door
Karel Termaat
Inleiding
Je
hebt er wel eens van gehoord: de grenslaag bij vleugelprofielen. Maar waar gaat
het dan over en is het voor mij als vlieger interessant om dat te weten. Ik
denk van wel. Aerodynamisch gezien sowieso interessant, maar daarnaast van
belang om te weten hoe je er vóór en tijdens de vlucht mee om moet gaan om de
beste prestaties uit je kist te halen, zowel tijdens klimmen als tijdens
glijden.
Over
grenslagen bij profielen voor zweefvliegtuigen valt veel te vertellen. Enige
mathematische onderbouwing van beweringen daarbij gedaan lijkt mij
onontkoombaar. Een deel van die onderbouwing geef ik in een bijlage die voor de
liefhebber later beschikbaar komt. Het aandachtig lezen hiervan beveel ik voor
die liefhebber uiteraard gaarne aan.
Ontwikkelingen
-
Van vroeger naar nu
Al
vóór het begin van onze jaartelling verdiepten Aristoteles en Archimedes
zich in krachten op in water drijvende en ondergedompelde voorwerpen. Vanaf de
middeleeuwen deden da Vinci, Gallileo, Newton
en Bernoulli dat ook, maar dan vooral bij stromend water.
Uit hun overdenkingen en experimentele werk met de primitieve middelen die zij
hadden constateerden zij reeds in de 17de eeuw dat stroming op een
ondergedompeld voorwerp een totale kracht uitoefent die ontbonden kan worden in
en een component loodrecht op de stromingsrichting (de lift) en een component
in de stromingsrichting zelf (de weerstand). Een voor die tijd
opmerkelijke en correcte waarneming. Niet veel later werden ook eerste
mathematische relaties voor de grootte van die krachten opgesteld.
Tegenwoordig
worden beide krachten met de alom bekende liftformule L = ½ ρ V2 . S . CL en weerstandsformule D = ½ ρ V2 . S . CD op moderne wijze beschreven. De beide
formules, die in feite alle aspecten bevatten die de stabiele hydrodynamische
of aerodynamische krachten van lift en weerstand bepalen, zijn verbluffend eenvoudig.
Echter de moeilijkheid zit in de vaststelling van de in deze formules
voorkomende liftcoëfficiënt CL en
weerstandscoëfficiënt CD die in grootte bepaald worden
door de vorm van het voorwerp en de hoek waaronder het water of de lucht deze vorm
aanstroomt. De coëfficiënten kunnen alleen direkt berekend worden met zeer
gedetailleerde kennis van de lokale verdelingen van statische druk en wrijving.
Die verdelingen waren in de 17de eeuw uiteraard niet te bepalen en
vragen ook nu nog veel rekenwerk met geavanceerde programmatuur. Echter als je
in een testopstelling de grootte van de lift L en ook de weerstand D bij meerdere invalshoeken nauwkeurig
meet, dan kun je met de beide formules bij gegeven V, ρ en S wel CL en
CD expliciet
uitrekenen {CL = L
/ ( ½ ρ V 2. S) en
CD =
D / (½ ρ V 2. S)} en in grafieken
als functie van de aanstroomhoek Alfa weergeven. Zo ging het vroeger
bij eenvoudige experimenten met bijvoorbeeld dunne plankjes in stromend water. En
zo gaat het ook in deze tijd bij gedetailleerde metingen aan 2D vleugelsecties
in moderne windtunnels zoals die bij TUDelft. Een vroeg voorbeeld van een
aantal op deze wijze bepaalde liftcurven van vleugelprofielen is gegeven
in figuur 1, een modern voorbeeld in figuur 2b.

Figuur 1:
Liftcurven CL – Alfa (ref. J.D. Anderson, Jr.)
Gewoonlijk worden weerstandscurven niet als functie van Alfa
gepresenteerd. In plaats daarvan worden voor elke flapstand, paren van CL - CD waarden samen met de bijbehorende liftcurven
in één grafisch blad uitgezet. Hiermee verkrijgt men per flapstand, waarmee als
het ware steeds een nieuwe profielvorm wordt gekozen, direkt een goed beeld van
het lage weerstandsgebied van het profiel in combinatie met de bijbehorende
lifteigenschappen. Figuur 2a en 2b geven die combinaties voor één
van de vleugelprofielen van de moderne Antares.

Figuur
2a en 2b: Gemeten CL - CD
curven en CL – Alfa curven van één van de profielen
van de vleugel van de Antares voor vijf flapstanden bij Re =
1.5E6 (ref. LB, TUDelft)
-
Theoretische vooruitgang
-
Principia Mathematica:
In
1687 definieerde de beroemde wis- en natuurkundige Isaac Newton
in zijn publicatie "Principia Mathematica" drie belangrijke wetmatigheden:
1.
een voorwerp in beweging blijft in die beweging tenzij er een kracht op werkt:
V2 = V1
2.
een voorwerp met massa m wordt door een kracht F versneld
evenredig met de grootte van die kracht: a = F / m, beter bekend
als F = m . a
3. als
een voorwerp A op voorwerp B een kracht uitoefent dan gebeurt dat andersom ook:
FB = -FA
Uitgaande van deze "Principia" en de basiskennis van de later geformuleerde behoudswetten voor massa, impuls en energie zou het gedrag van stromende pakketjes water of lucht mathematisch beschreven moeten kunnen worden. Maar Newton lukte dit nog niet goed en remde in feite door zijn authoriteit onbedoeld de verdere ontplooiing van de stromingsleer af.
