ALGEMENE INFORMATIE

In Nederland komen, dwaalgasten uitgezonderd, de volgende uilensoorten voor:


Voor de meeste mensen zijn uilen misterieuze vogels. Je ziet ze zelden, hooguit als een schim in de schemering en verder komen er alleen (angstaanjagende) geluiden uit het bos, een holle boom, oude schuur of kerktoren wanneer de uilen in de nacht actief zijn.

Muizen.
Uilen hebben ontzettend goede ogen, waarmee ze vele malen beter in het donker kunnen zien dan mensen. Ook hun gehoor is vele malen beter dan dat van ons. Bovendien bezitten uilen een sterke, gebogen snavel en stevige klauwen met vlijmscherpe nagels. En de veren van hun vleugels hebben fijn vertakte donsachtige uiteinden die ervoor zorgen dat ze geluidloos kunnen vliegen. Al deze hulpmiddelen zijn nodig om succesvol te kunnen jagen op muizen en andere 'lekkere hapjes'.

Als het buiten donker wordt, gaan de uilen op jacht. Het hoofdvoedsel van uilen bestaat uit muizen: veldmuizen, bosmuizen, spitsmuizen en woelmuizen. Daarnaast eten uilen ook grotere zoogdieren, zoals jonge hazen, konijnen en mollen. En als er een tekort is aan muizen, vangen uilen ook wel eens kleine vogels, padden, kikkers of insecten. Meestal gaan de grote uilen op de grote prooien af en beperken de kleine uilen zich tot de kleine prooien.

Braakballen.
Uilen eten hun prooien helemaal op. Zelfs haartjes, veertjes en botjes gaan mee naar binnen. Maar niet alles is even goed verteerbaar. De onverteerbare delen worden door de uilen uitgebraakt in de vorm van ballen. Deze ballen worden braakballen of uilenballen genoemd. Als je ergens een braakbal vindt, dan weet je dat er uilen in de buurt zijn. Het is heel interessant om een braakbal uit elkaar te halen, want je kunt dan precies nagaan wat de uil gegeten heeft. Als je een braakbal even in warm water legt, valt hij gemakkelijk uit elkaar. Daarna kun je met een pincet en een vergrootglas de onderdeeltjes van de braakbal verder uit elkaar halen en bekijken.

Roestplaats.
Overdag slapen de meeste uilen. Dat doen ze op een vaste plaats, die de roestplaats genoemd wordt. Uilen zijn op hun roestplaats heel moeilijk te ontdekken. De ransuil kan het beste verstoppertje spelen. Hij zit het liefst hoog in een boom, zo dicht mogelijk tegen de stam aangedrukt. De steenuil speelt minder graag verstoppertje. Je kunt hem overdag nog wel eens zien zitten op een paaltje in het weiland.

Voor alle uilen geldt dat ze een schutkleur hebben, waardoor ze zo min mogelijk opvallen in hun natuurlijke omgeving. Zo heeft de bosuil bijvoorbeeld een vrij donker verenkleed, terwijl het verenkleed van de (niet in Nederland voorkomende) sneeuwuil grotendeels wit van kleur is.

Nesten.
Uilen besteden weinig tijd aan het maken van een nest. Veel uilen leggen hun eieren in verlaten nesten van andere vogels. Daarnaast behoren holten, nissen en spleten tot de favoriete nestelplaatsen van veel uilen. Er zijn ook uilen die op de grond nestelen, zoals de velduil en de (niet in Nederland voorkomende) sneeuwuil. En de steenuil nestelt graag in knotwilgen en op oude leegstaande zolders.

De eieren van uilen zijn rond. Zodra het vrouwtje haar eerste ei gelegd heeft, begint ze met broeden. Tijdens het broeden legt ze de andere eieren. Het eerstgelegde ei komt als eerste uit en het laatstgelegde ei als laatste. Het eerstgeboren jong en het laatstgeboren jong zullen dan ook zichtbaar verschillen in grootte. Het jong dat het hardste bedelt en het verst zijn bekje openspert, krijgt van zijn ouders het meeste eten. Hierdoor gebeurt het nog wel eens dat het kleinste en zwakste jong van de honger om komt.

