschapppen met oude laanbomen. Hij is met zijn korte vleugels goed toegerust voor een leven tussen de bomen. Oude loofbossen of gemengde loofbossen met veel oude bomen waarin gebroed kan worden, hebben de voorkeur. Door een toenemende dichtheid van het aantal broedparen in de geschikte leefgebieden, wijken bosuilen steeds vaker uit naar naaldbos. Bij gebrek aan holten wordt daar in bestaande open nesten gebroed. In sommige gevallen heeft de bosuil zijn leefgebied verlegd naar de stad, dit is mogelijk zolang er in de stadsparken maar voldoende oude bomen zijn die hij als rust- en broedplaats kan gebruiken. Het bos in het jachtgebied moet een open bodembegroeïng hebben. Hier jaagt de bosuil 's-nachts op kleine tot middelgrote zoogdieren, vogels en kevers. De bosuil is een sprinter en jaagt tussen en onder de bomen. Ook laat hij zich vanaf een uitkijkpost plotseling op zijn prooi vallen. De bosuil wordt zoals veel soorten uilen, vaker gehoord dan gezien. In februari/maart beginnen bosuilen met het leggen van eieren. Een legsel bevat 2-4 witte ronde eieren (ping-pong balletjes). Er wordt één legsel grootgebracht. Na een maand broeden komen de jongen uit. Zeventien weken later zijn de jonge uilen zelfstandig. Bosuilen zijn strikte standvogels, jonge bosuilen vestigen zich dan ook in de omgeving van de geboorteplaats. Uitgestrekte open gebieden worden door de bosuil niet overgestoken. Hierdoor kan het lang duren voordat geïsoleerd liggende geschikte vestigingsplaatsen worden bevolkt. De bosuil is - we vergeten even de oehoe - fysiek de sterkste uil. Dit kan plaatselijk ten kosten gaan van het voorkomen van de ransuil.
Nestkasten een uitkomst. Oorspronkelijk broedt de kerkuil in donkere holten op zolders van schuren, kerken en oude gebouwen. Door het slopen en renoveren van oude schuren en het afsluiten van kerktorens verdwenen veel natuurlijke nestplaatsen. Tegenwoordig broedt dan ook bijna 80 % van de kerkuilen in nestkasten. Het aantal eieren varieert van 4-7. De eieren worden met een tussenpauze van 2-3 dagen gelegd. Het vrouwtje begint vanaf het eerste ei te broeden, terwijl het mannetje haar van voedsel voorziet. Na dertig dagen komen de jongen met tussenpozen uit en verschillen sterk in leeftijd. In periode van voedselschaarste verhongert het kleinste jong. Verzwakte of dode jongen worden door de oudere jongen als prooi gezien en opgegeten, Dit gedrag wordt bij meer uilen en roofvogels waargenomen. In voedselrijke jaren vormen twee soms zelfs drie broedsels geen uitzondering. Jongen vestigen zich meestal binnen een straal van 100 km van hun geboorteplaats. De helft van het aantal jongen vestigt zich zelfs binnen een straal van 20 km. Kerkuilen komen tijdens strenge winters in de problemen, er kan dan sprake zijn van grote sterfte.
Veel verkeersslachtoffers. Begin jaren zestig restten, na de strenge winter van 1963, nog slechts 100 broedparen. Daarna is de stand wel weer toegenomen maar volledig herstel is nog nooit bereikt. De kerkuil staat daarom ook op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland. Het hoge aantal verkeersslachtoffers dat jaarlijks valt, staat het volledig herstel ernstig in de weg. Dit aantal verkeersslachtoffers is zo hoog omdat kerkuilen veelal op de muizenrijke wegbermen zijn aangewezen om te jagen, aangezien de kwaliteit van het landelijk gebied is achteruitgegaan. Eind jaren tachtig is een opvallende uitbreiding waar te nemen. Deze uitbreiding hangt nauw samen met de activiteiten van de kerkuilenwerkgroepen. Zo zijn op veel geschikte lokaties nestkasten opgehangen. De nieuw geplaatste nestkasten worden uitermate snel door de kerkuil in gebruik genomen.
Muizenstand van grote invloed. Het broedsucces van de kerkuil kan nogal wisselen. Zo werd 1997 gekenmerkt door een lage veldmuizenstand. Veldmuizen vormen de belangrijkste voedingsbron voor kerkuilen. Veel kerkuilen zijn daardoor niet tot broeden gekomen. In 1996, een jaar met veel muizen, broedden er 1400 kerkuilenparen in Nederland. Daarentegen kwamen er maar 800 paren tot broeden in 1997. Van de paren die wel tot broeden overgingen lag het aantal uitgevlogen jongen per broedsel ook nog duidelijk lager. Muizen kennen een driejarige cyclus waarbij een geleidelijke toename resulteert in een topjaar gevolgd door een sterke terugval.
Takkelingen. De steenuil broedt in holten van geknotte bomen, soms in schuren of in holen van konijnen. Speciale nestkasten worden ook nogal eens gebruikt door steenuilen. In april-juli wordt één broedsel grootgebracht. Het legsel telt 3-5 eieren. Steenuilen beginnen in tegenstelling tot de meeste uilen pas te broeden als het legsel bijna compleet is. Jonge steenuilen verlaten het nest soms al voordat ze kunnen vliegen. We spreken dan van zogenaamde takkelingen. Dit gedrag treffen we bij meer soorten uilen aan (bos-, rans- en velduil). De jonge uilen ofwel takkelingen worden gewoon door de ouders gevoerd. Na 9 weken zijn de jonge uilen zelfstandig. Gemiddeld slaagt slechts 30 % van de uitgevlogen jongen erin de eerste winter te overleven en het daarop volgende voorjaar een territorium te bezetten. Steenuilen zijn weinig zwerflustig. Oude dieren zijn honkvast en ook de jongen blijven meestal dicht bij hun geboortegrond. Strenge winters met veel sneeuw kunnen dan ook voor problemen zorgen.
Zeldzame broedvogel. De velduil is een weinig honkvaste vogel. Vogels geboren in Nederland kunnen duizenden kilometers noordelijker of oostelijker tot broeden komen. De broedplaats hangt af van de aanwezigheid van woelmuizen of lemmingen. In de winter trekken de meeste velduilen die in Nederland broeden naar het Middellandse-zeegebied en Noord-Afrika. De velduil is nooit erg talrijk geweest in Nederland. De Nederlandse populatie schommelt tussen de 40-60 broedparen, hiervan broedt het grootste deel op de waddeneilanden. Door ontwatering, ontginningen en bebossing is de oppervlakte geschikt broedgebied sinds het begin van deze eeuw sterk afgenomen. Ook de velduil staat daarom op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland.
Komst oehoe niet ondenkbaar. De oehoe neemt met veel verschillende prooien, slaap- en nestplaatsen genoegen. Dit biedt misschien kansen voor een definitieve vestiging in Nederland. Zo vond in 1997 en 1998 een broedgeval van de oehoe plaats in Nederland. Eerdere broedpogingen in Nederland zijn voor iedereen stil gehouden om de vogels niet te verstoren. Het broedgeval vond plaats op de Pietersberg te Maastricht. In 1997 werden er 2 jongen grootgebracht. In Duitsland en België komt de soort, na herintroductie weer als broedvogel voor. Broedgevallen in Nederland zijn echter nog steeds uitzonderlijk.