-
Wrijvingloze stroming:
Pas
na het begin van de ontwikkeling van de moderne wiskunde kwam Euler
in 1755 voor wrijvingloze stroming, uitgaande van de tweede wet van Newton, met
kloppende differentiaalvergelijkingen voor de berekening van snelheids- en
drukvelden. Kort daarna bewees d'Alembert
echter dat met deze vergelijkingen voorwerpen uiteraard geen wrijvingsweerstand
hebben, maar ook geen drukweerstand van de stroming kunnen ondervinden (de
paradox van d’Alembert). Kennelijk mag de viscositeit van de stroming niet
buiten beeld blijven. Uitgaande van het werk van Euler legde Bernoulli
al snel daarna voor wrijvingloze stroming een eenvoudig verband tussen snelheid
en druk vast.
-
Viskeuze stroming:
Rond
1830 bedachten Navier en Stokes ongeveer
gelijktijdig een extra term in de Euler-vergelijkingen die de viscositeit en
daarmee de wrijvings- en drukkrachten in rekening brengen. Hiermee werd het
stelsel partiële differentiaalvergelijkingen van Euler echter nog uitgebreider.
Tegenwoordig kunnen met snelle computers en veel rekentijd de vergelijkingen
van Navier-Stokes in een iteratief proces wel opgelost worden waarbij gebruik
gemaakt wordt van kleine gekoppelde volumina die het gehele stromingsdomein
beschrijven. Hiervoor geschikte software, zoals FLUENT, is momenteel
nog erg duur in aanschaf en vraagt veel rekentijd. Dankzij steeds krachtigere
computers wordt deze software bij de grotere instituten wel steeds vaker
toegepast. Tot voor kort was een dilemma bij Navier-Stokes berekeningen dat in
het beschouwde domein de stroming niet deels laminair en deels turbulent mag
zijn en dat is nu juist typisch het geval bij stromingen dichtbij het oppervlak
van profielen. Maar de ontwikkelingen gaan snel en N&S wordt beslist ook
het gereedschap van de toekomst in de aerodynamica van zweefvliegtuigen.
-
Een grandioos idee:
In
1904 kwam Prandtl bij vleugelprofielen op het grandioze idee het
stromingsdomein op te delen in een buitengebied met wrijvingloze stroming en
een dun grenslaaggebied waarbinnen de stroming viskeus is. Deze grenslaag
kleeft door adhesie aan het omstroomde oppervlak, maar even boven het oppervlak
gaat de snelheid in de grenslaag al spoedig over naar die van de lokale
buitenstroming. In het wrijvingloze buitengebied kunnen nu snelheids- en
drukverdelingen op basis van de wat minder omvangrijke vergelijkingen van Euler
berekend worden. Daarnaast kunnen in het grenslaaggebied met viskeuze stroming
die verdelingen en de daarbij optredende schuifspanningen berekend worden met
vereenvoudigde vormen van de Navier-Stokes vergelijkingen. Prandtl en zijn
studenten Blasius, von Karmann, Schlichting
en anderen, kwamen aan de Universiteit van Göttingen op basis van dit idee
al snel met interessante resultaten. In feite hard nodig voor de verdere
ontwikkeling van de vliegtuigbouw ná het eerste pionierswerk van o.a. Otto
Lilienthal en Wilbur en Orville Wright. Nog
steeds is deze tweeledige aanpak bij lage snelheden dé manier om eigenschappen
en effecten van stromingen rond vleugelprofielen in detail te bestuderen. Bij
veel hogere snelheden treden schokgolven in de stroming op en kan deze
vereenvoudigde aanpak niet worden toegepast.
-
Het stromingspatroon bij een vleugelprofiel
Voor
de berekening van het stromingspatroon rond een profiel wordt het
stromingsdomein beschreven met een groot aantal gekoppelde tweedimensionale
gebiedjes van variabele grootte en verwaarloosbare dikte. In de dwarsrichting
loodrecht op deze gebiedjes, vindt geen stroming plaats. Dichtbij het profiel
en vooral daar waar de contouren van het profiel sterk wijzigen, zoals aan de voorzijde
en aan de achterzijde, is een fijnmazig rooster noodzakelijk om tot een
nauwkeurig rekenresultaat te kunnen komen. Figuur 3 geeft een eenvoudig
voorbeeld van zo'n 2D-rooster.

Figuur
3: Roostergebiedjes rond een profiel
Een
grenslaag blijft nog even buiten beeld. Daarnaast wordt in het gehele domein
wrijvingsloze stroming verondersteld waarmee in ieder van de gebiedjes de
vergelijking van Euler kan worden toegepast. Deze vergelijking wordt per
iteratiestap in alle gebiedjes differentiëel opgelost samen met de
behoudswetten voor massa en impuls die de koppeling tussen de gebiedjes
beschrijft. Na meerdere iteraties convergeert het berekende snelheids- en
drukveld naar een gesloten eindoplossing
en wordt het effect van de vorm van het omstroomde profiel op het
snelheidspatroon goed zichtbaar. Bij elkaar passende waarden van snelheid en
druk kunnen bij stroomlijnen worden aangegeven. In figuur 4 is dat voor
één positie (x,y) symbolisch gedaan en zijn ook verschillende andere aspecten
van zo'n berekend stromingspatroon aangegeven.

Figuur
4:
Stromingspatroon bij een vleugelprofiel voor wrijvingloze stroming
-
De potentiaaltheorie
Nog
voordat de hiervoor beschreven theoriën van Euler en Navier-Stokes in de praktijk
konden worden toegepast, werd voor wrijvingloze, rotatievrije stroming de potentiaaltheorie ontwikkeld naar
analogie met die uit de electrotechniek. Een oppervlak van bijvoorbeeld een
vleugelprofiel, wordt daarbij belegd met een dicht raster aan vlakke of gebogen
paneeltjes waarop in controlepunten kleine stromingsbronnen en werveltjes
worden verondersteld. Die bronnen en werveltjes beïnvloeden het
stromingspatroon in iedere positie van het domein, met name ook in de
controlepunten van alle toegepaste paneeltjes. In een iteratief proces van
matrixberekeningen met randvoorwaarden convergeert het snelheidsspatroon dat op
deze wijze in die controlepunten op het oppervlak wordt verkregen, naar een
exact bij het profiel passend beeld. Gebleken is dat de resultaten van dit type
berekeningen voor de lage stroomsnelheden zoals die in de zweefvliegerij gelden, verbluffend goed met de praktijk
overeenstemmen. De potentiaaltheorie wordt bij profielberekeningen, waar alleen
snelheden en drukken op het oppervlak van het profiel van belang zijn, dan ook
veelvuldig toegepast in plaats van de hiervoor beschreven theorie van Euler.