Uilskuikens.

Jonge uilen worden uilskuikens genoemd. Het aantal uilskuikens dat geboren wordt, hangt onder meer af van de hoeveelheid voedsel die de uilen tot hun beschikking hebben. Als er veel voedsel aanwezig is, zullen er veel uilskuikens geboren worden. Als er weinig voedsel is, zullen er minder uilskuikens ter wereld komen.

Pasgeboren uilskuikens zijn helemaal bedekt met witte, zachte donsveertjes. Na verloop van tijd maken de donsveertjes plaats voor een echt verenkleed. Uilskuikens groeien hard. Binnen amper zeven weken zijn ze even groot als hun ouders. De tijd is dan gekomen om te leren vliegen en jagen. Als de winter aanbreekt worden de uilskuikens door hun ouders weggejaagd en moeten ze helemaal voor zichzelf zorgen. De jongen die niet sterk genoeg zijn, zullen omkomen van de honger. De sterkste uilen zullen overblijven.

Zeldzaam.
Voor alle soorten uilen in Europa geldt dat ze vrij zeldzaam zijn. Het aantal uilen is in de loop van de jaren sterk afgenomen. Heel vroeger werden uilen doodgemaakt omdat de mensen toen dachten dat uilen ongeluk brachten. Tegenwoordig zijn de meeste mensen het erover eens dat uilen hele mooie en nuttige dieren zijn. Gelukkig zijn de uilen in Nederland en België; nu ook goed beschermd via de Vogelwet. Er mag niet meer op uilen gejaagd worden en niemand mag meer uilen of eieren van uilen mee naar huis nemen. Maar helaas zijn er nog wel een heleboel andere gevaren waardoor uilen worden bedreigd, zoals: het drukke verkeer, hoogspanningsleidingen en giftige bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Bovendien verdwijnen er steeds meer natuurgebieden en plaatsen waar uilen kunnen nestelen.

De ogen van de uil staan in tegenstelling van de andere vogelsoorten net als bij de mens aan de voorkant van de kop geplaatst. Iedere uil kan zijn kop 270 graden draaien. Een uil kan dus alle kanten uit kijken zonder zijn lichaam te verdraaien.

Terug naar de homepage van:






BOSUIL



De bosuil heeft een grote ronde kop met zwarte ogen. Hij is 38 cm groot. Bosuilen kunnen zeer gevarieerd van kleur zijn. De kleur van de bovenzijde verloopt van kastanjebruin naar grijsachtig met donkere lengtevlekken en kleine donkere dwarsstreepjes. De onderzijde van de bosuil is overeenkomstig de bovenzijde maar lichter en met grote bruine lengtestrepen. Kenmerkend zijn de witte vlekken op de schouders.

Echte bosvogel.
De bosuil leeft in oudere bossen, parkbossen en halfopen landschapppen met oude laanbomen. Hij is met zijn korte vleugels goed toegerust voor een leven tussen de bomen. Oude loofbossen of gemengde loofbossen met veel oude bomen waarin gebroed kan worden, hebben de voorkeur. Door een toenemende dichtheid van het aantal broedparen in de geschikte leefgebieden, wijken bosuilen steeds vaker uit naar naaldbos. Bij gebrek aan holten wordt daar in bestaande open nesten gebroed. In sommige gevallen heeft de bosuil zijn leefgebied verlegd naar de stad, dit is mogelijk zolang er in de stadsparken maar voldoende oude bomen zijn die hij als rust- en broedplaats kan gebruiken. Het bos in het jachtgebied moet een open bodembegroeïng hebben. Hier jaagt de bosuil 's-nachts op kleine tot middelgrote zoogdieren, vogels en kevers. De bosuil is een sprinter en jaagt tussen en onder de bomen. Ook laat hij zich vanaf een uitkijkpost plotseling op zijn prooi vallen. De bosuil wordt zoals veel soorten uilen, vaker gehoord dan gezien. In februari/maart beginnen bosuilen met het leggen van eieren. Een legsel bevat 2-4 witte ronde eieren (ping-pong balletjes). Er wordt één legsel grootgebracht. Na een maand broeden komen de jongen uit. Zeventien weken later zijn de jonge uilen zelfstandig. Bosuilen zijn strikte standvogels, jonge bosuilen vestigen zich dan ook in de omgeving van de geboorteplaats. Uitgestrekte open gebieden worden door de bosuil niet overgestoken. Hierdoor kan het lang duren voordat geïsoleerd liggende geschikte vestigingsplaatsen worden bevolkt. De bosuil is - we vergeten even de oehoe - fysiek de sterkste uil. Dit kan plaatselijk ten kosten gaan van het voorkomen van de ransuil.

