Homepage van Date & Giny

Overige fauna van Rottumerplaat




Vanaf het begin van onze werkzaamheden op Rottumerplaat verzamelden we ook gegevens over dier- en plantengroepen welke niet binnen ons takenpakket vielen. Tot en met 1994 werden de resultaten hiervan nog ten dele opgenomen in de bewakingsverslagen. Daarna is het aantal groepen waarnaar werd gekeken enorm uitgebreid. De aan ons door het Staatsbosbeheer toebedeelde hoeveelheid tijd was helaas niet langer toereikend om al deze gegevens ook in de bewakingsverslagen op te nemen.
Helaas is het niet gelukt hiervoor een oplossing te vinden. Toch zullen we proberen om in de toekomst op deze pagina een zo volledig mogelijk overzicht te geven van de zeer vormenrijke, en deels uiterst bijzondere fauna van Rottumerplaat.

Aanvankelijk waren alleen een tweetal door ons geschreven artikeltjes opgenomen.  Het eerste geeft een verslag van de tot en met 1994 op het eiland gevonden mollusken. Hierbij zij opgemerkt dat het aantal soorten inmiddels meer dan honderd bedraagt. Het tweede verhaal werd geschreven naar aanleiding van de waarneming van een levende reebok op het eiland.

Inmiddels is ook een artikel over een invasie van het Koolmotje gepubliceerd. De tekst is hier te lezen.

Tenslotte is het onlangs gelukt om de identiteit te bepalen van een tweetal vliegen, die we in 1998 bij de behuizing hebben gevangen. Een foto, alsmede enkele bijzonderheden vindt U hier.

 



De Mollusken van Rottumerplaat

Giny Kasemir

(Correspondentieblad van de Nederlandse Malacologische Vereniging nummer 283: 54-56)

Vanaf 1981 worden de eilanden Rottumerplaat en Rottumeroog in het broedseizoen (begin mei tot half augustus) bewaakt door twee eilandbewakers/vogelwachten. De afgelopen zeven jaren -1988 t/m 1994- heb ik, samen met Date Lutterop, deze taak voor Staatsbosbeheer op Rottumerplaat uitgevoerd. Het weren van ongewenste bezoekers is onze belangrijkste taak. De meeste tijd wordt echter besteed aan diverse vogeltellingen. In de loop van de jaren zijn we steeds meer aandacht gaan besteden aan de flora en de overige fauna (m.n. vlinders en zweefvliegen). In ons rapport van 1994 worden voor het eerst de (voornamelijk mariene) mollusken besproken.

In de eerste zomers hebben we alleen verzameld wat we op onze strandwandelingen tegenkwamen. Van deze vondsten is de exacte vinddatum in de meeste gevallen niet meer te achterhalen. In de afgelopen zomer zijn we systematischer te werk gegaan, al moet gezegd worden dat het schelpengruis minder goed is onderzocht. Naar landslakken hebben we niet gezocht, voornamelijk omdat we grote delen van het eiland, afgezien van de noodzakelijke broedvogeltelling en de flora-inventarisatie, nauwelijks bezoeken in verband met de rust van de broedvogels.
We waren verrast te horen dat enkele leden van de NMV een bezoek gebracht hadden aan "ons" eiland, en waren erg benieuwd naar de vondsten. Inmiddels hebben we een bezoek gebracht aan Thijs de Boer, die ons ook geholpen heeft met het determineren van enkele -voor ons- lastige soorten.

Onderstaande tabel geeft de door ons gevonden soorten. Hierbij is de volgorde aangehouden zoals die is gegeven in Schelpen van de Friese Waddeneilanden (De Boer en De Bruyne, 1991).


Achter elke soort staan achtereenvolgens vermeld:
- ja(a)r(en) waarin de soort is gevonden;
88 t/m 94 betekent gevonden in alle jaren tussen 1988 en  1994;
88-93 betekent gevonden in een of meerdere jaren tussen  1988 en 1993;
- een aanduiding van het voorkomen van de soort;
1= 1 exemplaar in 7 zomers gevonden;
2= enkele exemplaren in 7 zomers, niet jaarlijks gevonden;
3= jaarlijks enkele exemplaren gevonden;
4= jaarlijks veel gevonden;
5= jaarlijks zeer veel gevonden.

