Eerst even een donatie LATEN doen

.X

Spaans Benauwd

Reizigers: Bernard & Wypke Holtrop. Schrijver: Wypke Holtrop

 

Goed gemutst en vol verwachting zetten mijn broer Bernard en ik, op woensdag 3 juni 1998 aan het eind van de middag onze voeten op Spaanse grond. We waren hier op de luchthaven van Madrid geland met het doel een fietstocht te maken door het Spaanse binnenland. Het hoogtepunt zou zitten in het laatste gedeelte. Daar hadden we een doortocht over de Sierra Nevada gepland, een bergmassief ten oosten van de zuid-Spaanse stad Granada. In, of beter gezegd over dit bergmassief ligt Europa’s hoogst gelegen weg. Deze wetenschap was voor ons een uitnodiging om die weg met een bezoek te vereren. In grote lijnen zou de reis gaan, via de Sierra de Guadarrama, een bergsteek ten noordwesten van Madrid, richting Toledo. Vanaf die plaats wilden we de vlakte van La Mancha doorkruisen om dan via de Sierra’s de Alcaraz, de Segura, de Carzola en Nevada naar Granada te rijden. Vier weken later hoopten we dan weer terug te vliegen naar Nederland.

De gereden route tot aan El Escorial

 

 

1. De eerste dagen

Nadat we de bagage in de aankomsthal van het vliegveld bij elkaar hadden gezocht en de fietsen rijklaar hadden gemaakt, verlieten we om een uur of vijf het vliegveld. Vanwege dit tijdstip restte ons vandaag niets veel meer dan boodschappen doen. Vanwege het overgewicht hadden we dat thuisgelaten. We mochten in totaal 50 kilo meenemen samen hadden we maar 68 kilo. Men keek dit gelukkig door de vingers.

Wanneer we de levensmiddelen hadden gekocht, konden we ons beperken tot het zoeken naar een slaapplaats. Een supermarkt vonden we redelijk snel. Minder geluk hadden we met het zoeken naar een kampeerplaats.

In San Sebastián de los Reyes reden we bij een Hostel langs. We besloten niet verder te zoeken en de nacht in dat gebouw door te brengen.

De donderdag werd, behalve fietsend, ook gebruikt om onze huishouding verder op orde te krijgen. Onze leeftocht moest tot normale hoeveelheid aangevuld worden en tegelijk moesten we deze eerste dagen het ritme weer te pakken zien te krijgen, dat we de voorgaande tochten ook hanteerden. Reizen heeft nou eenmaal een ander ritme dan het dagelijks werkritme. De Sierra de Guadarrama leek ons daar een geschikt gebied voor.

Het weer was deze dag de hele tijd twijfelachtig. De beroemde Spaanse zon liet zich spaarzaam zien. In de loop van de middag werd het ons duidelijk welk weertype de weergoden met ons voor hadden. De zon verschool zich steeds vaker achter de wolken, die ook nog er steeds dreigender gingen uitzien. Deze ontwikkeling deed ons besluiten om vandaag niet verder te rijden dan de eerstvolgende plaats die we op onze route zouden tegenkomen, Miraflores de la Sierra en daar op de plaatselijke camping betere tijden af te wachten.

Tegen de tijd dat we het plaatsje binnenreden was het ons duidelijk dat we een goede keus hadden gemaakt. Een inktzwarte lucht kwam dreigend opzetten en tegen de tijd dat we bij de camping waren, die nog acht kilometer verder lag, barstte het noodweer in alle hevigheid los. In een van de wat minder heftige regenperiode besloten wij om de tent neer te zetten.

Het onweer trok weg maar de regen bleef, ook gedurende de nacht. De volgende dag zag het er niet naar uit dat er voorlopig een verbetering zou optreden. De bewolking hing laag en wij hadden het in ons hoofd gehaald om vandaag richting Segovia rijden, dwars door de Sierra de Guadarrama. Tussen hier en daar lagen een paar passen van ongeveer 1800 meter hoog. Met dit weer zou het zicht in de bergen slecht zijn en op een afdaling in de regen of mist hadden we niet veel zin.

We besloten om vandaag hier te blijven. Het leek ons veel verstandiger om vanmiddag het stadje met een bezoek te vereren mocht het weer dan wat zijn opgeknapt.

Het weer knapte in de loop van de middag wat op, het druppelde nog wel wat maar daar lieten we ons niet door tegenhouden.

Miraflores de la Sierra is een plaatsje met ongeveer 2400 inwoners, 1150 m. boven zeeniveau en aan de voet van de voornoemde bergrug ligt.

Met het binnenrijden van het stadje moesten we vaststellen dat het er mistroostig, ja bijna verzopen bij lag. De terrassen waren leeg. Hier en daar zag je iemand een huis binnen vluchten, de jas stevig om de schouders getrokken. Een thermometer wees aan dat het hier 15°C. was. Het had er alle schijn van dat dit weer hier niet welkom was.

Al waren de terrasjes leeg, we meenden dat we alvast wel wat inkopen konden doen in een van de vele winkeltjes die we zagen; dan hoefden we dat morgen niet meer te doen.

Helaas misten we ook hier de boot. Die winkels waren dicht, we waren even vergeten dat men hier ‘s middags siësta houdt en nagenoeg alles van twaalf tot vier gesloten is!

In de nacht van vrijdag op zaterdag werd het droog. Op het moment dat we ‘s morgens buiten de tent keken, leek het weer niet slecht. Het was wel wat frisjes, hier en daar hingen wat mistflarden maar we waren vol goede hoop dat het beter zou worden.

Dit alles overziend besloten we om vandaag de reis te vervolgen en de route te rijden die we onszelf gisteren al min of meer beloofd hadden.

Onze voorspelling van het weer kwam uit, voor Spaanse begrippen mocht je het waarschijnlijk koud noemen maar voor ons om te acclimatiseren, konden we het niet beter treffen. We vonden het uitstekend weer om de passen die ons vandaag voor de wielen lagen te beklimmen.

De eerste kilometers reden we door de prachtige bossen van deze Sierra. Wij vonden dat er weinig verschil zat tussen hier en de Alpen. Regelmatig waren er prachtige doorkijkjes. Dit in schrille tegenstelling met de tweede helft van de helling, die helemaal kaal was. Dankzij deze kale hellingen hadden we wel een prachtig uitzicht over het dal dat ver beneden ons lag en waar de huizen niet groter leken dan speldenknoppen.

Boven op de Puerto de la Morcuera (1796 m) hielden we halt. We wilden hier van het uitzicht genieten en ondertussen aan de inhoud van een blikje cola lurken. Een koude wind deed zijn best om ons dat onmogelijk te maken. Om toch wat luwte te hebben maakten we gebruik van een grote vuilcontainer die hier stond. Door daar aan de luwe kant met de rug tegenaan te gaan zitten, fungeerde die container als een ideaal windscherm. Vanaf onze zitplaats hadden we nu helaas geen zicht over het dal waar we vandaan kwamen maar wel over het berglandschap. Veel toppen waren hier met sneeuw bedekt. We vroegen ons af of dit nog restanten van de afgelopen winter waren of dat dit naweeën waren van de koude golf die men hier de afgelopen dagen moest verteren.

De afdaling naar Rascafria was koud. Een paar kilometer buiten het plaatsje lunchten we. Zittend op een picknick bankje in de luwte van de bomen die hoorden bij het ‘Monasterio del Paular’ en een spaarzaam zonnetje konden we het net volhouden in een simpel t-shirtje.

De overtocht van de Puerto de Navacerrada (1860 m.) leverde geen problemen op. Onderweg konden we genieten van prachtige uitzichten over het Spaanse berglandschap. Dit was een van de redenen waarom we hier waren gekomen en het deed ons goed dat we hier nu al met volle teugen konden genieten. Ook de zon deed nu dapper mee.

Helaas moesten we ontdekken dat meer mensen hun zinnen in de natuur loslieten. Zij meenden dit te moeten doen door met motorvoertuigen door over een zanderig gedeelte van de berghelling te crossen. Grote stofwolken waren het resultaat. Van deze stofwolken mochten wij kilometers lang van "meegenieten". Wij waren hier niet blij mee, we wisten ook niet wat we er tegen doen moesten.

Beneden in het dal, aan de andere kant van de pas, konden we duidelijk merken dat de Spaanse zon nu eindelijk aanwezig was. Voor het eerst tijdens deze reis konden we hier in Spanje in een t-shirt en korte broek rijden.

De volgende morgen maakten we weer een koele start; zondag was geen synoniem voor zondag. Vandaag wilden we het zuiden in, richting Toledo, ongeveer 160 kilometer rijden. Deze afstand wilden we niet in een dag rijden, we wilden ergens overnachten. Waar, dat hing af hoe het uitkwam met de kampeerplaatsen. Wat wel vaststond was dat we in die stad minstens één dag wilden blijven maar misschien ook wel twee. Het leek ons doodzonde om die stad ongezien voorbij te rijden.

Voor we op reis gingen, reden we eerst naar het centrum van Segovia om het aquaduct met een bezoek te vereren. Eigenlijk wilden we ook wel kerken bekijken maar omdat er op zondagmorgen veel kerkdiensten worden gehouden, moest dat maar wachten tot een volgende keer.

Segovia is een grote stad, bijna 60.000 inwoners en 1005 meter boven de zeespiegel. Om bij het oude gedeelte van de stad te komen moesten we eerst door de nieuwe stadswijken rijden voordat we bij het aquaduct en het oude gedeelte van de stad waren.

Daar aangekomen trokken we de conclusie dat hier op zondagmorgen om een uur of negen nog geen bezoekers worden verwacht, alles was in diepe rust. Wij vonden het niet nodig om hier lang bij stil te staan, redelijk snel zaten we weer op de fiets. We gingen er vanuit dat de rest dan ook wel gesloten zou zijn of voor de zondagse kerkdienst in gebruik zou zijn. We beperkten ons tot een ritje om het oude stadscentrum heen dat geheel ommuurd was. Dit ademde dan ook een heel andere sfeer dan die nieuwbouwwijken.

Vooral het Alcázar, aan de noord-west kant van de stad vormde een soort boeg van een schip waardoor het leek of de hele oude stad er achter schuil ging.