Maar in bijzondere stromingssituaties is de potentiaaltheorie niet toereikend
en moet Euler wel worden toegepast.
Kutta en Joukowski
merkten in een globale beschouwing al vroeg op, dat bij een profiel alle in de
potentiaaltheorie veronderstelde werveltjes samen een rondgaande stroming
veroorzaken, de z.g. circulatie, die toegevoegd aan de hoofdstroming via de wet
van Bernoulli de draagkracht van het profiel bepaalt.
-
Ontwerpen van profielen
Tegenwoordig
zijn snelle rekenmethoden voor het ontwerpen van vleugelprofielen beschikbaar.
De daarbij toegepaste meest bekende 2D computercodes zijn XFOIL (van Mark
Drela, MIT) en PROFIL (van Richard Eppler,
Stuttgart). Beide codes en uitbreidingen daarvan in het 3D domein zoals de
VSAERO code, worden gebruikt om op basis van de potentiaaltheorie zoals
hiervoor beschreven, bestaande profielen te analyseren of om door voorzichtige
geometrische aanpassingen aan een gekozen referentieprofiel een nieuw profiel
met beoogde aerodynamische eigenschappen te ontwerpen. Het snelheidsveld dat met deze codes net buiten
de grenslaag wordt berekend is nodig om via de wet van Bernoulli de
drukverdeling over het profieloppervlak te leren kennen. Dat snelheidsveld is
ook nodig om de vergelijkingen die gelden voor de dunne visceuze laag tussen
het profieloppervlak en de hoofdstroming, zoals door Prandtl in 1904
geïntroduceerd, te kunnen oplossen. Deze grenslaagoplossingen beïnvloeden door
hun z.g. verdringingsdikte het berekende snelheidsveld in de wrijvingloze
stroming net buiten de grenslaag, zodat hier een gekoppeld iteratief
rekenproces ontstaat.
Veelal
wordt de berekende drukverdeling in de vorm van de drukcoëfficient Cp als
functie van de profieldiepte x/L grafisch weergegeven. In figuur
5 is daarvan een voorbeeld voor één van de profielen van de
Concordiavleugel gegeven. Enige kenmerkende stromingsdata zijn vermeld.
Opvallend is dat de stroomsnelheid op het profiel al snel ca. 50% hoger is dan
die van de ongestoorde stroming vóór de vleugel, terwijl de lokale druk daarbij
slechts ca. 1% lager is. Voor de aerodynamicus zijn deze grafische
voorstellingen zeer informatief bij het zoeken naar een profiel dat aan gestelde
aerodynamische verwachtingen voldoet. Men vindt deze voorstellingen dan ook
terug bij alle studies aan vleugelprofielen; ook figuur 8 en 9 zijn daar voorbeelden van.

Figuur
5: Berekende
en gemeten drukcurve aan de bovenzijde
van een Concordiaprofiel bij flaps = 0 (ref. LB, TUDelft)
-
Windtunnelmetingen
Door
de computerberekeningen voor meerdere invalshoeken en flapstanden te herhalen
kan men het effect ervan op de drukcurve goed zien. Zoals gezegd worden de
lokale drukken op het profiel door de programma's via de relatie van Bernoulli
uit de lokale snelheden berekend. Deze lokale drukken wekken krachtvektoren op
die loodrecht op het profieloppervlak staan en zich laten ontbinden in
componenten die loodrecht op de inkomende stroming staan en in langscomponenten
evenwijdig aan die stroming. Door integratie van de loodrechte componenten over
de gehele omtrek van het profiel verkrijgt men de draagkracht terwijl de
weerstand die het profiel ondervindt volgt uit integratie van de langskomponenten.
Tevens
worden met deze draagkracht- en weerstandsberekeningen de theoretische
liftcoëfficiënt CL en weerstandscoëfficiënt CD
als functie van de invalshoek α bij meerdere flapstanden verkregen.
Veelal worden voor geselecteerde profielen ook windtunnelmetingen uitgevoerd om
de bererekende lift- en weerstandscurven en
drukcurven experimenteel te toetsen. Figuur 2a en 2b en de dots
in figuur 5 zijn daar voorbeelden van. Typische additionele problemen
bij de praktische toepassing van profielen zijn het ingewikkelde
stromingspatroon bij de vleugelwortel en die bij het vrije einde van de
vleugel. De toepassing van aerodynamisch goed ontworpen fairings en winglets
krijgt daarom tegenwoordig veel aandacht.
