Herkenning van hoogbegaafde kinderen op school

Dini van den Heuvel

Als de speciale mogelijkheden van hoogbegaafde kinderen onvoldoende ruimte krijgen, dan verliezen deze kinderen hun leergierigheid en motivatie, passen zij zich noodgedwongen aan en laten mindere prestaties zien. Dit kan al op heel jonge leeftijd gebeuren. Dus hoe eerder de mogelijkheden van een kind herkend worden, hoe beter. Deze herkenning kan op verschillende manieren plaats vinden zoals in dit stuk aan de orde komt.

Intakegesprek

Om een goede start in het onderwijs te kunnen maken is het van belang alert te zijn op een mogelijke ontwikkelingsvoorsprong op het moment dat de ouders hun kind komen inschrijven voor de basisschool. In een open gesprek kunnen zij vertellen hoe hun kind thuis speelt, waar de interesses van hun kind naar uitgaan en wat het al geleerd heeft.

Ouders hebben meestal weinig mogelijkheden om hun kind met andere kinderen te vergelijken. Zeker als het hun eerste kind betreft. Soms zullen zij dan ook te veel waarde toekennen aan de vaardigheden van hun kind. Maar er zijn ook ouders die door dit gebrek aan vergelijkingsmogelijkheden de snelle ontwikkeling van hun eigen kind heel gewoon vinden. Voor deze ouders kan het een schok zijn te ontdekken hoe ver hun kind voor is. Soms bedraagt deze ontwikkelingsvoorsprong 1 tot 2 jaar.

Ook als ouders wel een vermoeden hebben van een ontwikkelingsvoorsprong van hun kind, vinden zij het vaak lastig om dit in een eerste gesprek te vertellen. Zij wachten wel af hoe het zal gaan op school. Dat is jammer, want met het oog op een goede afstemming van het onderwijs op het kind is het juist van belang zoveel mogelijk informatie over het kind te verzamelen en naar waarde in te schatten.

Het is dus aan te raden als leerkracht zelf naar deze informatie te vragen. Een open intakegesprek kan veel bijdragen aan de herkenning van de mogelijkheden en de behoeften van een kind. Natuurlijk is het niet mogelijk uit een enkel gesprek vast te stellen hoe ver een kind is in alle aspecten van de ontwikkeling, maar het is wel jammer als deze gelegenheid ongebruikt blijft.

De eerste weken op school

Ook de eerste weken op school kunnen veel informatie opleveren. In tegenstelling tot ouders beschikken leerkrachten over meer vergelijkingsmogelijkheden. Zij komen immers ieder jaar weer met veel verschillende nieuwe kleuters in contact. Deze ervaringen zijn goed te gebruiken bij de beoordeling van de ontwikkeling van de kleuters die nieuw binnenkomen. In iedere groep zitten kinderen die snel klaar zijn met hun werkje, originele oplossingen hebben of antwoorden geven die hun leeftijd vooruit zijn. Dat kunnen natuurlijk ook kinderen zijn van wie de ouders bij de inschrijving niets hebben verteld over een vermoedelijke ontwikkelingsvoorsprong.

Het voordeel van zo'n vroege herkenning is bovendien dat wordt voorkomen dat een kind routinewerkjes moet doen, die voor andere kinderen wel van groot belang zijn. Het is niet nodig een kind dat getalbegrip heeft nog lastig te vallen met werkjes die hieraan vooraf gaan. Hetzelfde geldt voor herkenning van letters. In plaats daarvan kunnen zij werken aan taken die hun nieuwsgierigheid, inventiviteit of creativiteit prikkelen. En dat zorgt er dan weer voor dat zij niet gedemotiveerd raken en gaan onderpresteren.

Het gedrag van een kind

Naast het intakegesprek en een inventarisatie van de vaardigheden van een kind kan het gedrag van een kind een signaal voor de leerkracht zijn. In iedere groep zitten kinderen die bijvoorbeeld opvallend stil zijn, niet mee mogen spelen met andere kinderen, of juist heel erg druk of angstig zijn of gemakkelijk huilen. De verklaring voor dit gedrag kan dan zijn: het kind is niet zo slim, sociaal-emotioneel achter, niet weerbaar, hyperactief of vertoont gedrag dat op autisme lijkt. Het kan echter ook zijn dat hoogbegaafdheid de verklaring voor dit gedrag is. Een kind kan, bijvoorbeeld door de eigen gevoeligheid, moeite hebben met agressie of pesterijen door andere kinderen. Achter het zichtbare gedrag kan veel schuilgaan. Dus is het niet verstandig om te snel en zonder voldoende onderbouwing conclusies te trekken. Een etiket is sneller geplakt dan verwijderd.