Tot aan de Puerto de Guadarrama (1511 m), bleef het min of meer Nederlands weer, wel bleef de zon er steeds langer bij. Na een uitstekende maaltijd boven op de pas volgde er een mooie en lange afdaling. Nog mooier was dat hoe lager we kwamen hoe warmer het werd.

Om een uur of twee waren we bij de inrit die leidde naar de camping van El Escorial en hadden we 65 kilometer gereden. Aan het vlagvertoon bij de inrit kon je zo opmaken dat het hier om een grote camping ging met alle toeters en bellen die de veeleisende campinggast van tegenwoordig vraagt. Wij stelden ons toen voor de keus: gaan we verder of overnachten we hier.

We kozen ervoor om hier te blijven. Het resterende gedeelte, ongeveer 100 kilometer zouden we dan voor morgen te bewaren. De belangrijkste reden hiervoor was dat, voor zover we wisten er tussen hier en Toledo geen camping was en om wild te kamperen vonden we in deze situatie nog niet nodig..

Op de camping troffen we nog twee andere fietsers, een niet onaardige verrassing. We waren er al snel achter dat gezamenlijk verder rijden er niet in zat. Zij wilden hier een paar dagen blijven, wij niet. Verder hadden zij zich aan de zuidkust van Spanje door een vliegtuig laten afzetten en hadden dat als startpunt gekozen voor een fietstocht naar Nederland; precies de andere kant op dan wij van plan waren.

Dankzij deze ontmoeting vonden we het helemaal niet erg dat het nog vroeg in de middag was. Het gaf ons mooi de gelegenheid om ervaringen uit te wisselen, en vooral elkaars fietsen te bekijken en te becommentariëren.

De lange zondagmiddag die we onszelf hier beloofd hadden duurde door dit alles veel te kort.

2. Een onverwachte wending

‘s Avonds onder het eten kreeg ik een aanwijzing dat er met mij iets mis was. Net zo als anders hadden we ons maaltje gekookt, wat we dan vervolgens zonder problemen opeten.

Gaandeweg de maaltijd moest ik constateren dat ik vanavond niet zo’n grote honger had. Een gedeelte van mijn portie kon ik niet op. Gezien de omstandigheden mocht je dit beslist vreemd vinden. Zonder woorden wisten we toen allebei dat ik iets onder de leden had.

Later die avond voelde ik mij koortsig. Zorgen daarover maakte ik me niet. Nog niet zo lang geleden waren we uit Nederland gekomen. Ik schatte in dat dit een reactie van het lichaam was op de veranderde omstandigheden. Het enigste wapen dat ik tegen koorts had was aspirine en gooide dat dan ook in de strijd. Ik hoopte hiermee de koorts te onderdrukken zodat die de volgende dag weg was. Wanneer dat gebeurde zou ik, met de nodige reserve, verder kunnen.

Die nacht kon ik maar moeilijk slapen. Waar het aan lag weet ik niet. Natuurlijk speelde de koorts hierin een rol, maar er was meer. Volgens mij klopte er iets niet. Die koorts was het enige dat op een griepje wees. Daar hoort meestal ook overgeven en/of diarree bij, daar had ik geen last van. Ik voelde me niet grieperig maar ook zeker niet goed.

De volgende ochtend ging het eerst wel, de koorts was minder dan gisteravond maar helaas nog niet weg. De andere Nederlandse fietsers kwamen even later bij ons langs en wilden weten hoe het met me was.

Ik vertelde hun dat ik me "twijfelachtig" voelde; "Ziek" was misschien niet het goede woord maar was ik niet koortsvrij.

Dit betekende dat we vandaag niet gingen rijden. Een flink eind fietsen met een koortsig lichaam dat is vragen om moeilijkheden!

"Moeten we er nog een dokter bij halen?" vroeg iemand aan mij.

"Dat lijkt me helemaal niet nodig," liet ik weten. "Eigenlijk voel ik me helemaal niet ziek, ik heb alleen maar wat koorts. Wanneer die verdwenen is ga ik er van uit dat ik weer gewoon door kan gaan. Je kunt toch niet voor elke wind die je dwars zit een dokter laten komen!"

Hiermee was iedereen gerustgesteld en hadden we een goede reden om uitgebreid te ontbijten. We namen daar dan ook flink de tijd voor. Met z’n vieren zaten we bij elkaar te eten terwijl er ondertussen allerlei verhalen van vorige fietstochten aan elkaar werden verteld. Ons ontbijt duurde die morgen van een uur of acht tot een uur of elf. Ondanks dit langdurig ontbijt heb ik niet meer gehad dan een paar koppen thee. Een daarvan werd ook nog gebruikt om nog maar eens een aspirientje naar binnen te werken.

Tijdens dit uitgebreide ontbijt zagen wij de camping min of meer helemaal leeglopen. Binnen een paar uur veranderde het aanzicht van de camping helemaal. Gistermiddag, toen we hier kwamen was het terrein zo goed als vol en wanneer het afreizen van de kampeerders in dit tempo doorging, dan bleven we hier maar met ons vieren over.

Over het hele terrein gezien bleven hier en daar nog wel een paar caravans en tenten staan. We hadden gezien dat die mensen weg gingen en alles wees er op dat ze vanavond weer zouden terugkomen.

Het leek vandaag prachtig weer te worden, er was bijna geen wolkje aan de lucht en het leek ons toe dat we vandaag royaal van de Spaanse zon konden profiteren. Vanmorgen vroeg was het weliswaar eerst nog wat fris maar je kon duidelijk merken dat de zon druk bezig was om er vandaag eindelijk eens wat moois van te maken.

Rond een uur of elf vond ik het welletjes. Ik liet de anderen weten dat ik het hier eigenlijk wel voor gezien hield en graag wat wilde rusten. Wat er met me aan de hand was wist ik niet maar ik begon me aardig moe te voelen. Het leek me dus helemaal niet onverstandig om een poging tot slapen te doen; baat het niet, schaden doet het in geen geval.

De anderen vonden dat een goed idee. Zij zouden zich terugtrekken naar de bar, die een paar honderd meter van ons tentenkamp vandaan was, en daar koffiedrinken. Wanneer zij weg waren was er niemand meer in de buurt en zou ik alle rust krijgen die ik me maar kon wensen.

Ik vond dit een uitstekend idee.

In de tent kon ik mijn draai niet vinden. Ik wist niet hoe ik liggen moest, op de zij, op de rug of wat dan ook ik voelde me er alleen maar minder door. Alleen wanneer ik rechtop zat voelde ik me redelijk en dat vond ik merkwaardig. Zoiets had ik nog niet eerder meegemaakt.

Voorlopig bleef ik dus maar zitten, maar het zat me niet lekker. Op den duur begon het te vervelen, van ontspannen of rusten is geen sprake.

Waar ik me grote zorgen over begon te maken was mijn ademhaling, die ging behoorlijk snel. Je mocht rustig zeggen dat ik zat te hijgen.

Ik begon nu te vermoeden dat ik misschien een ander liedje moest zingen. Er was met mij meer aan de hand dan alleen maar een dwars liggende scheet. Er waren allerlei dingen met mij aan de hand die ik nog niet eerder had meegemaakt en waar ik geen verklaring voor had. Het was nu misschien wel slim om even bij een dokter langs te gaan. Ik wist alleen niet hoe ik dat moest doen.

Overeind komen kon ik al haast niet meer, elke inspanning was er een te veel. Wanneer ik daartoe een poging toe deed, had ik grote moeite de sluitspieren onder controle te houden, ook had ik dan last van braakneigingen.

Ik herkende hier iets in wat je soms bij sommige marathonlopers ziet wanneer ze aan het eind van hun krachten zijn en totaal uitgeput over de finish strompelen al ze die al halen.

Ik wist nu dat ik hulp moest hebben. Volgens mij kon ik dat alleen maar voor elkaar krijgen wanneer ik buiten de tent zat, alleen dan kon ik zien of er ook iemand in de buurt was en proberen de aandacht van die persoon te trekken.

Op handen en knieën kroop ik naar buiten. Daar moest ik eerst in kruiphouding een poos uitrusten, het hoofd bungelend tussen de armen. Hijgend, min of meer aan het eind van mijn krachten, zat ik daarna eindelijk voor de tent. Na een poosje had ik de kracht om rond te kijken en zag niemand. "Niemand" was niet helemaal waar. Op ruim honderd meter afstand stonden een paar caravans die ook nog bewoond waren. Helaas zat de ingang daar van aan de andere kant en natuurlijk zaten de bewoners daar ook.

Hun aandacht trekken was moeilijk en er naar toe gaan was voor mij op dit moment onmogelijk. Wanneer ik probeerde om overeind te komen was ik al buiten adem voor ik stond. Daardoor wist ik dat die afstand, gezien mijn conditie op dit moment voor mij veel te groot was. Wanneer overeind komen al zoveel moeite kost hoef je aan lopen niet te denken. Voor ik tien passen had gedaan zou ik er al bij neervallen!

Het was inmiddels half een en ik vond het veel te heet in de zon. In de onmiddellijke omgeving was geen andere schaduw te bekennen dan binnen in de tent. Wilde ik in de schaduw zitten dan zat er niets anders op om die weer binnen te gaan. Ik was dan in ieder geval buiten het bereik van de zon.

Een moeilijke keuze, omdat ik vanuit de tent de omgeving moeilijk in de gaten kon houden om aan een eventuele passant hulp te vragen.

Na een poos wikken en wegen, zittend in de hete zon, leek me toch maar het beste om de tent binnen te gaan. De jongens waren al meer dan een uur weg, ze zouden zo wel weer terugkomen; dan kon alsnog alarm worden geslagen.

Het was een uur toen ik weer terug was in de tent en ik voelde me ellendig. Ik had een gevoel dat ik hoesten moest. Het vervelende was dat ik dat niet kon. Het lichaam schreeuwde om zuurstof. Daarom moest ik constant hijgen en er geen tijd voor hoesten was. Wachten en ademhalen, de enige dingen die ik nog kon!