De vondsten betreffen in hoofdzaak aangespoelde huisjes, klepppen en rugschilden van respektievelijk Gastropoda, Pelecypoda en Cephalopoda. De volgende soorten zijn levend op of nabij het eiland gezien:
Lepidochitona cinerea, Littorina littorea, Succinea putris, Mytilus edulis, Cerastoderma edule, Angulus tenuis, Macoma balthica, Scrobicularia plana, Mya arenaria. 
Met uitzondering van Lepidochitona cinerea en Succinea putris zijn van alle soorten  één of meerdere exemplaren aanwezig in de verzameling van de auteur.

Vergelijking met de vondsten van Rottumerplaat zoals die genoemd zijn in het excursieverslag van A. Hovestadt in het Corresponsentieblad van november 1994 laat zien dat tijdens deze excursie 17 soorten gevonden zijn die niet in onze tabel voorkomen. Het betreft hier land- en brakwaterslakken en heel kleine soorten. Onderstaande tabel geeft nog 28 soorten die tijdens de excursie niet gevonden zijn. Het zijn, zoals verwacht, de minder algemene soorten.


Wetenschappelijke naam Nederlandse naam ja(a)r(en) voorkomen
Polyplacophora
Lepidochitona cinerea Asgrauwe keverslak 88 - 93 1
Gastropoda
Littorina littorea Alikruik 88 t/m 94 5
Hydrobia ulvae Wadslakje 93, 94 5
Turritella communis Penhoren 92 2
Crepidula fornicata Muiltje 88 - 93 2
Lunatia alderi Glanzende tepelhoren 93 1
Lunatia catena Grote tepelhoren 88 - 93, 94 3
Buccinum undatum Wulk 88 t/m 94 4
Neptunea antiqua Noordhoren 88 - 93, 94 2
Neptunea despecta Gekielde noordhoren 88 - 93, 94 2
Oenopota turricula Trapgevel 94 1
Retusa obtusa Oubliehoren 94 2
Succinea putris Gewone barnsteenslak 94 1
Pelecypoda
Mytilus edulis Mossel 88 t/m 94 5
Ostrea edulis Platte oester 88 t/m 94 4
Unio pictorum Schildersmossel 93 1
Aequipecten opercularis Wijde mantel 94 1
Chlamys varia Bonte mantel 88 - 93 1
Acanthocardia aculeata Grote hartschelp 88 - 93, 94 2
Acanthocardia echinata Gedoornde hartschelp 88 - 93, 94 3
Acanthocardia tuberculata Geknobbelde hartschelp 88 - 93, 94 3
Laevicardium crassum Noorse hartschelp 88 - 93, 94 3
Cerastoderma edule Kokkel 88 t/m 94 5
Mactra corallina Grote strandschelp 88 t/m 94 4
M. c. plistoneerlandica Fossiele grote strandschelp 88 - 93, 94 3
Mactra glauca Brede strandschelp 94 1
Spisula elliptica Ovale strandschelp 88 - 93, 94 3
Spisula solida Stevige strandschelp 88 - 93, 94 2-3
Spisula subtruncata Halfgeknotte strandschelp 88 t/m 94 5
Lutraria lutraria Otterschelp 90, 93, 94 2-3
Ensis directus Amerikaanse zwaardschede 88 t/m 94 4
Ensis minor Klein tafelmesheft 88 - 93 1
Ensis siliqua Groot tafelmesheft 88 - 93, 94 2-3
Angulus fabulus Rechtsgestreepte platschelp 94 1
Angulus tenuis Tere platschelp 88 t/m 94 4
Macoma balthica Nonnetje 88 t/m 94 4
Scrobicularia plana Platte slijkgaper 88 - 93, 94 4
Donax vittatus Zaagje 88 t/m 94 4
Arctica islandica Noordkromp 88 - 92, 93, 94 3
Chamelea striatula Venusschelp 88 - 93, 94 3-4
Dosinia exoleta Artemisschelp 88 - 92 2
Venerupis aurea senescens Grijze tapijtschelp 88 - 93 1
Venerupis senegalensis Gewone tapijtschelp 88 - 93, 94 2
Petricola pholadiformis Amerikaanse boormossel 88 - 93, 94 3
Mya arenaria Strandgaper 88 t/m 94 5
Mya truncata Afgeknotte gaper 88 - 93, 94 3
Barnea candida Witte boormossel 88 - 93, 94 3
Zirfaea crispata Ruwe boormossel 88 - 93, 94 3
Cephalopoda
Sepia officinalis Gewone zeekat 88 t/m 94 4
Sepia orbignyana Gedoornde zeekat 94 2