Terug naar de homepage van:






KERKUIL



De kerkuil is een 34 cm grote vogel. De bovenzijde is goudbruin met grijze vegen en zwart-witte vlekjes. De onderzijde is effen wit of warm geelbruin met een variërend aantal stippen. Hij heeft een dikke kop en een duidelijk hartvormig wit gezicht met zwarte ogen. Om te broeden en roesten (rusten en slapen) heeft de kerkuil een toegankelijke bebouwing nodig. Boerderijen, schuren en kerken vormen geschikte lokaties. In de schemering en nacht jaagt de kerkuil boven weilanden en bermen in open tot halfopen landschappen op muizen. Veldmuizen vormen een hoofdbestanddeel van het menu.

Nestkasten een uitkomst.
Oorspronkelijk broedt de kerkuil in donkere holten op zolders van schuren, kerken en oude gebouwen. Door het slopen en renoveren van oude schuren en het afsluiten van kerktorens verdwenen veel natuurlijke nestplaatsen. Tegenwoordig broedt dan ook bijna 80 % van de kerkuilen in nestkasten. Het aantal eieren varieert van 4-7. De eieren worden met een tussenpauze van 2-3 dagen gelegd. Het vrouwtje begint vanaf het eerste ei te broeden, terwijl het mannetje haar van voedsel voorziet. Na dertig dagen komen de jongen met tussenpozen uit en verschillen sterk in leeftijd. In periode van voedselschaarste verhongert het kleinste jong. Verzwakte of dode jongen worden door de oudere jongen als prooi gezien en opgegeten, Dit gedrag wordt bij meer uilen en roofvogels waargenomen. In voedselrijke jaren vormen twee soms zelfs drie broedsels geen uitzondering. Jongen vestigen zich meestal binnen een straal van 100 km van hun geboorteplaats. De helft van het aantal jongen vestigt zich zelfs binnen een straal van 20 km. Kerkuilen komen tijdens strenge winters in de problemen, er kan dan sprake zijn van grote sterfte.

Veel verkeersslachtoffers.
Begin jaren zestig restten, na de strenge winter van 1963, nog slechts 100 broedparen. Daarna is de stand wel weer toegenomen maar volledig herstel is nog nooit bereikt. De kerkuil staat daarom ook op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland. Het hoge aantal verkeersslachtoffers dat jaarlijks valt, staat het volledig herstel ernstig in de weg. Dit aantal verkeersslachtoffers is zo hoog omdat kerkuilen veelal op de muizenrijke wegbermen zijn aangewezen om te jagen, aangezien de kwaliteit van het landelijk gebied is achteruitgegaan. Eind jaren tachtig is een opvallende uitbreiding waar te nemen. Deze uitbreiding hangt nauw samen met de activiteiten van de kerkuilenwerkgroepen. Zo zijn op veel geschikte lokaties nestkasten opgehangen. De nieuw geplaatste nestkasten worden uitermate snel door de kerkuil in gebruik genomen.

Muizenstand van grote invloed.
Het broedsucces van de kerkuil kan nogal wisselen. Zo werd 1997 gekenmerkt door een lage veldmuizenstand. Veldmuizen vormen de belangrijkste voedingsbron voor kerkuilen. Veel kerkuilen zijn daardoor niet tot broeden gekomen. In 1996, een jaar met veel muizen, broedden er 1400 kerkuilenparen in Nederland. Daarentegen kwamen er maar 800 paren tot broeden in 1997. Van de paren die wel tot broeden overgingen lag het aantal uitgevlogen jongen per broedsel ook nog duidelijk lager. Muizen kennen een driejarige cyclus waarbij een geleidelijke toename resulteert in een topjaar gevolgd door een sterke terugval.