Rekenen
aan de grenslaag:
Zoals
gezegd had Prandtl in 1904 bedacht dat in een dun grenslaaggebied met visceuze
stroming, vereenvoudigde vormen van de Navier-Stokes vergelijkingen verkregen
kunnen worden door het schrappen van minder belangrijke termen. De later naar
Prandtl vernoemde grenslaagvergelijkingen die dan overblijven, kunnen in hun
differentievorm door de computer worden opgelost. Randvoorwaarden zijn dat aan
het oppervlak zelf de snelheid nul is (geen slip) en dat aan de bovenzijde van
de grenslaag deze voor 99% gelijk is aan die van de lokale buitenstroming. Voor
een vlakke plaat is de druk in de stromingsrichting constant en vereenvoudigen
de Prandtl vergelijkingen nog verder. Blasius leidde hieruit de exakte
analytische formulering voor de snelheidsverdeling loodrecht op het oppervlak
af. In figuur 6 is hiervan een beeld gegeven. Aanvankelijk neemt de
snelheid lineair met de afstand vanaf het oppervlak toe, terwijl deze daarna
steeds meer de snelheid van de vrije buitenstroming gaat aannemen. In de
stromingsrichting gezien heeft deze loodrechte snelheidsverdeling een constante
vorm terwijl de dikte van de grenslaag van heel gering tot een paar milimeter
aangroeit zolang de stroming laminair is. Op zekere afstand vanaf het begin van
de plaat wordt de stroming in de grenslaag onstabiel. Er ontstaan kleine
golfjes die stroomafwaarts in grootte toenemen en op zeker moment als het ware
exploderen, waarbij de stroming van de laminaire naar de turbulente vorm
omslaat. De loodrechte snelheidsverdeling verliest daarbij haar karakteristieke
laminaire vorm.

Figuur
6: Loodrechte snelheidsverdeling volgens Blasisus in
de laminaire grenslaag van een
vlakke plaat
Bij een vleugelprofiel verandert de loodrechte snelheidsverdeling in de grenslaag stroomafwaarts wel enigszins van vorm als gevolg van de verandering van de lokale snelheid en druk van de hoofdstroming net buiten de grenslaag. Meerdere onderzoekers zoals Pohlhausen en Thwaites, hebben zich hiermee intensief bezig gehouden. Algemeen kan men zeggen dat wanneer de snelheid van de hoofdstroming stroomafwaarts constant blijft, zoals bij een vlakke plaat, de loodrechte snelheidsverdeling in de laminaire grenslaag dicht bij het oppervlak volgens een rechte lijn zal verlopen zoals in figuur 6 is aangegeven. Wanneer de lokale snelheid van de hoofdstroming toeneemt waardoor de druk daalt, krijgt deze loodrechte verdeling bij het oppervlak een bollere, meer convexe vorm en wordt de grenslaag stabieler. Wanneer de lokale snelheid afneemt waardoor de druk stijgt, krijgt die verdeling een hollere, meer concave vorm en wordt de grenslaag instabieler. Bij het interpreteren van berekende of gemeten snelheidsverdelingen van de hoofdstroming net buiten de grenslaag kan men dus gemakkelijk aangeven waar de grenslaag stabieler of juist instabieler wordt. In de langsrichting gezien is de vorm van de drukverdeling net buiten de grenslaag dus bepalend voor de vorm van de loodrechte snelheidsverdelingen in de grenslaag en daarmee bepalend voor de stabiliteit en eventuele loslating van die grenslaag. Het zal duidelijk zijn dat de aerodynamicus bij het ontwerpen van de vorm van zijn profiel de plaats van die loslating aanmerkelijk kan beïnvloeden.
-
Transitie van laminair naar turbulent
Newton bedacht al dat de schuifspanning als gevolg van de "kleverige" stroming langs het oppervlak evenredig is met de gradiënt du/dy van de snelheidsverdeling onderin de grenslaag zoals in figuur 6 in principe is aangegeven. Direct achter de neus van het profiel, waar de stroming voor het eerst het oppervlak bereikt en de grenslaag nog erg dun is, is die snelheidsgradiënt groot en ondervindt het profiel lokaal dus veel wrijvingsweerstand. Verder stroomafwaarts wordt dicht bij het profieloppervlak steeds meer lucht afgeremd en ontwikkelt de snelheidsverdeling in de grenslaag zich zoals die bij de vlakke plaat. Begint de snelheid in de buitenstroming ná het bereiken van een maximum weer af te nemen en de druk dus weer te stijgen, dan kan de snelheidsgradiënt bij het oppervlak van het profiel tot nul afnemen waarbij loslating van de dunne grenslaag optreedt. De stroming in de losgelaten grenslaag wordt daarbij extra onstabiel, verandert van laminair naar turbulent en omdat de afgeremde lucht direct na transitie door menging met de buitenstroming weer versneld wordt gaat deze nu als turbulente grenslaag opnieuw tegen het oppervlak aanliggen. In dit overgangstraject treedt veelal een “laminaire loslaatblaas” op waarin één of meer kleine wervels aanwezig kunnen zijn die terugstroming over het profieloppervlak veroorzaken zoals proeven met fluoriscerende olie op het oppervlak goed laten zien. De loslaatblaas kan over de gehele spanwijdte van de vleugel optreden. Ze geeft drukweerstand en verslechtert de begincondities van de turbulente grenslaag erachter. Het is dus zaak bij de transitie de loslaatblaas door een optimaal ontwerp van het profiel zoveel mogelijk te beperken of zelfs geheel te vermijden.
In figuur
7 is het transitieproces, zich afspelend in een laagdikte van slechts
enkele mm's en over een profieldiepte van slechts enkele cm's, in detail
weergegeven. Enkele met zeer kleine pitotbuisjes gemeten snelheidsverdelingen
tussen wand en buitenstroming, die essentieel zijn bij het berekenen van sommige
aerodynamische eigenschappen van de grenslaag zoals de eerder genoemde
verdringingsdikte, zijn ingetekend. Duidelijk is bij B het loslaatpunt van de
laminaire grenslaag te herkennen waarbij net stroomafwaarts ook iets boven het
profieloppervlak de stroming tot stilstand komt. Bij C bevindt zich onderin een
min of meer stilstaand gebiedje. Bij D manifesteert zich een kleine
rechtsomdraaiende wervel die terugstroming over het oppervlak veroorzaakt. Bij
E is de transitie van de grenslaagstroming naar de turbulente vorm grotendeels
voltooid. In de figuur is eveneens aangegeven dat na transitie de grenslaag met
haar nu turbulente snelheidsverdeling zoals bij F, weer gaat aanliggen en
aanmerkelijk in dikte toeneemt.