 

LITERATUUR


Boer, T.W. de & R.H. de Bruyne, 1991. Schelpen van de Friese  Waddeneilanden. Overzicht van alle mariene autochtone  weekdieren (Mollusca) en aangespoelde schelpen. Fryske  Akademy, Leeuwarden. 

Hovestadt, A., 1994. Verslag van de N.M.V. - excursie naar Rottumerplaat en Rottumeroog op 23 september 1994.  Cor.Bl. N.M.V. 281: 153-156.

Lutterop, D. & G. Kasemir. 1994. Verslag bewaking  Rottumerplaat 1994. Staatsbosbeheer, Groningen.

 


Reebok op Rottumerplaat

Date Lutterop & Giny Kasemir

(Zoogdier 1997, jaargang 8(1): 33-34)



Dode reebok op Rottumerplaat, 2 mei 1989


Op de Nederlandse Waddeneilanden wordt de ree Capreolus capreolus slechts incidenteel waargenomen. Alleen op Ameland is een populatie aanwezig. Hoewel de eerste bok hier waarschijnlijk is komen overlopen vanaf het vasteland, zijn daarna enkele dieren uitgezet.

Sinds 1988 werken wij in voorjaar en zomer voor Staatsbosbeheer als bewaker/vogelwachter op Rottumerplaat. Van Rottumeroog en Rottumerplaat waren ons alleen waarnemingen van reeën bekend van Rottumeroog: een bok op 19 mei 1988 en verse sporen op 26 mei van hetzelfde jaar.
Onze eerste eigen confrontatie met een ree op Rottumerplaat was op 2 mei 1989. Op deze datum werden wij er door medewerkers van Rijkswaterstaat op geattendeerd dat er op het strand een dode ree lag. Het bleek een bok te zijn, die al geruime tijd dood was (zie foto).

Op 5 mei 1996, rond 10 uur 's morgens, zagen wij vanaf de uitkijktoren aan de oostzijde van het eiland een reebok lopen (Amersfoortcoördinaten: 228-617). Hij liep hier rustig rond op de met helm begroeide zuidhelling van de stuifdijk. Een aantal malen zagen we hem van de aanwezige ligusterstruiken eten.
Tijdens een latere inspectie vanaf de uitkijktoren werd om 20:30 uur de ree weer opgemerkt. Hij liep enkele kilometers ten zuiden van het eiland over de drooggevallen zandplaten van het wad, in zuidelijke richting. Ook vanaf Rottumeroog werd de terugtocht naar het vasteland waargenomen, door onze collega's aldaar. De zuidelijke koers werd ook aangehouden na het overzwemmen van een brede geul van het Boswad. Door het snel opkomende water werd hij een eind in westelijke richting meegesleurd. Na weer op een droge zandplaat te zijn aangekomen, liep hij zo ver terug richting oost, dat hij de oorspronkelijk gevolgde zuidwaartse richting kon hervatten. Steeds vaker kwam hij nu geulen tegen die overgestoken moesten worden. Zwemmend was hij, mede door de invallende duisternis, nog nauwelijks door ons te volgen. We vermoedden dat hij, toen we om 21:45 uur de waarneming staakten, ongeveer halverwege het vasteland was. De kortste afstand tussen de zuidrand van het eiland en de Groninger dijk bedraagt 12 kilometer.

Ons vermoeden dat de ree de oversteek niet zou halen werd waarschijnlijk bevestigd op 21 mei 1996. Aan de westrand van de Boschplaat, een grote zandplaat aan de zuidkant van het eiland, vonden we op enkele tientallen meters van een aangespoelde dode bruinvis Phocoena phocoena, ook in de vloedlijn, een dode reebok.