Het was voor mij bijna zeker dat de oorzaak van dit ongerief bij de longen zat. In een moment van twijfel heb ik de hand nat gemaakt en die voor de mond gehouden. Op die manier wilde ik controleren of er nog wel lucht het lichaam in en uit ging. De uitkomst van deze proef was goed, de lucht vloog er in en uit. Het enige dat overbleef was dat de longen niets met die lucht deden. Als het goed was moesten die de zuurstof uit de lucht halen en ik had een angstig vermoeden dat ze dat niet deden.

Wat moet ik doen om er voor te zorgen dat ze hun werk weer deden? vroeg ik mij af. Vergeleken met een uur geleden was het alleen maar erger geworden. Geleidelijk aan besefte ik dat wanneer het zo doorging ik bezig was met stikken. Voor mijn gevoel was het nu een kwestie van tijd en was ik met mijn laatste uurtje(s) bezig. Nog even en ik zou bewusteloos op de grond liggen.

De tijd streek voorbij, ik probeerde me zo weinig mogelijk te bewegen, de enigste optie om zo weinig mogelijk zuurstof te gebruiken en het zo lang mogelijk te rekken. Langzaam maar zeker voelde ik de kracht uit mijn lichaam verdwijnen!

Na een eindeloze lange wachttijd schrok ik wakker. Ik hoorde een stem, geschuifel en herkende de stem van mijn broer maar ik verstond niet wat die zei.

Ik probeerde "Wat?" te zeggen, maar het was niet meer dan een zucht en daarna hoorde ik hem weghollen.

Er begon weer een tijd van wachten. Wat er aan de hand was en wat er gebeuren zou wist ik niet. Het kon me ook niet veel meer schelen. Ik voelde me slap en had een gevoel dat ik elk moment weer weg kon doezelen..

Hoe laat zou het zijn. Ik deed een poging om op het horloge te kijken. Het kostte me veel moeite om de cijfers van het klokje scherp op het netvlies te krijgen maar werd gewaar dat de eerste twee cijfers 14 waren.

Eindelijk waren er weer voetstappen en even later kwam mijn broer bij de tent zitten. Hij vertelde me dat hij bij de receptie was geweest. Daar had hij een ambulance besteld om mij naar het ziekenhuis te brengen voor een onderzoek.

Hij was daar naar toe gegaan met de vraag of hier een dokter was.

"Die is hier niet", kreeg hij te horen, "wanneer je medische hulp nodig had moest je naar het ziekenhuis, dat kon per taxi of ambulance." Omdat hij het niet zag zitten om mij in een taxi te krijgen koos hij een ambulance..

Het duurde niet lang voor ik een sirene hoorde en even later stond die al bij de tent.

Ik kroop uit de tent en viel op de grond. Ik heb nooit geweten dat zo’n klein eindje kruipen zoveel inspanning moest kosten.

De mensen van de ambulance vroegen van alles waar ze zo goed als geen antwoord op kregen. Onze Spaanse talenkennis was niet groot genoeg om hen te verstaan en zij kenden niet veel Engels. Achteraf denk ik dat die mensen mogelijk niet wisten wat ik mankeerde maar wel snel in de gaten had wat op dit moment mijn grootste probleem was.

Nadat men mij in de ambulance had, kreeg ik al gauw een zuurstofmasker op het gezicht. Dat scheelde al zoveel dat ik het liggen op de brancard kon verdragen, verder merkte ik geen verbetering.

De rit naar het ziekenhuis duurde niet lang en daar werd ik de polikliniek binnengebracht, een zaal die door gordijnen in allerlei kleine ruimtes was verdeeld.

Binnen de kortste keren vormde ik het middelpunt van belangstelling. Aan alle kanten was men druk bezig mij aan te sluiten op allerlei apparatuur, werd er bloed afgenomen en weet ik veel wat nog meer. Vanzelf stelde men ook hier allerlei vragen en weer bleek de taalbarrière een forse hindernis. Zij spraken alleen maar Spaans en Frans, en wij behalve vloeiend Nederlands ook vloeiend Fries, redelijk Engels en wat Duits.

Na een poosje onderzoeken vertelde iemand mij dat ze dachten dat ik een hartaanval achter de rug had.

Met deze conclusie was ik het niet eens, ik wist bijna zeker dat die verkeerd was, maar had nog niet de kracht om daar tegenin te gaan. Bovendien zou het een stuk gemakkelijker zijn dat ik hun kon vertellen wat het wel was en dat kon ik niet, zeker niet in het Spaans.

Ernstig vond men de situatie niet, men ging er voorlopig gewoon vanuit dat ik hier de nacht niet hoefde door te brengen. Men wilde alleen nog wat röntgenfoto’s maken.

Terug op de polikliniek, zag ik dat men bezig was de foto’s van mijn longen te bekijken.

Na een poosje kwam er iemand bij me met de vraag of ik soms astma had?

Ik probeerde duidelijk te maken dat ik me daar niet bewust van was. Voor zover ik wist had ik daar nog nooit last van gehad. De afgelopen dagen was ik nog door de bergen ten noorden van deze plaats gefietst, dat leek me niet mogelijk wanneer ik astma had.

Men ging verder met onderzoeken en men liet mij voorlopig met rust. Liggend op de brancard kon ik intussen vaststellen dat ik me geleidelijk aan steeds beter begon te voelen. Volgens mij had de zuurstof daarbij een belangrijk aandeel in. In de ambulance was men daar mee begonnen en ik kon nu al merken dat ik daar baat bij had.

Mijn broer die met de ambulance was meegereden en eerst naar de administratie was gestuurd, kwam ondertussen ook binnen. Helaas kon hij weinig meer doen dan alleen maar een praatje maken en toekijken. Het gaf wel wat afleiding en zorgde ervoor dat de denkpatronen in mijn hoofd zich wat anders gingen gedragen.

Hij verhaalde van zijn belevenissen bij de administratie hier, die verliepen niet vlot. Men meende daar goed Engels te kennen maar uit hun antwoorden moest hij concluderen dat ze er niet veel van snapten.

Wanneer hij bezig was een vraag van hun te beantwoorden, werd hij halverwege de zin al afgekapt. Men meende het antwoord al te weten. Uit de volgende vraag bleek dan hoe goed, beter, hoe slecht ze het antwoord begrepen hadden. Van een goed vraag en antwoord spel was zodoende niet veel terecht gekomen. Volgens hem waren het daar gewoon een stelletje betweters.

Zij hadden intussen wel laten weten dat men hier geen zaken deed met onze reisverzekering. Dat hield in, vertelden ze, dat wij alles zelf moesten betalen!

Niet lang na dit verplichte nummer mocht hij naar de wachtkamer gaan en wachten tot men met mij klaar was. Het duurde volgens hem niet lang voordat hij hier binnen werd geroepen.

Ik liet hem weten dat er inmiddels iemand bij me was geweest die een hartkwaal vermoedde maar dat ik het er niet mee eens was.

Mijn ademhaling was inmiddels weer redelijk normaal en ik merkte nu ook dat ik weer een gesprek kon voeren, iets waar ik de laatste paar uur beslist niet toe in staat was.

Even later kwam er iemand naar me toe met de mededeling dat het niet mijn hart was, maar dat ik vermoedelijk de een of andere vorm van infectie aan de longen had.

Met deze mededeling werd mijn mening bevestigd dat het niet mijn hart was maar de longen. Dat mijn hart goed was daar twijfelde ik bijna niet aan. De laatste paar jaar reed ik wel eens met een hartslagmeter daardoor had ik mijn hart aardig leren kennen. Hier had ik die meter niet bij me, maar de afgelopen dagen had ik niets ongewoons gemerkt.

De longen daarentegen was een ander verhaal. Tot nu toe hadden die altijd hun werk goed gedaan voor zo ver ik wist, ook de afgelopen dagen in de bergen. Of ze inderdaad goed werkten wist ik niet, een longonderzoek had ik nog nooit gehad. Nu ik, liggend vanaf een brancard, de foto’s van mijn longen goed kon zien zag ik dat ze aardig zwart waren, dat leek me niet goed toe. Ik begreep nu de vraag van die arts die bij me kwam met de vraag of ik ook rookte.

Even later kwam er weer iemand bij mij en stelde mij nog wat aanvullende vragen. Wij stelden hem de vraag wat de gevolgen konden zijn van een eventuele longkwaal. Konden we onze geplande reis volgens plan afwerken, moesten we die aanpassen of de hele reis afbreken?

De betreffende persoon kon ons dat nog niet vertellen. Hij kende de uitkomst van het onderzoek nog niet; men was er nog druk mee bezig. Hij wilde wel kwijt dat de meeste mensen die hier zo als ik binnenkwamen, meestal gewoon weer naar huis konden, pas nadat ze voorzien waren van de nodige medicijnen.

Dit klonk ons goed in de oren en waren heel positief over het slagen van de tocht. Het zou zeker hier en daar wat aangepast en/of ingekort moeten worden maar we waren vol goede hoop dat we Granada zouden halen.

We waren nog druk bezig te bepraten wat er geschrapt moest worden toen er iemand bij ons kwam met de mededeling dat ze nogal wat dingen op de foto’s van mij gevonden hadden die niet goed zaten of niet helemaal klopten, volgens hun Wat dat was wisten ze niet maar voor hen was dat wel een reden om mij voor 2 à 3 dagen op te nemen!

Dat was duidelijke taal. Ik wist nu dat het niet met een sisser afliep en dat dit grote gevolgen zou hebben voor de rest van onze tocht.

Het was inmiddels zes uur geworden toen men met deze mededeling kwam en wij dus ook wisten waar we aan toe waren.

Het enige positieve van dit gebeuren vond ik dat ik nu ook eens de kans had om een buitenlands ziekenhuis aan binnenkant kon bekijken, voor de rest was ik er niet blij mee.

3. Patiënt

Men nam nu allerlei maatregelen om opname mogelijk te maken. Er werd een bed gehaald, waardoor de brancard die ik tot nu toe in gebruik had, overbodig werd en om een uur of acht ging men met mij op reis naar een afdeling. Deze eindigde op kamer 429-2. Dit was een tweepersoons kamer die ik moest delen met een man van ongeveer zeventig jaar.

