![]() Herfst
Nu bloeien in 't jonge gras niet meer
Meizoentjes wit en geel; Nu hoor je niet meer in het dichte groen Gejubel en vogelgekweel. Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud Door 't zwijgende, hijgende woud. Nu zie j' in 't gewelf der beukenlaan 't Wazige blauw door 't bruin Nu wordt het park, dat zoo klaaglijk ruischt Een wondere toovertuin. Het zonnetje schuilt, en al vroeger verwacht Wordt de duistere, fluisterende nacht. |