Livius, Ab urbe condita;
Eindexamen 1997

Inhoudsopgave:

De Sabijnse maagdenroof
Brutus
De "opstand" van de plebejers
De oorlog tegen de Falerii
Hannibal,voor de strijd
Hannibal, de strijd
Griekenland
Bacchanalia, Aebutius en Hispala
Bacchanalia, Hispala's onthullingen

De roof van de Sabijnse maagden en het verraad van Tarpeia bestraft.

De roof van de Sabijnse maagden

1.8.4 - 1.10.1

8.4 De stad was ondertussen aan het groeien door met versterkingen steeds andere plaatsen in bezit te nemen, ofschoon zij een versterking vormden meer met het oog op de hoop op een toekomstige bevolking, dan op wat er toen aan mensen was.

8.5 Vervolgens, opdat de omvang van de stad niet zinloos zou zijn, opent hij (Romulus) om bevolking toe te voegen, door een oude methode van stedenstichters, die, in werkelijkheid een onaanzienlijke en laaggeboren bevolking naar zich toeroepend, voorwendden dat de bevolking bij hen uit de aarde geboren was, (opent Romulus) de plaats die nu, omheind, voor degenen die afdalen "tussen de twee bossen" aan de linkerhand is als een asiel.

8.6 Daarheen heeft vanuit de aangrenzende volkeren een heterogene menigte, zonder onderscheid of die vrij of slaaf was, verlangend naar een nieuw leven zijn toevlucht gezocht, en dit is het begin van kracht op weg naar de begonnen grootheid geweest.

8.7 Toen hij helemaal niet meer te klagen had over mankracht, bereidde hij vervolgens de leiding voor zijn mankrachten. Hij benoemt honderd senatoren, ofwel omdat dit aantal voldoende was, ofwel omdat er slechts honderd waren die tot Vaders benoemd konden worden. In ieder geval zijn de nakomelingen van hen, op grond van de eer, Vaders en Patriciers genoemd.

9.1 De Romeinse zaak was al zo sterk dat zij tegen wie dan ook van de naburige stammen in oorlog was opgewassen, maar door gebrek aan vrouwen zou de grootheid gedoemd zijn de leeftijd van een man te duren, omdat zij immers en niet thuis de hoop op nageslacht en niet met de omwonenden huwelijksverdragen hadden.

9.2 Toen heeft Romulus overeenkomstig een besluit van de senatoren (Vaders) gezanten gestuurd rond de naburige volkeren, die een bondgenootschap en een huwelijksverdrag moesten vragen voor het nieuwe volk:

9.3 Ook steden worden, zoals de overige dingen, vanuit het laagste geboren, vervolgens maken steden, die hun eigen dapperheid en de goden helpen, (die geholpen worden door hun eigen dapperheid en door de goden) grote rijkdom voor zich en een grote naam;

9.4 dat ze (de buurvolkeren) best wisten dat niet alleen goden de oorsprong van Rome hadden bijgestaan, maar ook dat dapperheid niet zou ontbreken; daarom moesten ze niet weigeren om als mensen met mensen bloed en afkomst te vermengen.

9.5 Nergens is het gezantschap welwillend aangehoord: zozeer verachtten zij het enerzijds, en vreesden ze anderzijds zo'n grote macht die in hun midden groeide, voor zichzelf en hun nakomelingen. En ze zijn weggestuurd terwijl de meesten steeds maar weer vroegen of ze soms ook voor vrouwen een asiel hadden geopend, want dat zou pas een gelijkwaardig huwelijk zijn.

9.6 De Romeinse jeugd heeft dit met moeite geduld en ongetwijfeld begon de zaak uit te zien naar geweld. Opdat Romulus aan dit een geschikte tijd en plaats zou geven, de ergernis van zijn geest verbergend, bereidt hij met vooropgezette bedoeling spelen voor, gewijd aan Neptunus de paardengod; hij noemt ze Consualia.

9.7 Vervolgens beveelt hij dat het schouwspel wordt aangekondigd aan de buren; en met zo'n grote pracht als ze toen kenden of konden, bereiden ze het feest voor, opdat ze de gebeurtenis schitterend en langverwacht zouden maken.