Een invasie van het Koolmotje (Plutella xylostella) op Rottumerplaat

Date Lutterop

(Jaarverslag 1997-2000 vlinder- en libellenwerkgroep stad en ommelaand: 6-7)

 

Inleiding

Sinds 1988 werk ik samen met Giny Kasemir voor Staatsbosbeheer als vogelwachter op Rottumerplaat. Dit grootste van de twee Groninger Waddeneilanden heeft een oppervlakte van ongeveer 750 hectare, waarvan ruim een derde gedeelte begroeid is. In tegenstelling tot het veel kleinere Rottumeroog is Rottumerplaat momenteel in de bloei van zijn leven; voortdurend vindt spontaan nieuwe duinvorming plaats, en vooral op de centrale delen van het eiland vinden we elk jaar meerdere nieuwe planten- en diersoorten. 
Kenmerkend voor de Waddeneilanden is dat er geregeld massale invasies van insecten plaats vinden. Men verklaart dit door het optreden van stuwing van een migratiestroom, waardoor soms kortstondig grote aantallen van een soort aanwezig kunnen zijn. In 1996 was dit het geval met de Gamma - uil (Autographa gamma). Vooral op Terschelling werden miljoenen exemplaren geteld. 
Zelf hebben we in de afgelopen jaren op Rottumerplaat ook een aantal van deze invasies meegemaakt. Naast die van de Gamma - uilen (naar schatting 50.000 - 60.000 exemplaren), was die van de Coloradokever (Leptinotarsa decemlineata) het meest massaal. In mei 1992 lag de gehele vloedlijn van het eiland vol met vele duizenden dode kevers. De soort spoelt wel vaker dood aan, maar in 2000 zagen we pas het eerste levende exemplaar.
Tijdens het vogelwachtersseizoen 2000, dat duurde van half april tot half augustus, was er op Rottumerplaat sprake van een grote invasie van het Koolmotje (Plutella xylostella). Deze microvlinder is een beruchte plaagsoort op gekweekte koolsoorten. Landelijk kunnen de waargenomen aantallen van jaar tot jaar sterk verschillen, afhankelijk van migratie van volwassen individuen vanuit zuidelijker streken. In Nederland worden maar zelden rupsen in de vrije natuur waargenomen. Zelf zagen we enkele jaren geleden vele pollen Zeeraket (Cakile maritima) vol zitten met rupsen van het Koolmotje.

De invasie op Rottumerplaat

Op Rottumerplaat zien we het Koolmotje nagenoeg jaarlijks; vaak gaat het daarbij om af en toe een enkel exemplaar op het licht van een van de buitenlampen van de behuizing. In 2000 werd zo het eerste exemplaar gezien op 19 juni. In de loop van juli konden we af en toe enkele tientallen opjagen uit de vegetatie op de kwelder. Op 23 juli bleken de aantallen enorm toegenomen. Tijdens het lopen van een rondje om de behuizing konden ruim 750 exemplaren worden opgejaagd. Ze zaten voornamelijk in de vele bosjes Wilde liguster (Ligustrum vulgare). Om een indruk te krijgen van de aantallen elders op het eiland werd 's middags een wandeling van ruim vier kilometer gemaakt, waarbij we diverse delen van de kwelder, de duinen en de slufter aan de noordzijde van het eiland bezochten. Overal uit de vegetatie vlogen Koolmotjes op. Regelmatig maakten we een schatting van de aanwezige aantallen op een vierkante meter. De dichtheden waren het laagst in de duinen met een begroeiing van voornamelijk Helm (Ammophila arenaria): circa 10 exemplaren per vierkante meter. De hoogste dichtheden vonden we op de overgang tussen kwelder en duin, langs de zuidrand van de ruim 3,5 kilometer lange stuifdijk. Hier waren op de meeste plaatsen 50-100 Koolmotjes per vierkante meter aanwezig, soms zelf nog meer. Vooral tijdens de wandeling door dit gebied was het niet mogelijk met elkaar te praten zonder Koolmotjes binnen te krijgen.
We berekenden dat we tijdens de wandeling bijna 350.000 Koolmotjes hadden gezien. Na extrapolatie van de gevonden aantallen naar de niet bezochte delen van het eiland schatten we het totale aantal Koolmotjes dat die dag op het eiland aanwezig was op 2.000.000 - 5.000.000. Opmerkelijk was dat er naar verhouding nauwelijks Koolmotjes op het licht afkwamen. Op 23 juli waren dit er 20, een dag later 50. Nadien namen de aantallen Koolmotjes snel af. Op 26 juli zagen we de laatste twee exemplaren van het seizoen. 