429-2 betekend zoveel als kamer 29 op de 4de verdieping, bed 2, gerekend vanaf de deur. Dit leverde mij een plaats bij het raam op. Wanneer ik door het raam naar buiten keek, keek ik naar het zuiden, over het prachtig glooiende landschap in de omgeving van El Escorial.

Terwijl men mij op de kamer aan het installeren was kreeg ik bezoek van de camping, juist ja, die twee fietsers. Zij hadden zich ongerust gemaakt en wilden weten hoe het met mij was. Zij vonden dat we veel te lang wegbleven voor een onderzoek. Daardoor rees bij hen het vermoeden, dat men misschien wel in een keer door naar Madrid was gereden.

Via de receptie van de camping waren ze te weten gekomen dat niet ver van de camping een ziekenhuis was. Een telefoontje van de campingbeheerder was genoeg om te weten te komen of ik daar naar toe was gebracht. Men bevestigde dit en liet weten dat ik daar inmiddels was opgenomen.

Net zo als wij waren zij duidelijk verrast, deze wending was niet voorzien. In grote lijnen vertelden we hun wat er vanmiddag allemaal met mij was gebeurd. Het verhaal werd kracht bij gezet doordat ze mij in een ziekenhuisbed konden zien liggen, gekoppeld aan een zuurstofslang en met de arm verbonden aan een infuus waarmee ik glucose kreeg toegediend.

Helaas konden we hun nog niet vertellen wat er nou aan de hand was, zelf wisten we het ook nog niet. We wisten nu wel dat dit geen zomergriepje was. We waren het er vlot over eens dat ik vanmorgen de situatie duidelijk had onderschat. Aan de andere kant zaten zij zich te verwijten waarom zij vanmorgen, af en toe, bijvoorbeeld ieder uur, niet even waren komen kijken hoe het met mij ging. Dan was er veel eerder hulp geweest en had het niet zover hoeven te komen.

Gelukkig leek het nu met het nodige kunst en vliegwerk toch nog goed te komen, maar het was wel even schrikken geweest.

Om een uur of negen kreeg ik een maaltijd geserveerd. Dit was laat, mijn buurman had dat een uur geleden al gekregen. Veel zin in eten had ik niet en zeker niet meer toen ik er achter kwam dat het nagenoeg koud was. Het enigste wat ik nam was het fruit, dat leek me nog wel lekker.

Eigenlijk had maar aan een ding behoefte en dat was slaap. Dit liet ik het gezelschap dat rond mijn bed stond ook weten. Niet lang daarna vertrokken de drie fietsers.

Dat slapen lukte niet goed omdat mijn kamergenoot tot laat in de avond nog veel bezoek had en met z’n allen bij de televisie zaten waar de een of andere voetbalwedstrijd.

Om een uur of half een kwam er nog iemand langs met de vraag of ik wat wilde drinken. Op dat moment had ik daar geen zin in, maar omdat ik niet wist wanneer ik weer wat kreeg leek het me verstandig om wat vruchtensap bij de hand te hebben. Voorlopig zou ik er niet aankomen maar wanneer ik de volgende dag wakker was kon dat wel eens lekker zijn. Verder maakte men van de gelegenheid gebruik om via het infuus mij nog een extra infuus met antibiotica erbij te geven en om het helemaal compleet te maken werd er ook nog een injectiespuit met de een of ander substantie in leeg gespoten.

Goed geslapen heb ik deze nacht niet. Verschillende keren ben ik wakker geweest. Dit kwam gedeeltelijk door mijn kamergenoot die een paar flinke en benauwde hoestbuien kreeg, anderzijds doordat de verpleging bij mij een nieuw infuus moest aansluiten en gelijk van de gelegenhuid gebruik maakten om er ook maar weer een antibiotica infuus aan te sluiten.

‘s Morgens om half acht werd ik uit bed gestuurd. Men was de kamer binnengekomen met een kar vol linnengoed en we werden verzocht ons te douchen of te wassen en daarna schone kleren aan te trekken. Daarvoor kregen we elk een schone pyjama, een spons waar al zeep in zat en een handdoek.

Mijn kamergenoot kende dit ritueel al en was al door zijn vrouw uit bed gehaald en op weg naar de douche. Het verbaasde me dat die vrouw er al zo vroeg was, ik had nooit vernomen wanneer die hier vanmorgen was binnengekomen. Ik vroeg me af wanneer het hier bezoekuur was. Het kwam op mij vreemd over dat er zo vroeg op de dag al bezoekers op de kamers rondlopen.

In die periode die wij nodig hadden om ons te wassen, werden de bedden af gehaald en kwam er schoon beddengoed op.

Op het tijdstip dat ik, gewassen en al weer naast het bed zat voelde ik me redelijk goed, het benauwde gevoel was weg maar voelde me nog wel moe. Mijn eetlust was ook weer aardig terug en ik had best zin in wat lekkers. Dankbaar maakte ik van deze situatie gebruik om van het vruchtensap te proeven dat ik gisteravond gekregen had. Het smaakte goed en liet de rest van het glas mij ook goed smaken.

Even later kwam er iemand de kamer binnen en die zag dat ik aan het drinken was. Ik kreeg een standje. Ik moest nuchter blijven tot men van het laboratorium was geweest voor een bloedmonster. Helaas viel er weinig meer te regelen, het kwaad was geschied, het glas was bijna leeg.

Niet lang daarna kwam er iemand van het laboratorium. Ik vond het niet nodig om haar op de hoogte te stellen van mijn zonde en liet haar gewoon haar werk doen. Ik zou wel zien, in het ergste geval zou de volgende dag proef herhaald moeten worden en ik was vast van plan om daar de komende nacht rekening mee te houden.

Het ontbijt, of wat daar voor door moest gaan, kwam een uur of negen. Het bestond uit niet meer dan een paar koekjes. Dat zelfde spul kochten we zelf onderweg ook wel eens en was dan bedoeld voor een tussendoortje. Nu was het bedoeld als maaltijd, naar smaak kon je er koffie of thee bij krijgen. Gelukkig werd dit geserveerd in een grote mok.

Voor vandaag had ik aan dit ontbijt voorlopig genoeg. Wanneer ik hier nog een paar dagen moest blijven, mijn oude eetlust weer terugkwam en het ontbijt niet meer zou blijven voorstellen als dit, werd het tijd om deze tent te verlaten en mijn eigen tent op te zoeken. Een kopje thee met een koekje als ontbijt; je moet er maar opkomen!

Maar goed vandaag hoefde ik niet te werken, niet te fietsen; ik hoefde alleen maar te zitten en/of te liggen. Zo bekeken hoopte ik dat ik met dit ontbijt de morgen kon doorkomen.

Later die morgen kwam er iemand de kamer schoonmaken. Een praatje van mij met die persoon bleek onmogelijk. Zij sprak alleen maar Spaans en demonstreerde dat heel duidelijk door gezellig met mijn buurman en zijn echtgenote in vloeiend Spaans te babbelen, voor mij redenen genoeg om de conversatie in Engels of Nederlands maar direct op te geven.

Vanzelf kwamen in de loop van de morgen ook de nodige onderzoeken en artsen langs; niet alleen bij mij, maar ook bij mijn buurman. Wat hem mankeerde weet ik tot op de dag van vandaag niet. Het praten met elkaar was bijna niet mogelijk doordat we verschillende talen spraken. Wel weet ik zeker dat hij iets met de longen had maar dat was niet het enige. Er waren meer dingen bij hem die niet naar behoren functioneerden. Zoals hij hier aanwezig was, wekte hij op mij de indruk dat hij een persoon was die medelijden met zichzelf had omdat hij ziek was en nu niets meer kon. Dit werd versterkt door het beeld dat hij opriep. Hij regeerde als een soort dictator zijn vrouw die hem op zijn wenken moest bedienen en zijn vrouw was slaafs genoeg omdat te aanvaarden.

Wat de arts deed die bij mij langs kwam, begreep ik niet helemaal. Hij luisterde naar mijn longen, zowel op de borst als op de rug, maar welke conclusies hij daaruit trok weet ik niet. Wie dat was weet ik ook niet. Later hoorde ik dat het een neuroloog was geweest.

Met zijn gevolg sprak hij wel over mij maar deed totaal geen moeite om met mij te praten. Op een vraag van mij wat ik mankeerde, antwoordde hij schouderophalend.

Ik wist niet wat dit betekende, en vroeg mij af: "Begrijpt hij mijn vraag niet, of weet hij niet wat er met mij aan de hand is?" Allebei de antwoorden waren mogelijk. Dit was dan ook het enige contact met hem, ik heb hem hierna niet meer gezien.

In de loop van de morgen kwam er nog iemand de kamer op met de mededeling dat hij priester was. Ik probeerde een gesprek met hem aan te gaan maar deze man sprak alleen maar Spaans en Italiaans. Laten dat nou net talen zijn waar ik moeite mee had. Omdat mijn buurman ook geen geestelijke hulp nodig had, voelde hij zichzelf aardig overkompleet en duurde zijn bezoek aan ons niet lang.

Omstreeks het elfde uur kwam men langs om te vragen wat ik wilde drinken, ranja of vruchtensap. Ik koos voor vruchtensap en begreep dat dit voor koffie moest doorgaan, maar dan wel zonder koek.

Ondertussen struikelde iedereen over mijn schoenen. Niet dat mijn schoenen in de weg stonden, dat kon helemaal niet; ik had ze niet eens bij me! En dat was hier nou net het probleem! Wanneer je hier lopend patiënt was moest je schoenen aan hebben en omdat ik die niet bij me had, zat ik gewoon met sokken aan op de stoel en dat mocht niet!

Gisteren in de tent had ik geen schoenen aan, wat voor mij nou niet bepaald een uitzondering is. Wanneer ik thuis ben loop ik zelden op schoenen, meestal loop ik gewoon op sokken. Ik vind schoenen een soort gevangenis voor de voeten. Als vogel vrije fietser die zich graag vrij wil bewegen vind ik dat dit ook voor de voeten moet gelden. Wanneer ik, zoals hier de bedoeling was, aan het kamperen ben, mag ik graag op blote voeten over het gras lopen of bij de tent zitten, ik vind dat veel prettiger.

