Herfst
Herfst
Nu bloeien in 't jonge gras niet meer
Meizoentjes wit en geel;
Nu hoor je niet meer in het dichte groen
Gejubel en vogelgekweel.
Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud
Door 't zwijgende, hijgende woud.

Nu zie j' in 't gewelf der beukenlaan
't Wazige blauw door 't bruin
Nu wordt het park, dat zoo klaaglijk ruischt
Een wondere toovertuin.
Het zonnetje schuilt, en al vroeger verwacht
Wordt de duistere, fluisterende nacht.