Ook als de indruk bestaat dat een kind op school niet laat zien wat het (al) kan, is het nodig te achterhalen wat daar achter zit, wat het bijvoorbeeld thuis doet. Als er op school iets gebeurt waar het kind ondersteboven van is of waar het kind het niet mee eens is, geldt hetzelfde. Probeer als leerkracht concreet te achterhalen wat het kind dwarszit. Hoogbegaafde kinderen zijn meestal uitstekend in staat dit onder woorden te brengen. In een gesprek met de ouders kan worden gezocht naar de achtergronden van zo’n gebeurtenis. Dit vergemakkelijkt het begrip over en weer en het wordt duidelijker of en waar ingrijpen nodig is.

Signaleringslijsten

Er circuleren veel lijstjes met kenmerken waaraan hoogbegaafde kinderen te herkennen zijn. Maar hoogbegaafdheid is een complex fenomeen dat niet aan de hand van een checklist is te duiden. Checklists zijn hooguit te gebruiken als indicatie voor nader onderzoek

Wel is het mogelijk gebruik te maken van het SiDi 3 protocol. Dit protocol is een gestructureerd signalerings- en diagnoseprotocol voor leerlingen van groep 1 t/m 8, waarin de hele procedure in stappen is weergegeven. De school kan het voor eigen gebruik invullen en aanpassen. Het bevat instrumenten om de ontwikkelingsvoorsprong bij kleuters en de mate van een hoge begaafdheid in kaart te brengen.
Het protocol maakt onderscheid tussen de signaleringsfase en de diagnosefase. Tijdens de signaleringsfase wordt naar alle kinderen gekeken en in de diagnose wordt het onderzoek in een beperkte groep voortgezet. Voor meer informatie en een voorbeeld van het protocol zie SiDi 3 protocol.

Hoe een school hiermee om kan gaan heb ik beschreven in Een school in Vlaanderen.

Testen

Soms is de situatie zo onduidelijk of hebben kinderen al zoveel meegemaakt, dat ouders en/of leerkrachten zullen besluiten om een kind te laten testen. Het verstandigst is dan om te kiezen voor een deskundige op het gebied van hoogbegaafdheid die ook advies kan geven over de verdere begeleiding.

De meest betrouwbare tests zijn de intelligentietests. Maar ook deze tests hebben beperkingen. Zij meten slechts verstandelijke vaardigheden zoals geheugen, ruimtelijk inzicht en logisch denken. Deze worden vergeleken met vaardigheden van anderen die met dezelfde test zijn getest. De resultaten worden uitgedrukt in een cijfer, het IQ. De tests zijn zodanig gemaakt dat het gemiddelde van de scores van alle geteste personen ligt bij 100. Bij een score onder 80 wordt gesproken van zwakke begaafdheid, boven een score van 130 van hoogbegaafdheid.

Het is echter sterk af te raden om kinderen op grond van een testresultaat in een hokje te stoppen, hen op een bepaalde manier te behandelen en andere kinderen van die behandeling uit te sluiten. Door allerlei oorzaken kan de score op een IQ-test lager uitvallen dan bij de werkelijke begaafdheid van een kind zou passen. Het is slechts een indicatie op basis waarvan ouders en leerkrachten afspraken kunnen maken over de juiste begeleiding van deze kinderen.

Verschillende mogelijkheden

Herkenning van een kind met een ontwikkelingsvoorsprong is dus op verschillende manieren mogelijk. Goed luisteren naar het kind en de ouders, goed observeren van het gedrag van het kind en daarover niet te snel conclusies trekken zijn van groot belang. De herkenning is op deze manier niet afhankelijk van een enkele indruk of een bepaald tijdstip. Ouders en leerkrachten kunnen in overleg met elkaar afspraken maken over de begeleiding van het kind. Het is aan te bevelen de wijze waarop de herkenning plaatsvond en de keuzes die werden gemaakt ten aanzien van de begeleiding vast te leggen voor de rest van de schoolperiode.

Voor ouders en andere begeleiders lees ook het meer algemene artikel over herkenning van hoogbegaafdheid op jonge leeftijd


mei 2010
Dini van den Heuvel