Gistermorgen had ik de schoenen wel eerst aangetrokken om heen en terug het toiletgebouw te gaan. Terug bij de tent werden de schoenen uitgedaan en hield alleen de sokken aan. Toen ik min of meer hals over kop hier naar toe werd gebracht, heb ik er geen seconde aan gedacht om die dingen aan te trekken, ik had wel wat anders aan het hoofd. Bovendien wist ik toen ook niet dat ik zou worden opgenomen en al had ik dat geweten, dan denk ik niet dat ik schoenen op het lijstje had gezet.

Ik had hier dus geen schoenen en daar maakte men hier een groot probleem van. Men vond toch dat ik daar wat aan moest doen.

Dat beloofde ik maar liet hun wel weten dat zij geen wonderen moesten verwachten. Wanneer alles volgens plan verliep zou ik morgen pas schoenen hebben. Vanmiddag zou mijn broer wel langs komen, dan zou ik hem om schoenen vragen. Je mocht er dan vanuit gaan dat hij die dan morgen zou meenemen, tot zolang moesten ze geduld hebben.

Dat vond men veel te lang duren, ik kon eens koude voeten krijgen! Omdat te voorkomen haalde men een papieren luier en plaatste die voor de stoel waar ik op zat. Daar kon ik dan de voeten op zetten en kon de kou die de vloer uitstraalde niet bij mijn voeten komen. En nogmaals werd ik dringend verzocht om er bij de familie op aan te dringen om zo spoedig mogelijk voor schoenen te zorgen.

Om een uur of een kreeg ik eindelijk eens een maaltijd voorgeschoteld. In mijn ogen was dit de hoogste tijd omdat ik vanmorgen nog niet veel te eten had gekregen.

Het eten smaakte me veel beter als gisteravond en was ook veel beter op temperatuur.

Op het blad stond een bord waarop een stuk vlees lag met groene versiering, een bakje met rauwkost en er was een soort van kom waarin een soort "soepje" zat bestaande een uit een bruinige vloeistof (soep of jus) die royaal was voorzien van aardappelen en groente. Verder lagen er nog twee grote bananen op het blad.

Terwijl ik aan het eten was, kwam mijn broer op bezoek. Hij had een fietstas bij zich waarin verschillende dingen zaten die ik misschien nodig zou kunnen hebben. Hierbij waren onder anderen mijn schoenen, dit tot grote opluchting van iedereen.

Hij begreep hier eerst niets van maar nadat hij het schoenenverhaal gehoord had, werd het hem duidelijk en kreeg hij door waarom ik een luier voor de stoel had liggen. Hij begreep dat hij vanmorgen een gouden ingeving had gehad. Na het eten heb ik ze direct aangetrokken, sindsdien is er niemand meer over mijn schoenen gestruikeld.

Behalve het schoenenverhaal, kon ik hem niet veel nieuws vertellen, alleen de dagelijkse gang van zaken; hij mij des te meer.

Vanmorgen had hij met de verzekering gebeld en die had hem laten weten dat, wat het zakendoen met dit ziekenhuis betreft, hij geen actie meer hoefde te ondernemen. Men zou zelf contact met het ziekenhuis opnemen en het verder met hun regelen. Het zou voor hen wel wat gemakkelijker worden wanneer zij wisten welke arts mij behandelde en wanneer er wat veranderde in mijn situatie.

Welke dokter mij behandelde wist ik niet. Die vraag was nog niet bij mij opgekomen. Ik beloofde hem dat ik er werk van zou maken. Ik vond het zelf ook te gek voor woorden dat ik niet eens wist welke arts mij behandelde!

Verder wilde mijn broer weten of ik wat aan mijn kamergenoot had. Mijn antwoordt was, dat het, afgaande op het soort mensen dat er bij hem op bezoek kwam, eenvoudige Spanjaarden waren die alleen maar Spaans spraken. Helaas bracht ik daar heel weinig van terecht. Contact met die mensen was er wel maar minimaal en daar kon hij zich wel iets bij voorstellen.

Samen kwamen we tot de conclusie dat men hier geen bezoekuur kende. Gisteravond had hij met dat doel alle papieren nagekeken Hij had daarin niet kunnen vinden wanneer het bezoekuur was. Hij was vandaag dus maar op goed geluk hier naartoe gegaan in de hoop dat hij bij mij terecht kon. Dat bleek zonder problemen te kunnen.

Ik bevestigde min of meer zijn verhaal. Niet dat ik wist wanneer het hier bezoekuur was, maar wanneer ik naar mijn buurman keek en zijn vrouw niet als bezoek rekende, die was er de hele dag, dan kon ik zondermeer stellen dat het hier van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat bezoekuur was. Gisteravond had men tot laat in de avond met een flink aantal mensen naar het voetbal gekeken en vanmorgen om half negen waren de eersten er al weer geweest.

De enigste afleiding die ik had was, behalve het schrijven, het komen en gaan van de verpleegkundigen die de gang van zaken van de infusen en zuurstof bij mij controleerden, het komen en gaan van de verschillende bezoekers bij mijn buurman en de televisie.

Aan de televisie had ik niet veel. Op het tijdstip dat ik hier verbleef was in Frankrijk het wereldkampioenschap voetbal aan de gang. Elke wedstrijd werd direct uitgezonden, met daar achteraan nabeschouwingen, herhalingen en wat dies meer zei. Ik vindt dit soort programma’s: Tijdverspilling! Helaas, voor mij dacht mijn buurman en niet te vergeten zijn bezoekers daar anders over.

Radio was hier niet maar die miste ik niet. Telefoon had men hier niet op zaal en dat vond ik vervelender. Niet dat ik van plan was om de hele wereld af te bellen maar van mijn broer had ik wel begrepen dat de familie in Nederland graag contact met mij wilde hebben. Voor zo ver wij wisten was dat onmogelijk. Nu moest mijn broer overal zelf achteraan, terwijl het voor de hand lag dat ik in deze situatie best de contacten met de familie in Nederland kon onderhouden. Het zou het voor hem een stuk gemakkelijker maken. Voor de rest van de dag gebeurden er geen enerverende dingen.

Om een uur of vier kreeg ik weer een consumptie, ongeveer hetzelfde als ik vanmorgen als ontbijt had gekregen en om een uur of acht weer een flinke warme maaltijd, vergelijkbaar met die van vanmiddag. Wanneer je het positief bekeek moest je stellen dat twee warme maaltijden per dag beslist niet slecht was. Wat mijn gezondheid betreft, vandaag voel ik me veel beter als gisteren maar ik ben nog lang niet de oude.

4. Het herstel

De volgende dag, woensdag, verliep in grote lijnen ongeveer net zo als gisteren. Weer laat ontbijt maar wel weer twee warme maaltijden. Het eten dat ik ‘s middags had, was een heerlijke paella en als fruit vier perziken.

Verder ben ik er achter gekomen dat de echtgenote van mijn buurman hier "woont". Gisteravond zag ik dat zij een stoel pakte, die vervolgens ombouwde tot een soort ligstoel en voorzag die van dekens. Half zittend, half liggend op die stoel bracht zij de nacht door.

Vanaf half negen had mijn buurman de hele dag weer bezoek. Dit werd vanmorgen wel even voor meer dan een uur onderbroken voor een bezoek aan de polikliniek. Toen hij daar weer vandaan kwam had hij de voor hem verheugende mededeling dat hij morgen naar huis mocht.

Om een uur of elf kwam er weer een dokter voor mij, weer een andere als gisteren. Ik vond het maar een rare bedoening hier, iedere dag een andere dokter. Vertwijfeld vroeg ik me af of ik geen eigen behandelend arts had.

Voordat ik aan het stellen van die vraag toe was, kwam die dokter op mij af en stelde zich voor als dokter Gomez; Rico Gomez om precies te zijn.

Dat was nieuw voor me, tot nu toe had nog niemand zich aan mij voorgesteld. Hij kwam er al snel achter dat ik geen Spaans sprak. Zelf kon wel wat Engels, genoeg voor de kennismaking maar om een gesprek te voeren, veel te weinig. Wel begon hij mij te onderzoeken, waarbij de hoofdzuster van de afdeling, zuster Maria Jezus Segovia, hem terzijde stond. Hij beluisterde mijn longen, veel uitvoeriger dan dat tot nu toe was gebeurd en verliet daarna de kamer. Hij had wel laten merken dat hij niet lang weg zou blijven.

Een kwartiertje later was hij weer terug, nu met iemand die veel beter Engels sprak dan hij. Die persoon legde mij uit dat hij als tolk zou fungeren. Nu werden en concrete vragen gesteld waarop ik ook concrete antwoorden kon geven. Ik kreeg de indruk dat hij daar wat mee kon. Vanaf dat moment kwam de zaak goed opgang. Ik kreeg nu het gevoel dat er werkelijk wat gebeurde. Dit kwam zeer zeker ook door de medicijnen die hij me nu voorschreef en aan het eind van de dag kon ik al merken dat het beter werd. Ik hoestte nog wel maar ik voelde dat het niet meer zo diep weg hoefde te komen.

Toen ik donderdags wakker werd had ik een goed gevoel over me. Ik had de afgelopen nacht goed geslapen. Wel was ik een paar keer wakker geweest omdat er een nieuw infuus aan moest maar dat was dan ook alles.

Na het ochtendritueel, waarbij ik weer een schone pyjama kreeg, het bed werd verschoond en de kamer werd schoongemaakt, wilde ik eigenlijk wel eens van de kamer af. Gisteren had ik voor een groot gedeelte de dag naast het bed en schrijvend door gebracht en daardoor had ik me niet verveeld. Vandaag kon ik daarmee verder gaan maar ik wilde ook wel eens wat van het ziekenhuis zien. Tot nu toe had ik niet veel meer gezien dan de vier muren van deze kamer.

Een wandeling door de gang moest kunnen. Het infuus hing aan een standaard die op wielen stond; dat mocht geen probleem geven. Bij de zuurstof lag dat anders. De zuurstofslang was lang genoeg om door de kamer te schuifelen en om op het balkon te komen, daar hield het mee op. Wilde ik bijvoorbeeld de gang op, dan moest dat gebeuren zonder zuurstof.

