
Van de vos (Vulpes vulpes) zijn niet minder dan 45 ondersoorten beschreven. In ons gebied onderscheidt men gewoonlijk 2 vormen:

De totale lengte is 90 to ca. 130 cm, waarvan 32 to 52 cm voor de staart. De schouderhoogte bedraagt 35 tot 40 cm. Het gewicht varieert strek: van 3 kg in b.v. vlakke terreinen van Engeland tot 10 kg. In berggebieden tussen de 6 en 14 kg. De dieren die in de berggebieden leven zijn groter en zwaarder dan de vossen die in vlakke gebieden leven. Evenzo zijn de dieren in de koude streken groter dan in de warme streken, wat ook de enorme verschillen tussen de uitersten in afmeting en gewicht verklaart. De mannetjes hebben een sterk ontwikkelde reukklier aan de staartwortel.

Alle ondersoorten ruien in maart-april, waarbij ze hun wintervacht verliezen. In november herkrijgt de vos deze vacht dan weer.


De vos is niet veeleisend voor wat betreft zijn habitat. Hij voelt zich overal thuis, van gebergten (er zijn holen gevonden op 1800 m hoogte) tot zeekusten en moerassen. Evenmin schrikt de vos er voor terug om zich soms gevaarlijk dicht in de buurt van menselijke bewoning te wagen; zo wordt zijn aanwezigheid regelmatig vastgesteld aan de rand van buitenwijken. Zijn enige eis schijnt te zijn dat hij een hol moet kunnen graven. In gebieden waar de grondwaterspiegel gevaarlijk dicht onder de oppervlakte ligt (polders) is hij dan ook bijna of geheel aanwezig.

Op voorwaarde dat het gebeid er geschikt voor is, is de vos heel goed in staat om zijn eigen hol te graven. De grond moet stevig genoeg zijn. Maar vaak geeft hij er de voorkeur aan om zich direct te vestigen in de burcht van een das (al dan niet bewoond door de rechtmatige eigenaar) of in een konijnenhol dat aan zijn eigen afmetingen aangepast wordt. Als het hol op de een of andere manier op een helling is gelegen, dan zal de vos er op letten dat de ligging van de opening, zover dit mogelijk is, ZW-Z-ZO zal zijn. Wanneer het tevens moet dienen voor het laten opgroeien van de jongen, zal het zelden in een donker, vochtig stuk bos liggen, maar eerder op een zonrijke plaats. Zoals reeds eerder gezegd, maakt de aanwezigheid van menselijke bebouwing weinig uit; men heeft holen gevonden in moeilijk omschrijfbare biotopen, op minder dan 100 m afstand van bebouwing. De traditionele beschrijving van een hol maakt melding van:
Al deze kamers zijn d.m.v. gangen onderling verbonden. Op ideaal gelegen plaatsen kunnen de holen (die dan meestal het werk zijn van meerdere generaties dassen) indrukwekkende afmetingen bereiken. Sommige gaan tot wel 6 m diep en tellen 10, 15 of zelfs wel 30 uitgangen. Ze kunen dan bewoond worden door veel diersoorten: naast natuurlijk vos en das, nog (over geheel Europa gezien) bunzing, boommarter en marmot (in bergen), wilde kat, zwerfkatten, konijnen, steenuilen en bergeenden.

Het mannetje brengt een 3 tot 5 maal herhaald helder gekef voort; bij de jongen brengt het vrouwtje een kort en droog gekef voort. De alarmroep voor de jongen bestaat uit een continu geblaf. Bij het aanbrengen van het voedsel, of wanneer het vrouwtje de jongen koestert, kunnen beide seksen een soort 'geklok' voortbrengen. Men kan de vos in principe het gehele jaar door horen, maar toch vooral in de paartijd, dan kan hij bovendien nog allerlei merkwaardige en moeilijk te omschrijven geluiden maken.

