De schepping van het heilige

Verschenen in Skepter jaargang 16 nr. 3
Skepter is het blad van de stichting Skepsis: een kritische kijk op pseudowetenschap en paranormale verschijnselen

Door Henrik de Nie

Volgens de Duits/Zwitserse classicus Walter Burkert is religie ouder dan taal en komt ze voort uit een traditie van rituelen die de steentijdmens in leven hielden. Die rituelen, voor onder andere initiatie, onderwerping, reiniging en boete en het uitwisselen van giften, bevorderden opofferingsgezindheid, onderling vertrouwen, het gezag van de leider, gevoel voor verhoudingen en gaven zin aan schijnbaar zinloze ellende.

Professor Burkert schrijft al sinds eind jaren 1960 over godsdienstige gebruiken en mythen, en won in 1990 een grote prijs voor zijn werk. Creation of the sacred gaat deels over een biologische oorsprong van godsdienstige gebruiken. Burkert weet veel over oude rituelen en bewaart een veilige afstand tot gangbare monotheïstische religies en theologische haarkloverijen.
Hij staat ook ver af van het gezelschap van evolutiepsychologen en sociobiologen. Toch waagt hij het als classicus om verbanden te leggen tussen godsdienstige rituelen en de evolutionaire geschiedenis van de mens. Dit is opmerkelijk, want gedurende tientallen jaren hebben menswetenschappers en historici iedereen vijandig bejegend die hun vakgebied betrad met biologische theorieën. Biologen zouden geen verstand hebben van de invloed van cultuur en milieu op het menselijk handelen, zij bezondigen zich aan platitudes over het menselijke gedrag en verstrikken zichzelf in cirkelredeneringen.
Burkert gaat op deze kritiek nauwelijks in, hij schrijft dat hij geïnspireerd raakte door Konrad Lorenz, de Duitse bioloog die in 1973 samen met Nico Tinbergen de Nobelprijs ontving. Lorenz beschrijft in zijn boek Over agressie bij dier en mens de heilige huivering. Dat is het gevoel van koude rillingen over de rug als mensen in groepsverband zich deel voelen aan iets dat heilig en groots is. Enerzijds een religieuze ervaring, anderzijds te verklaren als puur biologisch automatisme dat bij agressie in werking treedt. Burkert ziet godsdienst als een overlevingsstrategie. Hij blijft echter voorzichtig. Waar Konrad Lorenz onbekommerd speculeert over een genetische aanleg voor meer of minder agressie tussen diverse groepen mensen, houdt Burkert zich wat dat betreft op de vlakte.

Taal, kunst en religie
Burkert wil duidelijk maken dat religie overlevingskansen biedt in extreme en, objectief gezien, hopeloze situaties. Mensen zonder godsdienstig besef zouden wellicht de moed opgeven, waar de religieus denkende medemens nog overlevingskansen ziet. Burkert vermoedt dat de menselijke geschiedenis waarschijnlijk een groot aantal crises heeft gekend waarbij de godsdienstigen overleefden. Hij noemt religie voorzichtig een soort van culturele fitness, een beter aangepast zijn. Een bioloog zou dan meteen roepen: dus het zit in de genen. Burkert niet, hij schrijft dat wellicht een genetische basis hiervoor ontbreekt. Hij gelooft niet dat religie in onze genen zit, maar ziet het als een vorm van cultuuroverdracht. Godsdienstige rituelen beginnen daar waar ook de taal ontstaat. Taal is duidelijk een product van cultuur en biologie. Taal wordt via cultuur overgedragen, maar er zijn noodzakelijke, erfelijke eigenschappen, zoals de bouw van het strottenhoofd, die het gebruiken van taal mogelijk maken. Burkert poneert dat religie misschien zelfs ouder is dan het gebruik van taal zoals wij dat nu kennen. Religie en rituelen horen bij elkaar. Hij suggereert dat ritueel gedrag er eerder kan zijn dan taal. Rituele handelingen zijn veelal met bloedige ernst voortdurend herhaalde bewegingen met een zekere functie. Dit is gemakkelijker aan te leren dan taal zoals wij die nu kennen.
Zeker is dat er 40.000 jaar geleden een culturele revolutie plaatsvond. De eerste kunstuitingen verschenen in de vorm van rotstekeningen en beeldjes. Religie was er mogelijk veel eerder, want ceremoniële begrafenissen werden al 100.000 jaar geleden door de Neanderthalers uitgevoerd. Hij plaatst daarmee het onderzoek naar het ontstaan van religie ver in de steentijd, dus buiten de tijd van de grote beschavingen die zeven- tot vijfduizend jaar geleden begonnen. Het is onderdeel van de evolutie van de mens, na de aftak van de mensapen. Onderzoekstechnieken van zowel menswetenschappers als biologen zijn noodzakelijk om het verschijnsel godsdienst beter te leren kennen. Via bijvoorbeeld mitochondriaal DNA komen we steeds meer te weten over de vroege menselijke geschiedenis, speciaal de manier waarop de mens zich in de steentijd verspreidde over Europa. In deze fase van de geschiedenis plaatst Burkert dan ook de ontwikkeling van het godsdienstig denken.