-
Profieldiepte bij omslag
Een
heel eenvoudige methode om te bepalen wanneer omslag van een laminaire naar een
turbulente grenslaag zal plaatsvinden is gebaseerd op het getal van Reynolds.
In de niet geheel turbulentvrije lucht van windtunnels werd voor een vlakke
plaat, waar de druk op het oppervlak overal gelijk is aan de omgevingsdruk,
omslag gemeten bij Re = 2.8x106; in de volkomen rustige lucht van de
vrije natuur zal dit bij een nog wat hogere Re-waarde liggen. Uit het vrij
grote Re-getal kan men gemakkelijk afleiden dat typisch in het snelheidsgebied
van zweefvliegtuigen en vooral bij de wat lagere snelheden de omslag naar
turbulent pas laat op het profiel zal plaatsvinden. Het getal van Reynolds laat
in feite zien dat bij zweefvliegtuigen veel laminaire stroming en daarmee een
zeer lage weerstand mogelijk is, de belangrijkste reden voor de uitstekende
prestaties van deze vliegtuigen. Meerdere onderzoekers hebben analytische
modellen ontwikkeld om te berekenen hoe laminaire loslating en omslag naar
turbulente stroming in de grenslaag door een specifieke vorm van het profiel zo
lang mogelijk kan worden uitgesteld. Vooral bekend geworden is het criterium
van Wortman waarin een mathematische voorwaarde voor het drukverloop over de
koorde van het profiel wordt geformuleerd. Zolang aan deze voorwaarde wordt
voldaan, zal de laminaire grenslaag niet loslaten. Uit die voorwaarde volgt dat
de druk op het profiel ná het bereiken van het minimum slechts heel langzaam
mag toenemen zoals in figuur 8 voor de drukcoëfficiënt Cp als
functie van de profieldiepte x/L is aangegeven.

Figuur
8: Uitstel
van transitie door specifiek drukverloop
Tegenwoordig
stellen aerodynamici dat omslag zal plaatsvinden als zeer kleine natuurlijke
variaties in het stromingspatroon, de z.g. TS-golfjes, met een factor e 9
(= 8100) in amplitude zijn toegenomen. De profielvorm wordt nu stroomafwaarts
zodanig getuned dat de versterkingsfactor in het instabiliseringsgebied zolang
mogelijk kleiner blijft dan deze kritische waarde zodat de stroming laminair
blijft. Jan van Ingen van TUDelft, heeft sinds 1957 deze z.g.
é-tot-de-n-de methode ontwikkeld en er bekendheid mee verworven. Tegenwoordig
is zijn methode algemeen geaccepteerd. Loek Boermans, eveneens
van TUDelft, heeft de e n methode van zijn leermeester veelvuldig
toegepast bij het gedetailleerd ontwerpen van goed presterende vleugelprofielen
met lage weerstand voor zweef- en motorvliegtuigen.
Resumerend
kan men zeggen dat op zeker moment de contour aan de bovenzijde van het profiel
na het dikste deel weer moet gaan aansluiten bij die van de onderzijde. In dit
deel zal de druk weer gaan stijgen, maar door toepassing van de criteria van
Wortmann en van Ingen kan dit zodanig geschieden dat de versterking van de
TS-golfjes in de grenslaag zo lang mogelijk onder de kritische waarde blijft.
De omslag van de laminaire stroming in de grenslaag naar de turbulente vorm zal
dan zo laat mogelijk kunnen plaatsvinden en mogelijk zelfs zonder de vorming
van een storende laminaire loslaatblaas. Dat is tegenwoordig door de specifieke
vorm van de profielen, waarbij het dikste deel zelfs voorbij het midden van de
totale diepte kan liggen, veelal inderdaad het geval. Aan de bovenzijde van de vleugel
vindt daarbij omslag plaats bij ca. 65% +/- 10 % profieldiepte, dit afhankelijk
van flappositie en snelheid. Aan de onderzijde van de vleugel is het profiel
tegenwoordig vrijwel vlak met slechts aan de achterzijde enige detaillering in
de vorm om de afstroming gunstig te laten verlopen. Als gevolg loopt de
laminaire grenslaag daar wel door tot ca. 85% +/- 10% van de profieldiepte en
wordt dan kunstmatig door ZZ tape of uitblazing turbulent gemaakt om
ongecontroleerde loslatingen te voorkomen.
- Effect
van de grenslaag op de drukverdeling
De
dikte van de grenslaag kan bij een vlakke plaat met eenvoudige formules voor
zowel laminaire als turbulente stroming vrij nauwkeurig berekend worden. Dit
geeft een bruikbare indicatie van die dikte bij vleugelprofielen. Bij de neus
van een profiel is de dikte van de grenslaag nog gering. Op 0,5m profieldiepte
is deze bij een gebruikelijke zweefvliegsnelheid voor laminaire stroming gelijk
aan ca. 2,2mm. Was door vervuiling van de vleugelneus de grenslaag al vanaf het
begin van het profiel turbulent, dan is op een profieldiepte van 0,5m de
grenslaag al ca. 11mm dik en dat is vijfmaal zo veel als voor een laminaire
grenslaag. Een turbulente grenslaag wordt bij een zelfde loopafstand over het
profiel dus veel dikker dan een laminaire grenslaag. De grenslaag verdringt de
stroomlijnen om het profiel over een zekere afstand naar buiten. Door deze
zogenaamde verdringingsdikte op te tellen bij de contouren van het profiel, is
de aerodynamische dikte van een profiel in de praktijk dus iets groter dan de
geometrische dikte. Dit effect op de geometrie wordt bij de berekening van
snelheids- en drukverdelingen net buiten de grenslaag uiteraard meegenomen en
is er in wezen de oorzaak van dat een profiel naast wrijvingsweerstand als
gevolg van de viscositeit ook drukweerstand ondervindt. Daarmee wordt de eerder
in dit artikel genoemde paradox van
d'Alembert opgelost. In figuur 9 is het effect van de grenslaag
duidelijk terug te vinden in de drukverdelingen. Bij de doorgaande curve met
visceuze grenslaag is de transitie van laminair naar turbulent goed te
onderkennen; bij de gestippelde curve met alleen wrijvingloze stroming is er
geen grenslaag en doet dit fenomeen zich dus ook niet voor.