 

Aantallen elders in de provincie

Om een indruk te krijgen van de aantallen op het vasteland van de provincie Groningen, namen we contact op met F. de Wilde in Stedum. Zij meldde geen verhoogde aantallen van het Koolmotje op haar buitenlampen in de periode van onze invasie. Ook van anderen had zij geen melding gekregen van hogere aantallen dan normaal. 
Dit kan worden verklaard doordat op het vasteland geen stuwing optreedt, waardoor de aantallen niet zo hoog oplopen. Anderzijds bleek ook op Rottumerplaat dat van de enorme aantallen nauwelijks exemplaren op het licht afkwamen. Daardoor kunnen de werkelijke aantallen in de provincie veel hoger zijn geweest dan op grond van de lichtvangsten wordt vermoed.

Aantallen in Nederland

De Vos (2000) vermeldt voor de periode 1997 tot en met 1999 respectievelijk 150.000, 752 en 426 aan de Trekvlinderregistratie gemelde Koolmotjes. De auteur bevestigt dat er in 2000 landelijk sprake was van een invasie. Tot dusverre is nog geen goed beeld te krijgen omdat veel gegevens nog niet binnen zijn (schriftelijke mededeling R. de Vos). 
Bijkomend probleem is dat de invasie midden in de vakantieperiode viel. Menigeen die toen in het buitenland verbleef zal de invasie waarschijnlijk gemist hebben. Mensen die de Waddeneilanden als vakantiedoel kozen hebben mogelijk een vergelijkbare situatie aangetroffen als wij op Rottumerplaat.
Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de invasie zouden we iedereen die Koolmotjes of andere trekvlindersoorten heeft waargenomen willen oproepen de gegevens door te geven aan de Trekvlinderregistratie. 

Literatuur

de Vos, R. 2000. Trekvlinders in 1999 (zestigste jaarverslag) (Lepidoptera). Ent. Ber. Amst. 60(12): 217-230.

Trekvlinderregistratie, R. de Vos     
Zoölogisch Museum Amsterdam 
sectie Entomologie       
Plantage Middenlaan 64      
1018 DH Amsterdam
E-mail: rvos@bio.uva.nl 


Bijzondere vlieg (Diptera, Calliphoridae) op Rottumerplaat

Date Lutterop

Uiteindelijk is het gelukt om twee in 1998 gevangen vliegen te determineren.  Het gaat om twee exemplaren van Stomorhina lunata. Deze opvallende vlieg is zeer algemeen in Afrika, maar extreem zeldzaam in Europa. Van de Scandinavische landen is slechts een exemplaar bekend, en ook in West-Europa wordt de soort slechts weinig waargenomen. De larven leven van de eieren van sprinkhanen, en met name de treksprinkhaan  moet het daarbij ontgelden. Het is nog niet duidelijk of de soort zich op onze breedtegraden tevredenstelt met de hier voorkomende sprinkhaansoorten. Mogelijk gaat het hier slechts om afgedwaalde exemplaren.

Bevestiging van de determinatie werd verkregen door een foto die was gepubliceerd op www.diptera.info. Dit betrof een in België waargenomen exemplaar. De fotograaf, Nico Geiregat, gaf welwillend toestemming zijn foto hier te publiceren.

De beide Stomorhina's werden bij de behuizing gevangen op 29 juni en 11 augustus 1998. Het exemplaar van 29 juni zat op de bloemen van Wilde liguster (Ligustrum vulgare).

 


 

Terug naar het begin van deze pagina

Laatste wijziging 27 oktober 2004


Tekst en foto's copyright © Date Lutterop & Giny Kasemir
E-mail: d.lutterop@wxs.nl
Alle rechten voorbehouden