Taal en bedrog
Ongeacht de vraag wat er eerder was, werd taal een essentiële factor voor het overdragen van godsdienstig besef. Taal geeft ook de mogelijkheid om elkaar te bedriegen. Dieren communiceren ongeveer op het niveau van ‘Daar, tijger, wegwezen’. Voor een ander dier zijn de signalen die deze boodschap dragen redelijk goed te verifiëren. Een mens kan echter zeggen: ‘vorig jaar zag mijn broer hier een tijger’. De mens heeft zijn mentale wereld enorm vergroot, hij kan veel meer via deze symbolen overdragen, en daarbij is hij ook terecht gekomen in een universum waarin veel bedrog mogelijk is. Bedrog is overigens niet typisch menselijk. Mensapen plegen al bedrog door te doen alsof er gevaar is, alleen om zelf gemakkelijk bij voedsel te komen, zo bleek uit onderzoek van Frans de Waal aan chimpansees.
Om niet te verdwalen in deze baaierd van onzekerheid, is er de behoefte aan gemeenschappelijke ankerpunten, om een ingewikkelde werkelijkheid terug te brengen tot eenvoudige, algemeen geldende noties zoals Eén Oorzaak (voor alles). Daarom ook besteedt Burkert een speciaal hoofdstuk aan het afleggen van eden. Hij komt hierbij terug op een mentale wereld waarin wij behoefte hebben om waarheid en bedrog te scheiden. Hierin vervult het afleggen van eden een cruciale rol. Deze rituelen zijn ingebed in religieuze tradities. Ook hier heeft Burkert weer geen gebrek aan gegevens uit zowel de antieke als moderne geschiedenis. Hij wijst daarbij op de rol van de atheïst als potentieel gevaarlijke spelbreker.

Offers en angst
Nog steeds zijn mensen banger voor wilde beren, slangen en spinnen dan voor een rijdende personenauto, terwijl de werkelijke dreiging van deze dieren nihil is ten opzichte van de kans op een verkeersongeluk. Angst voor levensbedreigende situaties is puur biologisch. Hoefdieren worden door leeuwen aangevallen, duiven door valken uit de lucht geplukt en hagedissen zijn ook hun leven nooit zeker. Toch zijn dieren niet volstrekt kansloos. Burkert legt een verband tussen opoffering en ontsnapping aan levensgevaar. De hagedis offert zijn staart, de duif ontsnapt aan een roofvogel ten koste van een wolk veren en de zebra weet dat hij veilig is als een ander dier uit de kudde gepakt is. Burkert herkent hierin een eeuwenoud, en wereldwijd voorkomend ritueel patroon in verhalen, sprookjes, dromen, religieuze riten analoog aan het biologische programma dat dieren hebben om te ontsnappen aan levensgevaar. Dit oeroude programma werkt nog steeds. Hier is de mens die zich opofferingen getroost om te kunnen triomferen over de angst. Het offer heeft zo een evolutionaire betekenis en speelt een belangrijke rol in het godsdienstige denken.

Levensgeschiedenissen
Terwijl we de grootste moeite hebben om een telefoonnummer of een paar woorden in een onbekende taal te onthouden, kunnen we heel goed een verhaal navertellen. Voor een computer geldt precies het omgekeerde.

marduk.jpg - 14704 Bytes

Ons geheugen is zo gestructureerd dat we feiten die voorkomen in een relaas prima kunnen onthouden. Dit episodische geheugen is waarschijnlijk een biologische eigenschap van de menselijke hersenen.

De structuur van mythen is door vele onderzoekers voor Burkert ontrafeld. Hierin zit een vast patroon: de held van het verhaal wordt geroepen ergens heen te gaan, hij wordt op de proef gesteld, krijgt een magisch voorwerp en komt ergens aan; er volgt een lastige beproeving waarbij hij wordt beschadigd; de held overleeft, herstelt zich en gaat op reis terug; hij wordt echter achtervolgd; hij redt zich en komt thuis, maar dan is er niemand die hem herkent; er is wel een bedrieger, deze bedrieger wordt ontmaskerd en men erkent de held, hij trouwt en wordt koning.
Burkert (en velen voor hem) menen hierin de levensgeschiedenis van de mens te zien. De verhalen volgen het natuurlijke gegeven van de rijping naar volwassenheid. Het verhaal heeft dus een biologische basis, maar wordt door tradities verwerkt tot bijvoorbeeld religieuze mythen en initiatierituelen voor pubers met meestal een uitgesproken godsdienstig karakter.