Figuur
9: Effect van
de grenslaag op de drukverdeling
- Wrijvingsweerstand
en zogwerking
De
wrijvingscoëfficient is met de bekende grenslaagvergelijkingen voor zowel
laminaire als turbulente stroming op het oppervlak goed uit te rekenen. Uit
deling van de resultaten blijkt dat typisch voor het snelheidsgebied van
zweefvliegtuigen de wrijvingscoëfficiënt voor turbulente stroming een factor
ca. 6.5 hoger is dan die voor laminaire stroming. Het is dus aan te bevelen
door een goed ontwerp van het profiel de grenslaag zo lang mogelijk laminair te
houden, zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde van het profiel. Ook zal
het duidelijk zijn dat vooral in de buurt van de vleugelneus, met haar typische
stuwpuntseffect op de stroming, het vleugeloppervlak brandschoon moet zijn als
men bedenkt dat verstoringen die hoger zijn dan 0,1 á 0,2mm de stroming in de
grenslaag vroegtijdig kunnen doen omslaan naar turbulent. Door turbulente
wigvorming zullen dan grotere delen van het vleugeloppervlak een hoge
wrijvingsweerstand gaan ondervinden.
Hoewel
een turbulente grenslaag beter blijft aanliggen dan een laminaire kan ook deze
het oppervlak verlaten als de druk stroomafwaarts te snel stijgt. Dit is aan de
achterzijde van het profiel het geval wanneer met een te grote invalshoek wordt
gevlogen, dus te langzaam bij de gekozen flapstand. Op en achter het profiel
ontstaan dan loslaatwervels en door zogwerking veel extra drukweerstand. De
profielweerstand CDp neemt dan snel toe zoals in figuur
10 voor hogere waarden van de liftcoëfficiënt CL is aangegeven.
Overigens neemt de weerstand van het profiel ook snel toe wanneer met een te
kleine invalshoek wordt gevlogen, dus te snel bij de gekozen flapstand. Hierbij
treedt omslag van de stroming in de grenslaag naar de turbulente vorm al direkt
bij de voorkant aan de onderzijde van het profiel op. Ook dit blijkt duidelijk
uit figuur 10 bij de lagere waarden van CL.
Het
zal duidelijk zijn dat de vlieger er steeds attent op moet zijn in het lage
weerstandsgebied te opereren om daarbij de transitie van de stroming in de
grenslaag zo ver mogelijk naar achteren te houden, zowel aan de bovenzijde als
aan de onderzijde van het profiel.

Figuur
10:
Profielweerstand voor een modern profiel met flaps (ref. LB, TUDelft)
Luisteren
naar de grenslaag
- Laminair
versus turbulent
Het
is dus van groot belang te vliegen met een zo lang mogelijke laminaire
grenslaag zowel op de boven- als onderkant van de vleugel. Bij een bestaand profiel hebben vliegers dit
grotendeels zelf onder controle door met een heel schoon en zuiver oppervlak te
vliegen en vooral ook door een juiste combinatie van flapsetting en
vliegsnelheid. Bij laminaire stromingen bewegen de luchtdeeltjes in de
grenslaag mooi evenwijdig aan elkaar. Ze "zien" elkaar maar hinderen
elkaar niet veel en er is weinig energieoverdracht naar het vleugeloppervlak.
Bij turbulente stroming zijn die bewegingen behoorlijk warrig en is de
uitwisseling van kinetische energie tussen de luchtdeeltjes onderling en die
naar het vleugeloppervlak vrij groot. Als je met een klein microfoontje naar de
stromende lucht in de grenslaag luistert, dit in navolging van eerdere metingen
bij de ASW-19 van TUDelft, dan kun je heel goed waarnemen of de stroming ter
plaatse laminair of turbulent is. In 2008 deed ik dat bij onze Ventus XT bij
verschillende combinaties van snelheden en flapstanden, zowel gedurende
rechtuitvliegen als tijdens cirkelen. De methode werkt voortreffelijk en doet
recht aan de doelstelling om de stroming over het vleugeloppervlak, zowel boven
als onder, zolang mogelijk laminair te houden. Voor de metingen gebruikte ik
een heel klein microfoontje van het type dat in gehoorapparaatjes wordt
toegepast en mij in een veelvoud door Sonion ter beschikking werd gesteld. Een
heel dun meetbuisje (flexibel slangetje) met een lengte van ca. 100cm pikt het
signaal op en leidt het naar het microfoontje. Op deze wijze wordt de stroming
door de opstelling niet verstoord. Een microfoonversterktje gemonteerd in de
romp werkt op de 12V boordspanning en uitluisteren gaat met een klein
speakerboxje dat goed hoorbaar in het bagagecompartiment is opgesteld.
-
Metingen aan de bovenzijde van het profiel

Figuur
11:
Meetbuisje op bovenzijde van de vleugel
Bij
de metingen aan de bovenzijde van het profiel zat het meetbuisje op ca. 70cm
gerekend vanuit de romp op de vleugel geplakt. De tip van het meetbuisje bevond
zich op een profieldiepte van 60% (48cm vanaf de voorzijde vaan het profiel). Figuur
11 geeft deze opstelling weer.