9.8 Veel stervelingen zijn samengekomen, ook uit belangstelling om de nieuwe stad te zien, vooral juist de meest dichtbij wonenden, de bewoners van Caenina, Crustumerium en Antemnae.

9.9 En verder kwam de hele menigte van Sabijnen, met kinderen en echtgenoten. Toen ze, na gastvrij te zijn uitgenodigd, verspreid over de huizen, de ligging en de stadsmuren en de stad, rijk aan daken, hadden gezien, verbaasden zij zich dat Rome in zo'n korte tijd gegroeid was.

9.10 Toen de tijd van het schouwspel was gekomen en de gasten met de ogen zich daaraan hadden overgegeven, toen ontstond er geweld volgens afspraak en nadat er een teken gegeven was, rende de Romeinse jeugd uiteen om meisjes te roven.

9.11 Een groot gedeelte is willekeurig geroofd, bij wie eenieder was terechtgekomen: mannen uit het volk, aan wie de opdracht was gegeven, brachten sommigen, die uitmuntten door schoonheid, bestemd voor de aanzienlijksten van de Vaders, naar de huizen.

9.12 Ze zeggen dat één, ver boven de anderen door uiterlijk en schoonheid opvallend, geroofd is door de bende van een zekere Thalassius, en dat toen velen informeerden, naar wie ze haar toch brachten, er herhaaldelijk is geschreeuwd dat ze naar Thalassius werd gebracht, opdat niemand haar zou schenden. Vandaar is dit de bruiloftskreet geworden.

9.13 Wanneer het schouwspel door angst verstoord is, slaan de bedroefde ouders van de meisjes op de vlucht, zich beklagend over het schenden van de wet van de gastvrijheid en de god aanroepend naar wiens plechtigheid en spelen zij waren gekomen, misleid in strijd met goddelijk recht en vertrouwen.

9.14 Ook niet voor de geroofde meisjes is de hoop aangaande zichzelf beter of de verontwaardiging kleiner. Maar Romulus zelf ging rond en legde uit dat dit was gebeurd door de hoogmoed van de vaders die een huwelijkscontract geweigerd hadden met de aangrenzenden; die (vrouwen) echter zouden in een huwelijksverbond leven in gemeenschappelijk bezit van alle goederen en burgerrecht en het dierbaarste dat er is voor het menselijk geslacht van kinderen.

9.15 Ze moesten slechts hun woedegevoelens kalmeren en ze moesten moed geven aan diegenen aan wie het toeval lichamen (fysieke kracht) had gegeven. (Of misschien: ze moesten hun geesten/harten geven aan diegene wie het toeval hun lichamen had gegeven). Dikwijls was uit onrecht later een goede verstandhouding ontstaan, ze zouden met des te betere mannen omgaan, omdat ieder voor zich er naar zou streven dat hij, wanneer hij voor zijn deel zijn taak heeft waargenomen, ook het gemis van ouders en vaderland zou opvullen.

9.16 Daar kwamen bij de vleierijen van de mannen, die het gebeurde verontschuldigden met verlangen en liefde, wat bij het innerlijk van een vrouw de meest effektieve smeekbeden zijn.

10.1 Reeds waren de geesten zeer gekalmeerd voor de geroofden, maar de ouders van de geroofden probeerden, vooral toen, met rouwkleding en tranen en jammerklachten de stammen op te ruien. En zij beperkten hun verontwaardiging niet slechts tot de eigen woonplaats, maar verzamelden zich van alle kanten bij Titus Tatius, de koning van de Sabijnen. En de gezantschappen kwamen daar samen, omdat de naam van Tatius in die gebieden zeer groot was.

Tarpeia verraadt de Romeinen

1.11.5-1.11.9

De inwoners van Antemnae, Caenina en Crustumerium verklaren de oorlog aan Rome, maar ze worden door de Romeinen verslagen.

11.5 Als laatste is de oorlog begonnen door de Sabijnen, en deze is verreweg de grootste geweest. Want niets is afgehandeld in woede of drift en ze hebben de oorlog niet openlijk getoond voordat ze zijn begonnen.