Terug naar de homepage van:






RANSUIL



De ransuil is een slanke, 36 cm grote uil. Kenmerkend zijn de lange oorpluimen. De bovenzijde is roestgeel, met zwartbruine vlekken en brede strepen, verder grijsbruin gespikkeld en grijsbruin gelijnd. De onderzijde is lichtgeelbruin met brede donkere lengtestrepen en fijne dwarsstreepjes. De ogen van een ransuil zijn oranjegeel. Ransuilen jagen boven open gebieden als weilanden en heidevelden. Zijn relatief lange vleugels beperken zijn bewegingsvrijheid in gesloten bos. De ransuil jaagt als een kiekendief, laag boven de grond vliegend, speurend naar een prooi. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit veldmuizen. Naast muizen eet hij ook amfibiëen, insekten en kleine vogels. Hij broedt zowel in loof- als naaldhout en soms in parken, tuinen of eendenkooien. Ransuilen broeden op oude nesten van kraaien, eksters, vlaamse gaaien of eekhoorns. Hier worden 4-6 eieren gelegd. Ransuilen zijn minder gebonden aan hun territorium. In geval van voedselschaarste zwerven zij rond of trekken weg. Dit laatste gebeurt ook in de winter. Veel ransuilen uit Noord- en Oost-Europa trekken dan hierheen. Buiten de broedtijd maar zeker in de winter brengen veel ransuilen de dag door op gezamenlijke roestplaatsen.

Terug naar de homepage van:






STEENUIL



Een steenuil is duidelijk kleiner (22 cm) dan de overige uilensoorten. De bovenzijde is bruingrijs, dicht wit gevlekt en wit gestreept. De onderzijde van een steenuil is lichtgrijs met donkere brede strepen. Hij heeft een afgeplatte brede kop met gele ogen, hierdoor heeft de steenuil een streng voorkomen. De meest algemene roep van de steenuil klinkt als 'koe-wiet'. Dit werd vroeger door bijgelovigen vertaald met 'kum-mit' of 'kom-met'. Dit zagen zij als een uitnodiging om afscheid te nemen van het leven. De steenuil broedt in het kleinschalig cultuurlandschap, waar vochtige graslanden en kleine akkers worden afgewisseld door lanen, knotwilgen en hoogstamfruitbomen. Op de zandgronden vormen beekdalontginningen een belangrijk leefgebied. De grienden en boomgaarden vormen belangrijke leefgebieden in het rivierengebied. De steenuil is zowel overdag als 's- nachts actief. Vaak wordt hij jagend vanaf een uitkijkpost gezien. Hij eet allerlei ongewervelde prooien, muizen en soms ook vogels. In gebieden met veel vochtige graslanden kan het menu tijdens de broedtijd voornamelijk uit regenwormen en kevers bestaan.

Takkelingen.
De steenuil broedt in holten van geknotte bomen, soms in schuren of in holen van konijnen. Speciale nestkasten worden ook nogal eens gebruikt door steenuilen. In april-juli wordt één broedsel grootgebracht. Het legsel telt 3-5 eieren. Steenuilen beginnen in tegenstelling tot de meeste uilen pas te broeden als het legsel bijna compleet is. Jonge steenuilen verlaten het nest soms al voordat ze kunnen vliegen. We spreken dan van zogenaamde takkelingen. Dit gedrag treffen we bij meer soorten uilen aan (bos-, rans- en velduil). De jonge uilen ofwel takkelingen worden gewoon door de ouders gevoerd. Na 9 weken zijn de jonge uilen zelfstandig. Gemiddeld slaagt slechts 30 % van de uitgevlogen jongen erin de eerste winter te overleven en het daarop volgende voorjaar een territorium te bezetten. Steenuilen zijn weinig zwerflustig. Oude dieren zijn honkvast en ook de jongen blijven meestal dicht bij hun geboortegrond. Strenge winters met veel sneeuw kunnen dan ook voor problemen zorgen.