Ik
verwachtte op die profieldiepte bij een juiste combinatie van snelheid en
flapstand nog net een laminaire stroming en inderdaad was dit het geval. Fguur
12 geeft een beeld van de waarnemingen. Boven de curve is de
grenslaagstroming bij de geldende snelheid/flap combinaties ter plaatse van de
sensor turbulent (bijv. 110km/h en positie "–1"), onder de curve is
de grenslaag ter plaatse van de sensor mooi laminair (bijv. 110km/h en positie
"+1"). Op de curve zelf geldt dat transitie juist op 60%
profieldiepte optreedt (bijv. 110km/h en positie "0")

Figuur
12: Sensor
bovenop het profiel; waarnemingen voor diverse combinaties van flapstand en
snelheid
Algemeen
geldt dat vanuit een juiste combinatie van flappositie en snelheid (bijv. 0 bij
110km/h) bij het selecteren van een meer positieve flappositie (bijv. +1) de
geluidswaarneming met het microfoontje uitgesproken laminair wordt; de
transitie beweegt zich dan op een gunstige manier meer naar achteren op het
profiel omdat door de grotere flapuitslag de druk stroomafwaarts nog wat verder
afneeemt. Bij het selecteren van minder positieve flapstanden (bijv. van 0 naar
-1 bij 110km/h) wordt de geluidswaarneming met het microfoontje uitgeproken
turbulent en verplaatst de transitie zich in ongunstige zin meer naar voren op
het profiel.
De
waarnemingen voor de positie van de transitie op de bovenzijde van het profiel
als functie van de flapstand en snelheid corresponderen goed met resultaten van
gedetailleerde berekeningen uitgevoerd bij TUDelft en Uni-Stuttgart.
-
Metingen aan de onderzijde van het profiel
Gelijksoortige
metingen als hiervoor beschreven voerde ik uit aan de onderzijde van het
profiel op meerdere diepteposities en wel vóór en na het aanwezige ZZ band. Een
gedetailleerde bespreking van deze interessante metingen laat ik hier
achterwege en komt in een aparte bijdrage.
In
samenhang met de metingen aan de bovenzijde van het profiel kon ik overigens
vrij nauwkeurig bepalen bij welke combinaties van flappositie en snelheid zowel
aan de bovenzijde als aan de onderzijde van het profiel een lange laminaire
grenslaag optrad. De eerste en tweede regel van Figuur 13 (flap position
and speed Vv) geven het resultaat van die gunstige combinaties. De snelheden
genoemd in de drie regels daaronder werden hieruit berekend en gelden voor een
grotere dwarshelling en hogere vleugelbelasting. Vergeleken met het advies van
de fabrikant van het zweefvliegtuig is er goede overeenstemming. Door naar de
microfoontjes te luisteren kwam ik automatisch tot gunstige combinaties van
flapstand en vliegsnelheid. Gaf een microfoontje turbulente stroming aan dan
lag de transitie van laminair naar turbulent vóór de 60% positie van het
microfoontje aan de bovenzijde respektievelijk vóór de 85% positie van het microfoontje aan de
onderzijde van het profiel. De flaps moeten dus bij een gegeven snelheid
zodanig ingesteld worden dat de grenslaag zowel boven als onder tot minstens
deze meetposities laminair is zodat daarbij de lage profielweerstand van figuur
10 gegeven is.

Figuur 13:
Gunstige combinaties van flapposities en snelheden bepaald uit luisteren naar
de grenslaag
Ook
werd met het microfoontje aan de onderzijde van het profiel geluisterd naar de
stroming in de grenslaag juist stroomafwaarts van het ZZ tape op ca. 90%
profieldiepte. Hiermee kon de werking van het ZZ tape voor de verschillende
kombinaties van snelheden en flapstanden bepaald worden. Duidelijk waarneembaar
was het verschil in karakter tussen de spontane "onstabiele" turbulenties
die vóór het ZZ tape waren ontstaan en daar overheen spoelden en de
"stabiele" door het ZZ tape veroorzaakte turbulenties behorende bij
de gedwongen omslag van laminair naar turbulent. De metingen gaven veel
objectief inzicht in wat er tijdens het vliegen aan de bovenzijde en aan de
onderzijde van het profiel met de grenslaag gebeurt.
-
Vliegen door turbulente lucht
Grootschalige
turbulenties in de lucht veroorzaken spontane invalshoekveranderingen van het
profiel en reacties daarop van de stroming in de grenslaag. Het abrupt naar
voren en weer naar achteren lopen van de transitie op het profiel is heel goed
met de sensor waar te nemen. Dezelfde effecten worden gevonden wanneer met de
knuppel kleine en vrij abrupte up- en downbewegingen worden gemaakt. Beide
gebeurtenissen veroorzaken extra profielweerstand en zijn dus ongewenst. Ook
uit figuur 10 is het duidelijk dat abrupte toe- of afnamen in de
liftcoëfficiënt, die een gevolg zijn van deze invalshoekveranderingen,
aanmerkelijke verhogingen in de profielweerstand kunnen veroorzaken.
-
Blijvend gebruik van de turbulentiesensor
Ook
dit seizoen is het "afluistersysteem" weer in onze XT geïnstalleerd,
nu met de sensor alleen op de bovenzijde op 55% profieldiepte. Bij het cirkelen
in turbulente thermiek wil ik er zeker van zijn dat het momentane werkpunt in
de liftcurve nog op een gunstige plaats ligt. Neem ik frequent op de
sensorpositie turbulente stroming waar, dan verschuift de transitie in de
grenslaagstroming steeds te ver naar voren op het profiel en vlieg ik gemiddeld
met teveel invalshoek, dus te langzaam of met te weinig flaps. Het Cl-Alfa
werkpunt ligt dan te dicht op of
mogelijk al in het z.g. "stoepje" van de Cl-Alfa curve van
vleugelprofielen met flaps en de profielweerstand is dan relatief hoog.