De vos bezit een aantal speciale geurklieren:
Al deze klieren met hun verschillende geuren spelen een belangrijke rol bij de sociale communicatie. Ze geven eeen eigen identiteit aan de uitwerpselen en maken zo het geslacht, de sexuele toestand en zelfs waarschijnlijk zelfs de identiteit van elke vos duidelijk. De geur die een vos of een bewoond vossehol verspreidt is zelfs zo sterk dat deze ook voor de mens waarneembaar wordt. Het is waarschijnlijk dat juist deze lucht er de oorzaak van is geweest dat de vos eigenlijk nooit gedomesticeerd is als soort.

Het tijdstip waarop het hol verlaten wordt varieert met het seizoen en waarschijnlijk ook al naar gelang het weer. In de winter gaat de vos pas bij het vallen van de nacht naar buiten om pas bij dageraad, of nog later, terug te keren. Tijdens de paartij en in de zomer en het voorjaar is er veel variatie in het tijdstip waaop de vos buiten het hol actief is. In de zomer zijn de dieren constant op zoek naar voedsel voor hun nakomelingen en het is mogelijk om ze dan op ieder uur tegen te komen. Bij sneeuwval wordt de vos gedwongen om de hele dag buiten te zijn; wanneer hij niet voldoende voedsel kan vinden, en bij strenge vorst kan hij zelfs genoodzaakt zijn om zijn natuurlijke dekking te verlaten omdat hij daar zijn prooien niet geruisloos genoeg zal kunnen benaderen. Op plaatsen waar de vos zich veilig waant kan hij dagrustplaatsen innemen; hier rust of slaapt de vos dan overdag. Het hol wordt in het algemeen alleen gebruikt door vrouwtjes en alleen van ca. november tot half mei.

Het territorium van de vos wordt gestructureerd op 3 verschillende manieren:
De afmetingen van elk territorium flucturen al naar gelang de natuurlijke mogelijkheden. (voedselrijkdom, jaarlijks afschot etc.) Het activiteitsgebied van een paartje vossen varieert van 25 tot 50 ha.

De pootafdrukken hebben een lengte van ca. 5.5 cm, de nagels meegerekend. Ze lijken heel sterk op die van een hond maar onderscheiden zich daarvan door verschillende kenmerken:
Het spoor van een vos maakt de indruk van een 'parelsnoer' maar verliest dit wanneer het dier hard gaat lopen: het gaat dan lijken op dat van een haas, voor zover het de plaatsing van de poten betreft (de achterpoten zijn dan voor de voorpoten geplaatst). De vos zwemt goed en graag. Hij is een goede springer die in staat is om sprongen tot 3.5 m te maken. Klimmen doet hij daarentegen heel matig; hij slaagt er over het algemeen niet in om zelfs langs omgevallen of overhangende bomen meer dan een klein stukje omhoog te komen. De uitzondelijke voorzichtigheid waarmee de vos zich verplaatst ligt ongetwijfeld ten grondslag aan zijn reputatie van listig en intelligent dier, een reputatie die ongetwijfeld zwaar overtrokken is.

De jachtmethoden van de vos zijn het onderwerp geweest van ontelbare verhalen waarin het vaak moeilijk is om de waarheid van fictie te onderscheiden b.v. het met z'n tweëen jagen vanuit een hinderlaag. Een paar voorbeelden:
De meest gebruikte jachtmethode bestaat hierin, dat de vos zich normaal lopend of in lichte looppas, door zijn territoruim verplaatst waarbij regelmatig gestopt wordt en het dier op allerlei luchtjes en geluiden let. Als de prooi ontdekt is (in 9 van de 10 gevallen een klein knaagdier), wordt deze geruisloos benaderd, met de kop dicht bij de grond en de oren omlaag gericht; de poten worden langzaan en voorzichtig opgetild, terwijl de vos zijn prooi constant aankijkt. Met een verbazingwekkend nauwkeurige sprong springt de vos in de lucht en komt met zijn vier poten bij elkaar op de prooi neer, die dan gevangen zit.

