Gevoelige vissoorten in Nederland

Paling Anguilla anguilla (Linnaeus, 1758) logo eel

Habitateisen: een natuurlijke populatie paling heeft vrije optrekmogelijkheden nodig van en naar zee. Volwassen paling trekt na een verblijf van minstens vijf (mannetjes, Middellandse Zeegebied) tot minimaal elf (vrouwtjes, gematigde gebieden) jaar naar zee om te paaien. Omgekeerd bereiken de kleine palinkjes als glasaal de kustgebieden en trekken massaal de rivieren op tot in beekjes die tot de forelzone gerekend worden.
Overigens is de paling niet zo’n kritische vis in zijn habitatkeuze. Als het water maar niet chemisch vervuild is of zuurstofarm en indien er voldoende voedselorganismen zijn van het juiste formaat (> 7 mm) en schuilgelegenheid is in de vorm van modder, veen of onregelmatige bodems van rots of grind, dan kan de paling er leven. Daarom komt paling voor in heel veel typen water, ook in zout kustwater.
De geografische ligging van de paaiplaatsen in de Atlantische oceaan is bij benadering bekend (de Sargassozee). De plaats is indirect afgeleid uit de verspreiding en het formaat van (Leptocephalus)larven en wordt als hypothetisch beschouwd.

Knelpunten: natuurlijke populaties paling zijn afhankelijk van de intrek van glasaal uit zee. Een vrije doorgang van zout naar zoet water is dus van groot belang. Door afsluiting van zeegaten wordt deze intrek belemmerd. Dit geldt ook voor allerlei kleine waterkeringen die gebruikt worden bij verstuwing van beken of peilbeheersing in polders. Uitzetting met glasaal was tot voor kort een effectieve maatregel om de palingstand op peil te houden. Door de geringe intrek van de laatste tien jaar en de concurrentie op de glasaalmarkt van (buitenlandse) kwekers, stijgen de prijzen voor glasaal (fig.1) zodanig dat deze beheersmaatregel niet meer overal toepasbaar is.

Fig. 1. Prijs van glasaal per kilo (gegevens S. Boomsma OVB)

Andere potentiële bedreigingen zijn: grootschalige vangst van glasaal in de kustwateren, eutrofiëring (waardoor de voedselsituatie - vooral het formaat van de voedselorganismen - voor paling verslechterd), PCB’s die zich in het lichaamsvet ophopen, parasieten, plaatselijk hoge visserijdruk op naar zee trekkende paling. Over het negatieve effect hiervan op de wereldpopulatie bestaat twijfel (zie verder sectie formele bescherming).

Fig. 2. Aanvoer van paling (aal) van het IJsselmeer (RIVO-gegevens)

Status in Nederland: het best gedocumenteerd is de aanvoer van paling uit het IJsselmeer. Deze bedroeg tussen 1946 en 1949 bijna 14 kg/ha. Tussen 1992 en 1995 bedroeg de aanvoer gemiddeld 404,5 ton op 183.760 ha IJsselmeer en Markermeer, dat is 2,2 kg/ha. Dit wijst op een afname met een factor 6,36 in 36 jaar (92,3% in 50 jaar). De (voor inpoldering en illegale aanvoer niet gecorrigeerde) aanvoercijfers tussen 1945 en 1995 vertonen een exponentiële afname (fig 2). Dit impliceert eveneens een afname met 92,2% in 50 jaar (de zalm stierf uit met een tempo van 95,4% in 50 jaar).
Het bestand in het IJsselmeer is geheel afhankelijk van de natuurlijke intrek van glasaal. Deze aanvoer daalde sterk tussen 1979 en 1991. De lichte stijging tussen 1995 en 1997 blijft onder het gemiddelde niveau van de hele periode sinds 1938. Dit jaar (2001) is weer een nieuw dieptepunt bereikt, zie Fig. 3. Bron:Nederlands Instituut voor Visserijondezoek (RIVO)

rivo3.gif - 7442 Bytes

Fig. 3. Maat voor intrek van glasaal bij Den Oever (gegevens W. Dekker, RIVO).