Dat leek me niet verstandig. Je mocht aannemen dat ik op deze afdeling bekend stond als die buitenlander die geen Spaans kent, dan ben je al gauw een beroemdheid. Men weet dan vaak ook meer bijzonderheden van je, dus ook dat je zuurstof gebruikt. Wanneer je dan door de gang loopt, dan weet men dat ik de zuurstof heb afgedaan en dus zondig. Sinds ik deze conclusie deed voelde ik me als een soort kettinghond die aan de muur gekluisterd is doormiddel van een zuurstofslang.

Van pure armoede liep ik maar naar het balkon toe, zette daar een stoel neer en ging daar verder met schrijven. Ik zat dan mooi in de buitenlucht, dus niet tussen 4 muren. Op de kamer was het toch een drukte van belang omdat de echtgenote van mijn buurman, de boel aan het inpakken was.

Om een uur of elf kwam dokter Gomez langs. Na een luisterproef aan mijn longen hoorde ik dat hij, net zo als ikzelf, best te spreken was. Hij wilde zijn onderzoek voortzetten op de polikliniek. Daar wilde hij mij onderwerpen aan blaasproeven. Hij verwachtte mij daar rond één uur.

Even voor dat tijdstip kwam een zuster de kamer binnen. Ze had een dikke bruine kamerjas bij haar. Die moest ik aantrekken om daarna, zittend in een rolstoel door haar naar de poli gebracht te worden. Via de lift en een reis door verschillende gangen stopten we bij een deur waar een groot bord stond met het Spaanse woord voor Pulmonologie erop. Daar werd ik neergezet.

Vrij vlot werd ik door die deur naar binnen gereden en moest ik verschillende oefeningen doen waarbij ik aan allerlei metertjes was bevestigd. De gesprekken verliepen voorspoedig, men was zo slim geweest er iemand bij te halen die Engels kon.

Dokter Gomez was best te spreken over de proeven. Hij wilde morgen nog even afwachten maar wanneer alles ging zoals hij nu verwachtte dat het zich zou ontwikkelen dan kon ik wat hem betreft daarna dit huis wel verlaten; verder liet hij me weten dat ik astma had.

Nadat het programma was afgewerkt werd ik weer op de gang gezet en moest ik wachten totdat ik werd opgehaald. Dit duurde vrij lang voor mijn gevoel, achteraf heb ik daar maar een twintig minuten gezeten voordat er een verpleegster kwam die mij weer terug naar de kamer bracht.

Daar moest ik ontdekken dat het eten hier al een mooi poosje had gestaan en inmiddels koud was. Een lelijke tegenvaller, ik heb het toch maar opgegeten want het eten dat ik vanmorgen had gehad was net zo weinig als gisteren. Ik had best zin in een stevige maaltijd; liever koud eten dan geen eten.

Na het eten ging ik verder met het schrijven maar het schoot niet snel op. Mijn gedachten gingen steeds maar weer terug naar wat dokter Gomez mij had verteld. Ik wist nu dat het astma was maar wilde dat niet geloven.

Zeker astma kwam voor in de familie. Maar, bij die mensen had het zich heel anders ontwikkeld. Dat leek totaal niet op datgene wat mij de afgelopen dagen was overkomen. Bij hen was het een langzaam voortschrijdend proces van jaren geweest, waarbij ook nog verschillende allergische reacties bij kwamen. Voor zover ik wist was ik nergens allergisch voor en bij mij was het van de ene op de andere dag aan komen waaien, waarbij ik het "Spaans benauwd" had gehad. Voor mijn gevoel was ik voor de dood weggehaald. Dat zou allemaal simpelweg terug kunnen worden gebracht tot astma. Dat wilde er bij mij niet in. Ik had een totaal ander beeld van iemand die astma had.

Mijn broer die ‘s middags langskwam begreep het ook niet. Hij zei: "Ik kan nou niet zeggen dat je fluitend de bergen opging, zoals men vaak zegt wanneer men het over een astmatisch iemand heeft. Voor jou was dat letterlijk. Wanneer je in mijn tempo de berg op reed, kon je dat met twee vingers in de neus doen. En dan zeggen ze dat je astma hebt". We konden het gewoon niet begrijpen. Voorlopig gingen we er vanuit dat er vermoedelijk ergens een misverstand was.

Aan de andere kant waren we best te spreken over hoe ik mij voelde en wat de dokter verder had gezegd: "Morgen weer naar huis!"

Als dat doorging zou het er voor hem een stuk gemakkelijker op worden. Hij hoefde dan niet meer elke dag hier naar toe te rijden en dat vond hij eigenlijk een flinke opgave.

Niet vanwege de afstand, dat was maar zes kilometer, het probleem lag anders. Wanneer hij van de camping hier naar toe reed, moest hij die afstand constant bergop rijden. Daardoor kwam hij hier flink zwetend aan. Meestal ging hij dan eerst een poosje in de wachtkamer zitten om wat af te koelen, hij wilde niet badend in het zweet bij mij op de kamer komen. De terugreis verliep altijd heel gemakkelijk, gewoon bij de helling naar benenden rijden. Deze volgorde had hij liever andersom gehad.

Vandaag leefde ik een groot gedeelte van de dag alleen op de kamer. Mijn buurman was vertrokken, het bed weggehaald en ik bleef alleen achter. Ik vond het wel prettig de hele dag dat bezoek in en uitlopend en altijd de televisie aan met het voetbal erop. Nu was ik zelf baas en was blij dat het toestel ook een knop had waarmee je hem ‘uit’ kon zetten. Lang duurde deze luxe niet. ‘s Avonds om een uur of negen kwam er weer iemand met bed en al de kamer op, met een leger familie bij zich die allemaal voetbal moesten kijken. Deze man lag net zo als mij aan de zuurstof en infuus maar meer overeenkomsten zag ik niet. Toen het voetballen afgelopen was vertrok de familie en keerde de rust weer.

De nacht verliep voor mij goed maar ik was wel regelmatig wakker omdat mijn buurman flinke hoestbuien kreeg waar ik wakker van werd. Vervelend vond ik dat wel maar ik mocht het hem niet kwalijk nemen. Hij was hier niet voor zijn plezier en dat hoesten zal vast wel een belangrijke reden geweest zijn voor zijn opname.

‘s Morgens om een uur of elf kwam mijn arts weer aandraven. Hij wilde weten hoe het er met mijn longen voorstond en vergat hierbij niet de stethoscoop te gebruiken.

Hij was goed te spreken over datgene wat hij hoorde, maar hij wilde zekerheid hebben. Daarvoor moest ik weer naar beneden voor blaasproeven. Hij verwachtte mij daar later die dag en mocht daar zelf naar toe lopen.

Hij kon toen constateren dat er een duidelijke verbetering in zat vergeleken met gisteren en er was wat hem betreft geen enkele reden om mij hier nog langer te houden. Hij gaf mij nog wat medicijnen mee om de komende dagen voor dat ik weer terug in Nederland was te overbruggen en mijn medisch dossier en wenste mij vervolgens wel thuis. Hij had nog wel een dringend verzoek aan mij: "Het zou heel verstandig te zijn om niet meer te fietsen!"

Ik heb dat direct tegengesproken door hem te vertellen dat ik over een jaar hier weer met de fiets voor de deur zou staan om hem te laten weten hoe het met mij ging. Hij ried mij dat sterk af, hij hoopte dat ik verstandig zou zijn.

5. Weer terug in de maatschappij

Toen ik weer terug was op kamer werd het tijd om de boel in te pakken. Daarna was het wachten op Bernard en die liet niet lang op zich wachten.

Hij had ook al enkele voorzorgsmaatregelen genomen zodat ik, op onze eigen manier, weer kon terugkeren op onze basis. Dat het vanaf hier naar de camping constant naar beneden ging, wisten we. We vonden dit gegeven veel te mooi om ongebruikt te laten. We hadden daarom besloten dat ik hier vandaag fietsend zou wegrijden. Daarvoor zou hij zijn eigen fiets op de camping laten staan en op mijn fiets hier naar toe rijden. Op die manier kon ik rijdend op mijn eigen fiets terugrijden. Zelf zou hij dan moeten lopen.

Natuurlijk konden we per taxi terugkeren, niemand die ons dat kwalijk zou nemen maar dit was volgens ons de enige juiste manier! Om een uur of drie die vrijdagmiddag was het zover dat ik het ziekenhuis kon verlaten. Ik was hier vier hele dagen geweest, in ziekenhuistermen praat men dan van vijf dagen.

Eigenlijk kwam mij dit nog heel onwerkelijk over. Vanmorgen zat ik nog aan de zuurstof en volop aan het infuus en nu was ik van plan om fietsend het terrein te verlaten.

Mijn broer had het goed gezien, er zaten een paar vlakke stukjes in maar voor de rest ging het alleen maar naar beneden; bijna de hele afstand kon ik gewoon de trappers stil houden. Dit kon nooit een inspanning zijn, dit was pure ontspanning.

Het was prachtig mooi weer en het deed me goed om de wind weer door de haren te voelen, ik kreeg een gevoel dat ik al veel te lang binnenshuis was geweest. Zoals te verwachten was, was ik eerder op de camping dan mijn broer. Daar stopte ik bij de kampwinkel waar we zouden boodschappen.

Ter plaatse beslisten we dat we eerst even de bar binnen gingen om te vieren dat ik hier weer terug was, boodschappen konden we daarna nog wel.

Om een uur of vijf was ik weer terug bij de tent. Veel bijzonders hebben we die dag niet meer gedaan. Zoals gewoonlijk hebben we weer ons eigen potje gekookt en ‘s avonds nog wat koffie gedronken en voor ons doen zijn we redelijk vroeg de slaapzak in gedoken. De belangrijkste reden hiervoor was de buitentemperatuur. Overdag was het hier een graad of dertig en ‘s avonds wanneer de zon weg was, bleef er nog minder dan de helft van over. Dat was een groot verschil. Zulke grote temperatuur schommelingen had ik de laatste dagen niet meegemaakt.

Die nacht, van vrijdag op zaterdag, zal me nog lang heugen. Ik kon maar niet in slaap komen. Niet dat ik geen slaap had, maar ik maakte me ernstige zorgen over mijn gezondheid. Niet dat ik me ziek voelde, maar ik voelde mijn hart bonzen. Het was duidelijk heel hard aan het werk en voor mij genoeg redenen om me ongerust over te maken.

Het was te donker om op een horloge de seconden af te lezen maar voor mijn gevoel maakte het hart veel meer dan honderd slagen per minuut. Ik begreep niet hoe dit kwam en hield er ernstig rekening mee dat de manier waarop ik van het ziekenhuis naar de tent was gekomen een mogelijke oorzaak kon zijn.

Spijt daarover had ik toen tot over mijn oren maar daar was het nu te laat voor. Ik kon voorlopig alleen maar afwachtten hoe dit zich zou ontwikkelen en wat de gevolgen hiervan zouden zijn. Dit alles duurde een paar uur lang! Het was dan ook al diep in de nacht voor ik eindelijk tot rust kwam.

Door wat mij de afgelopen nacht was overkomen, zat de volgende morgen de schrik er goed in. Ik nam me voor om vandaag mij te beperken tot schrijven, verder niets.

Wanneer ik naar de wc moest, die een honderd meter van de tent af stond, zou ik daar langzaam naar toe fietsen, dat kostte minder energie dan lopen.

In de loop van de dag begon ik te beseffen dat het gebeuren niets te maken had met wat ik gisteren had gedaan. Het lag veel meer voor de hand dat dit een reactie van het lichaam was op de verandering die ik gisteren meemaakte.

Gistermorgen kreeg ik nog extra zuurstof en was ik aangesloten op een infuus waar verschillende medicijnen door werden toegediend. Met het verlaten van het ziekenhuis was dit allemaal verledentijd en kreeg ik sommige medicijnen in tablet vorm, terwijl ik anderen moest inademen. Dit was vanzelf een groot verschil en je mag daarom niet vreemd opkijken wanneer het lichaam daarop reageert. Door dit alles verliep de zaterdag dan ook heel rustig maar wel goed.

Zondag werd ik wat actiever. Wanneer ik naar het toilet moest deed ik dat lopend en ik maakte ook een wandelingetje over de camping. Ik was van plan geleidelijk aan mijn activiteiten uit te breiden en onderwijl goed te luisteren naar mijn lichaam. Wanneer dat protesteerde zou ik direct een stapje terug doen. Op die manier wilde ik mijn grenzen verkennen. Onder geen beding wilde ik ook maar iets forceren. Ik had hier genoeg meegemaakt, voorlopig had ik genoeg meegemaakt!

Nu er voor ons, wat het voortzetten van onze fietstocht, geen sprake meer was, moesten we ons bezighouden met de vraag: Hoe keren we weer naar huis terug?

Wat medicijnen betreft kon ik ongeveer 14 dagen vooruit, binnen die tijd moest het gebeuren. We hadden een breed scala aan mogelijkheden. De verzekering had ideeën, de familie in Nederland had die ook, en natuurlijk ontbrak het onszelf daar ook niet aan.

We begrepen van het thuisfront dat die ons zo snel mogelijk weer wilden zien. Als het beslist noodzakelijk was dan wilden die ons hier wel weg komen halen. Het was vanzelf een mogelijkheid, die zeker niet voor de hand lag maar je mocht die per definitie ook niet uitsluiten.

Ikzelf had nog niet zo’n haast. Gisteren had ik nog gemerkt dat ik nog niet veel waard was en ik vond ook dat als het enigszins kon, we het zelf moesten regelen. We hadden nog een kaartje dat ons recht gaf op een vlucht van Granada naar Schiphol. Misschien was het mogelijk om per openbaar vervoer naar Granada te reizen en dan op de geplande datum per vliegtuig weer terug naar Nederland te vliegen.

Een andere mogelijkheid was om het kaartje in te ruilen voor een vlucht van Madrid naar Schiphol. Wanneer dat mogelijk was dan konden we vanaf hier met een taxi naar Madrid rijden waarna alle leed geleden was. Genoeg mogelijkheden dus en wij mochten een keus maken.

In de loop van de middag kwamen de andere ‘fietsers’ terug op de camping. Zij waren gistermorgen per openbaar vervoer vertroken voor een dagje Toledo maar hadden daar de laatste bus gemist. Ze waren toen gedwongen daar een nachtje te blijven. De samenstelling van dat gezelschap was inmiddels wel veranderd.

Een van die personen die mij maandagavond in het ziekenhuis bezocht was nog steeds dezelfde, maar hij had inmiddels gezelschap gekregen van zijn vriendin. Die was speciaal uit Nederland gekomen om hem hier een weekje gezelschap te houden.

De andere fietser die hem toen vergezelde, was inmiddels vertrokken voor een soloreis naar Nederland, waar hij een maand later aankwam. Zijn plaats was ingenomen door iemand die hier per motor naar toe was gereden en zijn vriendin als gezelschap achterop de motor had meegenomen.

Beide jongens kenden elkaar. De motorrijder had vroeger ook hij veel met de fiets rondgereisd en aan de verhalen te horen kon dat wel kloppen. Hij was nog steeds goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen en trends op fietsgebied. We hadden vandaag weer heel wat te vertellen en uit te leggen.

Omdat ik mij maandags weer beter dan de vorige dag voelde waren we er van overtuigd geraakt dat we hier op eigen initiatief weg konden komen. Het was alleen maar een kwestie van aansterken. Dat kostte tijd, maar die hadden wij in zekere zin genoeg.

Bovendien trok het weer dat op dit ogenblik in Nederland heerste ons niet zo. De andere fietsers hadden een Nederlands krant gekocht en daarin lazen we dat het weer in Nederland regenachtig was. Het werd omschreven als een waterballet, met foto’s die dat nog eens onderstreepten. Wij zaten hier met temperaturen van net boven de 30° C. waar we het volgens ons veel langer mee uit konden houden.

Alles tegen elkaar afwegend namen we vandaag de beslissing om om en nabij het volgende weekeinde richting Nederland te gaan als dat mogelijk was. Ter voorbereiding daarop zou Bernard vandaag naar het stadje gaan en proberen de vliegtuigkaartjes om te wisselen voor een vlucht Madrid-Amsterdam, het liefst op maandag.

Die dag leek ons het beste, niet zozeer wat het vliegen betreft maar wanneer we op Schiphol waren moesten we nog naar Zwolle. Omdat mijn broer uit ervaring wist dat de treinen op maandagavond niet vol zijn mocht je aannemen dat we dan de minste problemen met de fietsen konden verwachten.

Toen hij aan het eind van de middag weer terugkwam bleek het wat moeilijker te liggen. De vliegtuigkaartjes waren niet inwisselbaar, dat deed Iberia niet.

Wanneer we vanaf Madrid naar Nederland wilden vliegen moesten we nieuwe kaartjes kopen. Men verkocht geen enkele reizen maar alleen retourvluchten. Het keek daar wel vreemd van op, maar besloot zich daar maar bij neer te leggen; woensdagmiddag kon hij ze ophalen.

Ik kon me er wel in vinden, zelf had ik het waarschijnlijk ook gedaan. We moesten hier nu een keer weg en als de regels van die maatschappij zo zijn dan moest dat maar.

Misschien dat een andere maatschappij andere en voor ons betere regelingen heeft maar dan moest je die zoeken en hoogst waarschijnlijk ook op andere tijden, misschien wel midden in de nacht reizen. Nu konden we mooi overdag reizen en moesten we maar met de verzekering in debat hoe we daar mee aan moesten. Dat we nog een keer terug moest vonden we niet erg. We bedachten dat we dan misschien wel samen konden gaan. We konden dan een goede reden om wat van het stadje te zien. Dit voorstel viel goed, we besloten dat wanneer ik voor die dag geen inzinking kreeg, ik zou meegaan.

Dinsdag liep volgens plan, er gebeurde niets bijzonders. Wel mochten we die dag weer genieten van prachtig mooi zomerweer en dat is altijd meegenomen.

Om een uur stapten we woensdagmiddag in de bus richting El Escorial waar we tien kilometer verder in het centrum van het stadje uitstapten. We wisten dat we veel te vroeg waren om de kaartjes bij het reisbureau te halen. We gingen er vanuit dat er terrasjes genoeg waren. In de wetenschap dat er zich in het stadje een groot kloostercomplex bevond dat het bezoeken meer dan waard was, zouden we ons vast niet vervelen

We begonnen met een bezoek aan een terras en trakteerden onszelf op koffie met gebak.

Niet ver hiervandaan bevond zich het klooster. Men had ons wijsgemaakt dat het er vlakbij was maar het domineerde de stad. Het complex was een stad op zichzelf. Het was geheel ommuurd en binnen die muren was nog een groot plein. De totale afmetingen van dit pompeuze bouwwerk zijn 208 x 162 m. In dit complex bevinden zich in totaal meer dan 16 kilometer gangen. Het was gebouwd door Juan Bautista de Toledo in opdracht van Koning Philips de II. Op het moment dat wij het bezochten hield men hier een tentoonstelling over deze persoon. Ik heb niet begrepen of dit een tijdelijk of een permanent karakter had.

Philips de II was de man die na Alpha de heerschappij over Spanje voerde. Omdat dit was tijdens de tachtigjarige oorlog, meende hij ook over ons land te kunnen regeren. In onze geschiedenisboeken komt deze man er dan ook niet best vanaf, dit in tegenstelling met de Spanjaarden die in hem een groot leider zagen.

Ik veroorloofde me om hieruit de conclusie te trekken dat geschiedschrijving subjectief is. Het is maar net door welke bril je het bekijkt.

Bij dit kloostercomplex hoorde ook een kapel, rijk versierd, met muurschilderingen en vooraan in de kerk een prachtig altaar zoals je in roomse kerken mag verwachten De muren waren vol geschilderd met grote afbeeldingen van personen of gebeurtenissen uit de bijbel.

De beide zijmuren werden ook nog eens opgesierd met een groot orgel, die pal tegenover elkaar waren geplaatst.