Dit bestaat normaal voor het grootste deel uit kleine knaagdieren (woelmuizen, ratten etc.). Een vos eet jaarlijks vele honderden kleine knaagdieren. Het aandeel aan woelmuizen als basisvoedsel van de vos varieert al naar gelang het gebied. De vos is boven alles een opportunist, die het liefst, met een minimum aan inspanning, die prooien vangt die het meest voorhanden zijn en het gemakkelijkst dus te vangen zijn: dit zullen vrijwel altijd kleine knaagdieren zijn. Voor het optreden van myxomatose vormde het konijn in veel streken zeker zijn voorkeursprooi en maakte zo een belangrijk, zoniet het belangrijkste, deel van zijn voedsel uit. De vos vangt bij gelegenheid ook grote prooien: hazen, fazanten, korhoenders, jonge reekalfjes en allerlei gevogelte. Ondanks de relatieve zeldzaamheid waarmee dit soort prooiengevangen wordt, worden deze gevallen van predatie telkens weer in de (jacht-) literatuur naar voren gebracht. Op het menu van de vos komen echter talrijke andere prooien voor:
Ook plantaardig voedsel (in mindere mate) komt op het menu van de vos voor:
De taaie kruiden worden vrijwel intact met de uitwerpselen uitgescheiden. Het belang van het plantaardige deel van de voeding van de vos moet beslist niet onderschat worden.

De vos had vroeger meerdere natuurlijke vijanden zoals de lynx, de oehoe, de bruine beer en in de berggebieden (vaak nog steeds) vooral de steenarend. Deze predators schijnen invloed gehad te hebben op het instinctieve geheugen van de vos: in gebieden waar de steenarend allang is verdwenen inspecteert de vos nog altijd eerst aandachtig de lucht alvorens zich in het open veld te wagen. Daar in ons gebied alle grote natuurlijke vijanden zijn verdwenen, (ofwel uitgeroeid) blijven voor de vos alleen nog de kleine, maar daarom niet minder gevaarlijke vijanden over: nl. een heel scala van parasieten.

Het mannetje is gedrongener en zwaarder, met op de kop een smalle rand van witte haren, als een soort bakkebaarden die hem het aanzicht van een kater geven. Het vrouwtje is tengerder en met een spitsere kop. In de tijd van het zogen van de jongen zijn de rose gekleurde melkklieren zichtbaar. Haar pootafdrukken zijn iets kleiner en langer dan die van het mannetje.

Afhankelijk van het weer en het klimaat; begint soms in november, maar vaker in december of zelfs de eerste twee weken van januari een periode van veel activiteiten. De paring zelf vindt hierop aansluitend in januari of februari plaats. Het mannetje, wiens stuitklier dan een maximale hoeveelheid geurstof afgeeft, loopt heen en weer in het territorium, waarbij alle aanwezige holen bezocht worden. Het dier blaft dan veel en markeert op veel plaatsen zin territorium. Het vrouwtje, dat maar zeer kort ontvankelijk is (24-36 uur), besproeit veel plaatsen met urine waardoor er een soort 'reukbaan' onstaat die de mannetjes gebruiken om haar te bereiken. Aan het sterkste en meest agressieve mannetje komt de 'eer' van de eerste paring toe. Hij accepteert vervolgens zonder jalouzie, dat de door hem overtroffen mannetjes op hun beurt het vrouwtje dekken. Zijn intolerantie keert pas weer terug in de tijd dat de jongen opgroeien. De draagtijd bedraagt 52 tot 55 dagen. Een worp per jaar, afhankelijk van de voedselsituatie en bevolkingsdichtheid aan vossen, van 3 tot 8 en bij uitzondering tot zelfs 11 jongen. Een jong vrouwtje krijgt normaal slechts 3 tot 5 jongen. Tijdens het opgroeien van de jongen kan het vrouwtje bij gevaar ertoe gebracht worden om de jongen te verplaatsen. Ze neemt ze, net zoals een kat dat doet, in de bek en brengt ze in veiligheid. Beide geslachten zijn na de eerste winter, dus op een leeftijd van 5 tot 10 maanden, in staat zich voort te planten.


De paartijd is als periode van veel activiteiten, paringen en de daarmee samenhangende confrontaties van de dieren, samen met de tijd waarop de jongen zelfstandigworden (oktober), een uiterst cruciale tijd met betrekking tot een eventuele verspreiding van het hondsdolheidvirus (rabies). Dit is een besmettelijke ziekte waarbij op den duur een dodelijke vergiftiging van het centrale zenumstelsel optreedt.