11.6 Aan hun tactiek is ook nog een list toegevoegd. Spurius Tarpeius stond aan het hoofd van de burcht van Rome. Tatius heeft een dochter van deze, een jong meisje, met goud omgekocht, opdat ze de gewapende mannen in de burcht op zou nemen; ze was toen toevallig voor de offerplechtigheden water gaan halen buiten de stadsmuren.

11.7 Toen ze waren opgenomen, hebben ze haar bedolven onder wapens gedood, hetzij opdat de burcht eerder met geweld leek te zijn opgenomen, hetzij om een voorbeeld te stellen, opdat niet iets ergens betrouwbaar voor een verrader zou zijn.

11.8 Er wordt een verhaal toegevoegd, dat zij, omdat in het algemeen de Sabijnen gouden armbanden van groot gewicht en van edelstenen voorziene ringen van grote schoonheid aan hun linkerarm hebben gehad, (dat zij) als beloning heeft afgesproken wat ze in hun linkerhanden hadden; op grond daarvan zijn op haar in plaats van gouden geschenken schilden gestapeld.

11.9 Er zijn er die zeggen dat zij op grond van de overeenkomst uit te leveren wat in de linkerhanden was, ronduit de schilden heeft gevraagd en dat ze, toen men zag dat ze met bedrog handelde, zelf is gedood door haar eigen beloning. (Dat was het einde van de eerste dubbelspionne uit de geschiedenis).

De Sabijnsen zorgen voor vrede

1.13.1-1.13.5

De Sabijnen krijgen de burcht in hun bezit en ze weten de Romeinen op de vlucht te jagen. Romulus weet echter de vluchtende Romeinen tot staan te brengen door een gebed tot Juppiter. De leider van de Sabijnen, Curtius, komt nu in moeilijkheden, doordat zijn paard in een moeras belandt. Het beest worstelt zich er gelukkig uit en Curtius is gered. Maar de Sabijnen, bezig met het redden van hun leider, laten de Romeinen genoeg tijd om zich te herstellen. Men maakt zich weer op voor de strijd.

13.1 Toen hebben de Sabijnse vrouwen, als gevolg van het onrecht jegens dewelke (=wie) de oorlog was ontstaan, met loshangende haren en gescheurde kleding, nadat hun typisch vrouwelijke angst (ik protesteer!!) door de ellende was overwonnen, (hebben ze) het gewaagd zich tussen de vliegende projectielen te begeven, en nadat er van opzij een aanval was ondernomen, scheidden ze de vijandige slaglinies, scheidden ze de woedende partijen,

13.2 aan de ene kant de vaders, aan de andere kant de mannen smekend, opdat ze zich niet zouden bespatten met het ongeoorloofde bloed van schoonvader en schoonzoon, opdat ze niet door verwantenmoord de eigen kinderen zouden besmetten, (dat) eerstgenoemden (niet) het nageslacht van kleinkinderen (besmetten), (dat) laatstgenoemden (niet) het nageslacht bestaand uit kinderen (besmetten).

13.3 "Als jullie van de van verwantschap onder jullie, als jullie van het huwelijk spijt hebben, richt dan jullie woedeaanvallen tegen ons; wij zijn de oorzaak van de oorlog, wij (zijn de oorzaak) van de wonden en slachtpartijen voor mannen en ouders; we zullen beter sterven dan dat we zonder één van beiden van jullie als weduwen of als beroofden (= wezen) zullen leven."

13.4 De zaak beweegt zowel de menigte als de leiders, stilte en plotselinge rust was er; daarna treden de leiders naar voren om een verdrag te maken. En niet alleen vrede maken ze, maar één staat uit twee. Ze delen het koningsschap: ze brengen alle regeringsmacht over naar Rome.

13.5 Nadat aldus de stad verdubbeld was, zijn ze (de inwoners), opdat toch aan de Sabijnen iets werd gegeven, Quirites genoemd naar (de stad) Cures. Ter herinnering aan dit gevecht, hebben ze, waar het paard, voor het eerst uit het diepe moeras opduikend, Curtius op vaste grond heeft gebracht, Lacus Curtius genoemd.

 

Voor vragen en opmerkingen over deze vertalingen: Petra Huijts (E-mail: n.huijts@wxs.nl)