De apenrots
Dat hierarchie in het dierenrijk bestaat en er ook was lang voor het verschijnen van de mens, behoeft nauwelijks toelichting. Burkert noemt het onderzoek van Frans de Waal naar het gedrag van chimpansees die door middel van machtspelletjes streven naar leiderschap. De apen kennen zowel hun eigen positie in de rangorde als die van hun groepsgenoten. Deze orde komt tot stand door directe confrontaties, beperkt in tijd en ruimte.
Bij mensen is dit besef veel abstracter geworden. Het gezag wordt gerespecteerd, ook van nimmer zichtbare soortgenoten. Dit lukt nog beter als er een niet waarneembare, maar absoluut grote autoriteit aanwezig is. Iemand die over anderen de baas wil spelen doet dit doeltreffender als hij kan zeggen dat niet hij echt de baas is. Nee, iemand boven hem is de baas en die heeft nog veel meer macht. Burkert put hier uit een groot arsenaal van onderwerpingrituelen te vinden bij Homerus, de Assyriërs, Soemeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs, Minoïsche Kretenzers, maar ook de roomskatholieke kerk en de islam.
De leider gaat voorop bij onderwerping aan god. De priester van de god Marduk in Babylon neemt de koning alle attributen van de macht af en slaat hem op de wang en laat hem trekkend aan zijn oren diep buigen voor god. Pas als de koning de woorden ‘ ik beging geen zonde’ heeft uitgesproken, troost de priester hem: ‘heb geen vrees, de godheid verheft uw koningschap en zal uw vijanden vernietigen’. Dit patroon vinden we in bijna alle vormen van religie terug. De heerser is de eerste die zich buigt voor god, de onderdanen volgen. De vorst gaat door het stof, maar bevestigt hiermee effectief zijn eigen leiderspositie.
Dus ook hier borduren godsdienstige gebruiken die te maken hebben met rangorde in de menselijke samenleving, voort op een programma dat zeer waarschijnlijk al in onze genen aanwezig is.

Lijden, angst en verlossing
Over pijn en leed bij dieren woedt nog steeds een discussie. Pijn, leed, het gevoel van verlossing bij ontsnapping aan een roofdier zijn noties die alles te maken hebben met ons dierlijk bestaan. Daarnaast is duidelijk dat de mens in staat is tot een veel uitgebreidere ervaring van leed dan dieren. Hij leeft echter ook in een mentale wereld waarbinnen veel meer keus is om de aan nare situaties een bevredigende draai te geven. Burkert noemt hierbij de vele reinigingsrituelen in allerlei culturen na het optreden van rampen of om onheil te voorkomen. De basis hiervan is biologisch, dus iets in onze genen. Iedereen die huisdieren heeft, weet dat dieren veel tijd besteden aan het verzorgen van hun vacht of verenkleed als ze zich op hun gemak voelen.
Religie schept een wereld waarin we rampen en leed een plaats kunnen geven. Er komt een antwoord op vragen als: Waarom? Waarom nu? Waarom wij? De ziener, de priester en de uitleggers van dromen treden op, zij stellen een diagnose, zij wijzen een oorzaak aan. Vaak wordt er een schuldige gevonden, de zondebok. De juiste handelingen om boete te doen worden verricht om de gemeenschap te verlossen van het kwaad. De godsdienstgeschiedenis is rijk aan gebeurtenissen die dit patroon volgen. Religie is het protest van de mens tegen de zinloosheid van het bestaan. Burkert stelt ironisch vast dat de moderne natuurwetenschap hier jammerlijk faalt, omdat zij meer geboeid is door de chaos en onzekerheid. Geen wonder dat mensen zich daarom liever vastklampen aan de overmaat aan oorzakelijkheid en zingeving die godsdienst biedt.

Godsdienst en wetenschap
In een speciaal hoofdstuk over de wederkerigheid in het uitwisselen van giften, werkt hij een interessante theorie uit. Geven, offeren en geboden tot wederkerigheid zou de mens een gevoel voor juiste verhoudingen en hoeveelheden gegeven hebben. Dit was tevens het begin van de natuurwetenschap, culminerend in het zeventiende-eeuwse beeld van een door natuurwetten geordend universum. Het is een poging om orde te scheppen in een wereld van chaos en willekeur. Vervolgens verzucht hij opnieuw dat de moderne natuurwetenschap helaas het ideaal van een wiskundig geordend heelal heeft verlaten en zich werpt op de chaos.
Burkert blijft echter opvallend voorzichtig. Volgens de filosoof Daniel Dennett, in een recensie in het Amerikaanse blad The Sciences, maakt Burkert veel te weinig gebruik van al aanwezige kennis van evolutiebiologen als Richard Dawkins. Toch is Dennett zeer lovend over dit boek dat hij ziet als een wenkend perspectief voor verder onderzoek. De classicus Burkert pleit zowel in zijn boek als tijdens een lezing bij de uitreiking van nieuwe Balzanprijzen in 2002, voor nader onderzoek waarin de onderzoekmethoden van menswetenschappers en natuurwetenschappers elkaar ontmoeten.

Godsdienst, en het ietsisme zijn blijvertjes volgens Burkert. Hij besluit zijn boek met de vaststelling dat ondanks technologie en wetenschap de mensen niet accepteren dat er geen andere signalen uit het heelal komen dan de nagalm van de oerknal. Mensen houden liever vast aan gedachte-constructies die reiken in het niet-waarneembare en laten zich niet wijsmaken dat dit zelfgemaakte projecties zijn.

Walter Burkert (1996). Religion and the sacred: tracks of biology in early religion. Harvard University Press (5de druk 2001) ISBN 0-674-17570-0. Prijs € 31,15.