Formele bescherming: In 2004 is de paling van de Rode Lijst verwijderd omdat alleen in Nederland paaiende soorten mochten staan. De paling staat in de Nederlandse Visserijwet. Er geldt een minimummaat van 28 cm.
De EIFAC/ICES Working Group on Eel kwam op tiende zitting in 1996 tot de conclusie dat de wereldpopulatie van paling niet in gevaar is zolang de paaiende populatie in de Atlantische Oceaan (of waar dan ook) boven de 100.000 individuen (= ca. 10 ton) blijft. Voorlopige schattingen van de aantallen paairijpe palingen die - ondanks bevissing - ontsnappen uit Noord-Ierland, de Britse rivieren en het Rijnstroomgebied, wijzen erop dat de huidige visserijmortaliteit geen gevaar vormt voor de grootte van deze minimaal wenselijke populatie. In de aanbevelingen uit 1996 van de Werkgroep werd voor het eerst het voorzorgbeginsel gehanteerd. Dat wil zeggen dat beschermende maatregelen worden aanbevolen, hoewel het positieve effect bij voorbaat niet wetenschappelijk vaststaat, omdat over de oorzaken van de achteruitgang van de paling geen duidelijkheid bestaat bij de betrokken onderzoekers. In dit kader moet de visserij op zowel maatse paling als glasaal zo veel mogelijk op het huidige peil blijven.

In Zweden staat de paling als Ernstig bedreigd op de nationale rode lijst. In Duitsland staat de paling op de federale Rode Lijst uit 1998 als ‘gefährdet’. De paling staat wel in Frankrijk en Spanje als kwetsbaar op de Rode Lijst. In Oostenrijk geldt de paling als een met uitsterven bedreigde vissoort en in Zwitserland als ‘potentiell gefährdet’.

Sinds 11 juni 2007 geldt (op voorstel van Duitsland) de eerste internationale beschermingswet voor de paling. Toen werd de Europese paling (Anguilla anguilla) opgenomen in de bijlage II van CITES (Overeenkomst inzake internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten).

Meer over de paling is te lezen op de website van het RIVO

Winde Leuciscus idus

De winde is een stroomminnende vis die vaak met de kopvoorn (beide ‘meun’ genoemd) wordt verward. In de referentieperiode was de winde zeer talrijk in de Rijn en zijn aftakkingen. Bronnen uit de jaren zeventig maken aannemelijk dat de winde met een factor 30 tot 100 in aantal afnam in de grote rivieren. Een dieptepunt werd halverwege de jaren zeventig bereikt. daarna neemt de vangfrequentie (met kuilnet) in de grote rivieren weer geleidelijk toe. De winde komt nog wijd verbreid voor, vooral in de grote rivieren, kleine rivieren zoals de Overijsselse Vecht en de Grensmaas, het IJsselmeer en andere meren. In de Maas, de Oude IJssel en de Overijsselse Vecht zijn zichzelf instandhoudende populaties. In totaal zijn er 567 uurhokken met waarnemingen. Uit monitoringsonderzoek van het RIVO in de benedenrivieren (met fuiken) blijkt geen toeneming van de vangsten in de laatste tien jaar.

Knelpunten. De winde – zoals zo veel andere stroomminnende vissoorten – ontbeert paaigebieden met een schone bodem van zand of grind en variatie in dieptes. De winde heeft optrekmogelijkheden nodig, omdat de vis bovenstrooms van zijn foerageergebied paait.. De winde is ook relatief gevoelig voor sommige organische microverontreinigingen.

Maatregelen. Waterzuivering en waterbodemsanering en het verbeteren van de optrekmogelijkheden in de grote en kleine rivieren en de grotere beken. Binnen een beleid gericht tegen verdroging past het toegankelijk maken van watergangen die uitmonden op kleine rivieren en grotere beken.

Gestippelde Alver
Alburnoides bipunctatus (Bloch, 1782)

Een uitgebreide beschrijving van de gestippelde alver staat op de webstie van het Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Voedselkwaliteit (gebruik zoeken op soort).
Dit is een Tabel 3 soort. Voor ingrepen in de habitat van deze vissoort is vrijwel altijd een ontheffing vereist. Zie ook website
van LNV.