Terug naar de homepage van:








VELDUIL



De lengte van een velduil is 38 cm. De velduil heeft kleine pluimpjes en gele ogen. De bovenzijde is lichtroestgeel of bruinachtig met donkere lengtestrepen en dwarsstrepen afgewisseld met witte vlekjes. De onderzijde is lichter van kleur met bruine lengtestrepen. Het verenkleed wordt gekenmerkt door de groffe tekening. De velduil broedt in laagbegroeide, vaak moerassige terreinen. Venige duinvalleien, veenmoerassen, schorren en soms heiden vormen in Nederland zijn broedterrein. In de jaren negentig is de velduil ook vertegenwoordigd op de braakliggende landbouwgronden in het noorden van het land. De velduil broedt op de grond. Hij is de enige uil die soms zelf nestmateriaal aandraagt. In april-juni worden 5-7 eieren gelegd, terwijl in voedselrijke jaren legsels bekend zijn van 14 eieren. Bij een gunstig voedselaanbod kan hij twee legsels grootbrengen.

Zeldzame broedvogel.
De velduil is een weinig honkvaste vogel. Vogels geboren in Nederland kunnen duizenden kilometers noordelijker of oostelijker tot broeden komen. De broedplaats hangt af van de aanwezigheid van woelmuizen of lemmingen. In de winter trekken de meeste velduilen die in Nederland broeden naar het Middellandse-zeegebied en Noord-Afrika. De velduil is nooit erg talrijk geweest in Nederland. De Nederlandse populatie schommelt tussen de 40-60 broedparen, hiervan broedt het grootste deel op de waddeneilanden. Door ontwatering, ontginningen en bebossing is de oppervlakte geschikt broedgebied sinds het begin van deze eeuw sterk afgenomen. Ook de velduil staat daarom op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogels in Nederland.

Terug naar de homepage van:








OEHOE



De oehoe is met een lengte tot 70 cm en een gewicht van ruim 3 kg de grootste uil van de wereld. Hij heeft ongeveer 6 cm lange oorpluimen. De bovenzijde van de oehoe is geelbruin, donkerbruin gevlekt en gebandeerd. Borst en onderzijde zijn geelbruin met brede donkere lengtestrepen en fijne dwarsstreepjes. Hij heeft grote oranje ogen. In uitgestrekte bossen, steppen en kale of beboste bergen heeft de oehoe zijn leefgebied. Hier broeden ze in rotsholen, struiken, oude roofvogelhorsten, ruïnes en soms op de grond. Er wordt vaak gedacht dat de oehoe verdwijnt bij het toenemen van menselijke activiteiten. Er zijn echter talrijke voorbeelden bekend waar oehoe's net buiten de bebouwde kom van dorpen of boven een bewerkte steengroeve langs drukke snelwegen broeden. Kleine en middelgrote zoogdieren als konijnen, hazen en vogels vormen zijn prooi. De oehoe pakt echter ook kikkers en grote insekten, en er zijn ook gevallen bekend waarbij zelfs volwassen reeën werden gevangen. De broedtijd begint al in februari. Met tussenpozen worden 2-3 eieren gelegd. Na 5 weken broeden komen de jongen uit. Na een maand verlaten de jonge oehoe's al het nest (takkelingen). Vaak worden ze nog tot aan de herfst door de oudervogels gevoerd. Volwassen ochoe's blijven hun leefgebied trouw. Jonge oehoe's maken de eerste twee a drie levensjaren flinke omzwervingen opzoek naar een geschikt territorium.

Komst oehoe niet ondenkbaar.
De oehoe neemt met veel verschillende prooien, slaap- en nestplaatsen genoegen. Dit biedt misschien kansen voor een definitieve vestiging in Nederland. Zo vond in 1997 en 1998 een broedgeval van de oehoe plaats in Nederland. Eerdere broedpogingen in Nederland zijn voor iedereen stil gehouden om de vogels niet te verstoren. Het broedgeval vond plaats op de Pietersberg te Maastricht. In 1997 werden er 2 jongen grootgebracht. In Duitsland en België komt de soort, na herintroductie weer als broedvogel voor. Broedgevallen in Nederland zijn echter nog steeds uitzonderlijk.

Terug naar de homepage van: