Simon Stevin werd waarschijnlijk in 1548 (mogelijk in 1549) te Brugge geboren als buitenechtelijk kind van Catalyne van der Poort en Anthuenis Stevin. Verder is over de eerste dertig jaar van zijn leven nauwelijks iets bekend. In 1577 wordt hij klerk in Brugge; daarvoor heeft hij een soortgelijke functie vervuld in Antwerpen. Annie Romein merkt op dat hij nogal wat in Europa rondgezworven moet hebben en ze staaft deze bewering met verspreide opmerkingen uit Stevin's latere werk. In Woelderink (1980) wordt definitief aangetoond dat Stevin werkelijk in Danzig is geweest.
In 1581 verhuist hij naar Leiden waar hij zich laat inschrijven aan de universiteit. Naast zijn studie vindt hij tijd voor publikaties en vooral waterbouwkundige werken. Zo verlenen de staten van Holland hem een groot aantal octrooien die te maken hebben met een door hem uitgevonden watermolen. Hij geeft advies bij baggerwerkzaamheden en is betrokken bij de bouw van nieuwe watermolens en het verbeteren van oude. Hierbij werkt hij nauw samen met Johan Hugo Cornets de Groot (De vader van de bekende rechtsgeleerde Hugo de Groot. Inderdaad: die van de boekenkist!).
Een citaat van Beek, dat aantoont dat Stevin de valproef in 1586 heeft gedaan die Galilei in 1589 voor het eerst zou hebben uitgevoerd, wil ik de lezer niet onthouden:
Hij (de Groot) is erbij aanwezig, wanneer Stevin van de toren van Delft zijn beroemde valproeven doet. Aristoteles heeft eens beweerd, dat de zwaarste lichamen het snelst vallen. Stevin toont aan dat dit niet zo is. Twee loden ballen, waarvan de ene tien maal zo zwaar is als de andere, worden tegelijkertijd losgelaten van een hoogte van circa tien meter. Stevin komt tot de conclusie, "datse t'samen so ghelyck opt bart vallen, dat haer beyde gheluyden een selve clop schijnt te wesen. (Beek, 1983:16)
In 1593 treedt Stevin in dienst als ingenieur en leermeester bij Prins Maurits.
In 1620 sterft hij.

Terug naar vorige blad

Terug naar Stevin's honkblad