Bovendien treedt het negatieve effect in de daalsnelheid door turbulenties in
de aangestroomde lucht op, waarover in een eerdere bijdrage (http://home.planet.nl/~kpt9/thermiekstoepje.htm)
al werd gepubliceerd. Remedie is dan sneller vliegen en/of meer flaps met
eventueel meer helling. Maar sneller vliegen gaat wel ten koste van extra
polair dalen, dus alleen doen als het nodig is. Een subtiele interpretatie en
afweging van effecten is hier bepaald nodig. Het heel langzaam cirkelen in
turbulente thermiek, d.w.z. met het werkpunt voorbij het stoepje wil ik nog
verder onderzoeken. In die eerdere bijdrage leken daarbij veelbelovende
stijgwaarden realiseerbaar (zie figuur 6 in die bijdrage). Het signaal van de
sensor zal dan voortdurend moeten duiden op een ver naar voren gelegen
transitie. De toekomst zal leren of deze langzaamvliegmethode waarbij dus met
een hoge profielweerstand wordt gevlogen inderdaad werkt en veilig in
turbulente thermiek kan worden uitgevoerd.
-
Afzuigen van de grenslaag
Uit
windtunnelonderzoek, o.a. bij TUDelft,
is gebleken dat grenslaagafzuiging een veelbelovende methode is om:
-
een laminaire grenslaag over de gehele profieldiepte aanliggend en laminair te houden
en
-
een turbulent geworden grenslaag tot aan de achterrand van het profiel
aanliggend te houden.
Hierdoor neemt de weerstand van het profiel aanmerkelijk af en de lift neemt toe. Gevolg is dat zweefvliegtuigen met grenslaagafzuiging wel meer dan 30% beter gaan presteren, een verbetering die met gewone profielen door fysische beperkingen zeker niet meer bereikbaar is. Deze veelbelovende mogelijkheid is door technische problemen, vooral het niet beschikbaar zijn van geschikt poreus plaatmateriaal, nog niet goed tot ontwikkeling gekomen. Ook aerodynamische problemen vragen veel aandacht. De benodigde energie voor een afzuigpomp om een laminaire grenslaag aanliggend en laminair te houden is betrekkelijk gering. Alleen het alleronderste deel van de grenslaag moet worden afgezogen om de stroomsnelheid ook dicht bij het profiel groter dan nul te houden. Daarmee wordt voorkomen dat de grenslaag van het oppervlak loslaat en turbulent wordt zoals eerder in dit artikel is beschreven. Met effectieve zonnepanelen op het voorste deel van de vleugel kan de pompenergie worden opgewekt. Voor het aanliggend houden van een turbulente grenslaag moet veel meer lucht worden afgezogen en is dus ook veel meer pompenergie nodig. Dit kan bij zweefvliegtuigen problematisch zijn. Maar dit is alleen actueel als bij grotere invalshoeken de grenslaag al vóór het afzuiggebied turbulent wordt. Het lijkt bij een aangepast profiel mogelijk dit bij thermieken nog te voorkomen en dan ook bij een laag vermogen de grenslaag tot aan de achterrand laminair te houden. Loek Boermans van TUDelft heeft zich als doel gesteld grenslaagafzuiging tot een succes te maken. Hij werkt hier momenteel hard aan en maakt goede vorderingen. In Thermiek 4 – 10 berichtte hij hier al uitgebreid over.
Tenslotte
"Meten
is weten" is het logo van mijn vroegere werkgever; ik kan het nog steeds
niet laten. Een goede theoretische onderbouwing van wat je waarneemt is
uiteraard nodig om tot correcte beweringen te komen. Die onderbouwing geef ik
in het aparte document waaraan ik in de inleiding refereer. De bestudering van
een aanmerkelijke hoeveelheid literatuur op het gebied van de aerodynamica en
mijn goede contacten met de bekende aerodynamicus Loek Boermans (LB) van
TUDelft, die mij ook bij dit artikel met raad en daad bijstond, zullen mij
bepaald helpen aan die onderbouwing een geloofwaardige betekenis te geven hoop
ik.
Wie
zijn wij
Boermans: (Prof.) Ir. Loek
Boermans is een Nederlands Aerodynamicus en als universitair hoofddocent
verbonden aan TUDelft. Hij heeft wereldwijd bekendheid verkregen met het
ontwerpen van zeer goed presterende lage snelheids vleugelprofielen, vooral
voor zweefvliegtuigen. Gedurende vele jaren is hij nu voorzitter van OSTIV.
Hoewel met pensioen besteedt hij momenteel theoretisch en praktisch nog veel
aandacht aan grenslaagafzuiging bij profielen om de grenslaag zo lang mogelijk
laminair te houden en loslating ervan te voorkomen met het doel de
profielweerstand zo laag mogelijk te houden. Loek werd geboren in 1946 te
Termaat: Ir. Karel Termaat was in zijn werkzame periode
reactorfysicus bij KEMA Arnhem. Hij was één van de pioniers bij de inmiddels
gesloten Kerncentrale Dodewaard. Na zijn pensionering nam zijn belangstelling
voor de aerodynamica van zweefvliegtuigen sterk toe. In Loek Boermans vond hij
een toegewijde leermeester. Als ervaren overlandvlieger en instructeur probeert
hij nu een schakel te zijn tussen de theorie van TUDelft en de aerodynamische
beeldvorming bij zweefvliegers. Karel werd geboren in 1936 te Woerden.
12
februari 2011
Karel
Termaat