Op het moment dat wij er waren, werden die afwisselend bespeeld. Oogcontact, versterkt met gebaren met de bespeler van deze instrumenten bracht deze man er toe om naar beneden te komen en ons mee naar boven te nemen. Hoewel ook hier de verschillende talen die we spraken een probleem vormden bleek dat de taal van de muziek door iedereen wordt verstaan. Hij demonstreerde verschillende klanken waarbij hij de beroemde Spaanse tongwerken niet vergat te demonstreren. Nu ik die hier hoorde op een manier zoals men die hier gebruikt begreep ik die functie. Het was niet bedoeld voor vredelievende doeleinden maar werden gebuikt om de strijd te symboliseren.

Op de galerij die zich achter in de kerk bevond en groot genoeg was om een groot koor met orkest te plaatsen, stond een grote speeltafel waarmee beide orgels tegelijk bespeeld konden worden, dan had je dus als het ware een heel groot orgel. Ook hier liet hij ons een paar kunstjes horen en nam ons mee in op reis door de Spaanse orgelmuziek waar we hier in Nederland nog veel te weinig van afweten.

Door de middag op deze manier door te brengen ging de tijd veel te snel voorbij en kwam het tijdstip dat we de kaartjes voor de terugreis konden ophalen, snel dichterbij.

"Dat kaartjes halen" had veel meer voeten in de aarde dan we dachten. Je kon rustig stellen dat de hele procedure weer opnieuw gestart moest worden. Mijn broer had het gevoel dat men hem de vorige keer niet serieus had genomen. Men had gewoon aangenomen dat hij niet meer terug zou komen. Dat neemt niet weg dat we voet bij stuk hielden en niet zonder de bewuste plaatsbewijzen verlieten.

Terug bij het busstation kwamen we tot de ontdekking dat we het verkeerde moment hadden uitgekozen voor de terugreis. Een kwartier geleden was er een bus vertrokken, en over twee uur reed er weer een.

Om zolang op een bus te wachten hadden we niet veel zin en omdat de taxistandplaats vlakbij was lag het voor de hand dat we nu een taxi namen. Alles bij elkaar konden we terug zien op een geslaagde middag waar ik met plezier op terugkeek.

Natuurlijk zat er ook een bedoeling bij. Dit evenement was ook bedoeld als test. Wanneer ik deze middag zonder problemen doorkwam moest de terugreis naar Nederland ook zonder problemen kunnen.

Als test is deze middag redelijk goed verlopen. Het enigste wat ik er van overhield was dat ik de volgende dag last had van een irriterend droog kuchje. Volgens mij was dit een reactie van de longen op de excursie van de vorige dag. Wanneer het daar bij bleef, kon ik er mee leven. Voor de terugreis naar Nederland kon ik nog een paar dagen rusten en weer op krachten komen. Ik wist nu dat ik die reis aan kon en zag hem dan ook vol vertrouwen tegemoet.

De volgende dag, donderdag, was de dag die de motormuizen hadden uitgekozen om te vertrekken. De komende nacht wilden ze de nacht ergens in zuid-Frankrijk doorbrengen, de nacht daarop ergens in noord-Frankrijk. Zaterdag hoopten ze weer in Nederland te arriveren.

Vrijdag was weer zo’n dag waarvan er dertien in een dozijn gaan. ‘s Avonds kregen we een afscheidsdiner aangeboden van de overgebleven fietser en zijn vriendin. Het komende weekeinde zouden beide apart naar Nederland vliegen; zaterdag zij en zondag hij. Hij zag het niet zitten om helemaal alleen van hier naar Nederland te fietsen. Daarom had hij gekozen om dat per vliegtuig te doen.

Dat hij niet met zijn vriendin mee kon had verschillende redenen. Zij had haar reis al een poosje geleden geboekt bij Air France maar die waren nu aan het staken. Zij was overgeboekt naar een andere maatschappij en moest nu via München vliegen en daar overstappen. Hij zou net zo als wij met Iberia vliegen en had net als ons een retourbiljet, en kon wel rechtstreeks naar Nederland reizen. Omdat wij de maandags zouden vertrekken stond de maaltijd in het teken van afscheid

De zaterdag verliep ook normaal voor ons doen, we wensten onze landgenote een goede reis toe, die door haar vriend tot aan de luchthaven zou worden begeleid. Hij kwam in de loop van de middag terug en hem konden we de zondags een goede reis toe wensen.

Door dit alles bleven wij alleen op het grote veld van de camping over. De afgelopen week was er niemand bijgekomen. De reden was dat men vermoedelijk het gras of wat daar voor door moest gaan, wilde maaien. De afgelopen dagen was men al druk in de weer geweest met de naburige velden. Nieuwe gasten die op deze camping arriveerden kregen een ander veld toegewezen. Natuurlijk hadden wij daar denk ik ook wel kunnen gaan staan maar het had wel iets om op een groot veld helemaal alleen te staan, en voor die paar nachten vonden we het ook niet nodig.

Bovendien was het in het laats van de week en de ervaring had ons geleerd dat de camping dan goed bezocht wordt. Wanneer we op dat veld wilden gaan staan was het beter om te wachten tot maandag of dinsdag zodat we een mooi plekje konden uitkiezen. Omdat maandag voor ons de dag van vertrek was zagen we de toegevoegde waarde er niet van in. Op de plek waar we nu stonden hadden we vanzelf wel het een en ander meegemaakt en dat geeft wel enige binding.

Eindelijk was het dan maandag, de dag van vertrek. Vandaag wilden we om een uur of tien bij de uitgang staan zodat we een uur of elf bij het vliegveld waren. Dat was eigenlijk veel te vroeg, het vliegtuig zou pas om half vijf vertrekken, maar we moesten er rekening mee houden dat ik niets kon doen. Wanneer dat het geval was moest mijn broer beide fietsen op het vliegveld inpakken om die dingen per vliegtuig vervoerd te krijgen. Dit houdt in dat de fietsen zo laag en plat mogelijk moeten zijn en geen uitstekende delen mogen hebben. Als extra bescherming hadden we een plastic hoes, of te wel ‘pyjama’ meegenomen, die we om de fiets heen deden. Wanneer je twee fietsen moest inpakken ben je daar best even mee bezig. Wanneer je dan ook nog twee uur voor vertrek aanwezig moet zijn dan was elf uur nog niet zo hele vroeg.

Achteraf bleek alles mee te vallen. Zonder problemen kon ik alles doen wat ik wilde en de terugreis verliep dan ook geheel naar wens. De enige tegenslag die we hadden was dat het vliegtuig een uur vertraging had.

De vliegreis Madrid - Schiphol duurde net zo lang als de treinreis Schiphol - Zwolle, waar we om een uur of half elf waren. Een half uur later stonden we bij onze ouders voor de deur.

Daar bleven ik een dag maar de woensdags moest ik daar weer weg en verder reizen naar Assen omdat de medicijnen voorraad bijna was uitgeput.

Noemenswaardige tegenslag had ik niet gehad, daarom durfde ik die reis naar Assen alleen aan en ook wel weer baas in mijn eigen huis te zijn. Ik voelde mij volledig in staat mijn eigen huishouding draaiende te houden.

De dag daarna nam ik contact op met mijn huisarts. Ik legde hem uit wat er was gebeurd en gaf hem de papieren die ik uit Spanje had meegekregen. Hij schreef herhalingsrecepten uit en verwees mij door naar de longarts.

Die vertelde me na uitvoerig onderzoek, dat ik al heel lang enigszins astmatisch was. Vroeg of laat zou zich dit ongetwijfeld hebben geopenbaard. Een oorzaak zou kunnen zijn dat mijn longcapaciteit klein was; ongeveer 17 tot 20%. Door verder te gaan met een pufje, in combinatie met een ander pufje wilde hij proberen die capaciteit weer wat op te rekken maar in ieder geval stabiliseren.

Hij vond dat men het in Spanje heel goed had opgepakt, alle lof voor die mensen daar.

Eenmaal thuis was ik min of meer gedwongen niet meer te fietsen, wilde ik het advies van dokter Gomez opvolgen. De eerste dagen had ik daar helemaal geen problemen mee, er waren genoeg dingen te doen waardoor ik me niet hoefde te vervelen. Na een week begon het fietsbloed weer te kriebelen. Wanneer ik het advies van die Spaanse dokter opvolgde dan zou dat altijd blijven kriebelen, dat vond ik een heel groot offer.

Mijn eigen huishouding moest ik runnen. Er ging bijna geen dag voorbij of ik moest boodschappen hebben. Vaak was het gewoon maar een smoes om naar buiten te gaan. Om die boodschappen in huis te krijgen gebruikte ik de fiets. Heen en weer naar de stad was al een kilometer of vijf, zes en daar had ik totaal geen problemen mee. Wanneer die afstand lukte moest het dubbele volgens mij ook kunnen. Er was maar een manier om er achter te komen: Het gewoon proberen! Lukte het niet dan zat ik de volgende dag met de problemen en wist ik hoe de vlag erbij stond. Lukte het wel dan was dat een goede therapie.

Het ging altijd goed, de afstanden werden geleidelijk aan groter gemaakt en uitgebreid tot ruim 100 kilometer.

Kort samengevat, ik ben opnieuw begonnen te fietsen en over het resultaat ben ik tevreden. Ik heb het stuur weer zelf in de hand en ben weer manager over mijn eigen voertuig.

De afgelopen winter ben ik goed doorgekomen, veel beter dan voorgaande winters. Geleidelijk aan beginnen er steeds meer puzzelstukjes op hun plaats te vallen.

Er is echter een belangrijk verschil met vroeger: Voor de zomer 1998 gebruikte ik geen medicijnen, nu wel. Ik beschouw dit als een souvenir. Niet dat ik daar blij mee ben, maar er zijn ergere dingen.

Ik ben blij dat ik nog van alles kan. Ik weet nu dat ik het vak aardrijkskunde nog steeds op mijn manier kan uitoefenen.. Ik wil nog veel gebieden van de wereld bezoeken. Er zijn nog veel gebieden en streken waar ik nog niet geweest ben en ook veel plaatsen waar ik een reden voor heb om nog eens terug te keren.

Aardrijkskunde is een mooi vak, vooral wanneer je het per fiets mag doen.