Livius, Ab urbe condita;
Eindexamen 1997

Inhoudsopgave:

De Sabijnse maagdenroof
Brutus
De "opstand" van de plebejers
De oorlog tegen de Falerii
Hannibal,voor de strijd
Hannibal, de strijd
Griekenland
Bacchanalia, Aebutius en Hispala
Bacchanalia, Hispala's onthullingen

Informatie over geïntegreerde akkerbouw

De opstand van de Romeinse plebejers.

De plebejers komen in opstand

2.31.7-2.32.7

In het jaar 494 v. Chr. wordt Rome aangevallen door drie stammen: de Volsci, de Aequi en de Sabijnen. Intern is de politieke situatie ook niet al te best: de plebejers zijn o.a. ontevreden over het feit dat ze weggevoerd kunnen worden in slavernij als ze hun schulden niet kunnen betalen. Een dictator, Manius Valerius moet worden aangesteld om de crisis te bedwingen. Hij belooft de plebejers dat ze, als ze dienst nemen in het leger, in ieder geval niet tijdens de oorlog tot schuldslaaf gemaakt kunnen worden. De oorlog verloopt hierna goed: de drie legers onder leiding van de twee consuls en de dictator, verslaan de vijanden.

31.7 Hoewel aldus op drie fronten de zaak in de oorlog gunstig was gevoerd, was aangaande het verloop van de binnenlandse zaken noch voor de patriciërs noch voor de plebejers de zorg geweken: Geldschieters hadden zowel door zo'n groot gelobby als gemanoevreer zodanige dingen voorbereid, dat die niet alleen het plebs, maar ook de dictator zelf teleurstelden.

31.8 Want Valerius heeft na de terugkeer van de consul Vetusius (het punt) ten gunste van het overwinnende volk van alle agendapunten in de senaat als eerste aan de orde gesteld en hij heeft aan de orde gesteld wat hun beviel dat er inzake de schuldslaven gebeurde.

31.9 Toen dit voorstel was verworpen, zei hij: " Ik beval (jullie) niet als voorstander van eendracht. Jullie zullen wensen, bij god, eerstdaags, dat het Romeinse volk beschermheren heeft zoals ik. Wat mij betreft, zal ik niet langer mijn medeburgers teleurstellen en ik zal zelf niet vergeefs dictator zijn.

31.10 Binnenlandse onenigheden en een buitenlandse oorlog hebben gemaakt dat de staat dit ambt nodig had: de vrede is in het buitenland tot stand gebracht, maar thuis wordt hij verhinderd. Ik zal liever als prive-burger dan als dictator de opstand meemaken." Aldus de Curia naar buiten lopend, deed hij afstand van de dictatuur.

31.11 De zaak is voor het volk duidelijk geweest, dat hij, omwille van hen verontwaardigd, afstand had gedaan van zijn ambt; nadat als het ware de belofte was nagekomen, hebben ze hem dus toen hij wegging naar huis, met blijken van genegenheid en lofprijzingen uitgeleide gedaan, aangezien het (volgens hen) niet aan hem zou hebben gelegen dat die (belofte) niet werd nagekomen.

32.1 Angst heeft zich daarna meester gemaakt van de patriciërs dat, als het leger ontbonden zou zijn, er weer geheime bijeenkomsten en samenzweringen zouden zijn. Ofschoon dus de lichting was gehouden door de dictator, hebben ze (de consuls) toch, in de mening dat de soldaten aan hun eed gebonden waren, aangezien ze gezworen hadden op de woorden van de consuls, onder het voorwendsel van her- nieuwing van de oorlog door de Aequi, bevolen dat de legioenen de stad uit werden geleid. Door dit feit is de opstand bespoedigd.

32.2 Men zegt dat er eerst is opgehitst aangaande het vermoorden van de consuls, opdat ze zouden worden losgemaakt van de krijgseed. Toen ze vervolgens erop gewezen waren, dat geen enkele religieuze verplichting door een misdaad werd opgeheven, zijn ze op initiatief van een zekere Sicinius zonder bevel van de consuls uitgeweken naar de Heilige Berg. Hij ligt aan de overkant van de rivier de Annio, drieduizend passen vanaf de stad.

32.3 Dat verhaal is meer verspreid dan (dat verhaal) waarvan Piso de bron is, namelijk dat de uittocht is ondernomen naar de Aventijn.

32.4 Toen ze daar zonder enige leider een versterkt kamp hadden aangelegd met een wal en een gracht, hebben zij zich gedurende enkele dagen rustig gehouden, noch uitgedaagd, noch uitdagend, niets nemend behalve wat noodzakelijk was voor levensonderhoud.

32.5 Er was een enorme angst in de stad en door wederzijdse vrees was alles gespannen. De plebejers die door de hunnen waren achtergelaten, vreesden gewelddadigheid van de patriciërs; de patriciërs vreesden het in de stad achtergebleven plebs, twijfelend of ze liever wilden dat het bleef of wegging:

32.6 maar hoelang zou de menigte die uitgeweken was rustig zijn? Wat zou er vervolgens gebeuren als intussen een of andere buitenlandse oorlog de kop op zou steken?

32.7 Zij achten inderdaad geen hoop (meer) over, behalve in samenwerking van de burgers. Die moest goedschiks of kwaadschiks door de burgerij herwonnen worden.

De opstand wordt gesust door een parabel en enige beloftes

2.32.8-2.33.3

32.8 Zo hebben ze dus besloten dat als onderhandelaar Menenius Agrippa naar het volk werd gestuurd, een welbespraakte man en geliefd bij het plebs omdat hij daarvan afkomstig was. Deze, binnengelaten in het kamp, heeft, op die ouderwetse en ruige manier van spreken, niets anders verteld dan het volgende, naar men zegt:

32.9 In de tijd, waarin in de mens niet zoals nu alles een eenheid vormde, maar alle onderdelen afzonderlijk hun eigen gedachten en hun eigen spraakvermogen hadden, waren de overige delen verontwaardigd dat door hun zorg, hun inspanning en dienstbetoon voor de maag alles bijeen werd gezocht, maar dat de maag, rustig in het midden, niets anders deed dan genieten van de gegeven genoegens.

32.10 Vervolgens hadden ze samengezworen dat de handen geen voedsel meer naar de mond zouden brengen en dat de mond het gegevene niet zou accepteren en dat de tanden het niet zouden vermalen. Door deze woede zijn de ledematen zelf, afzonderlijk, terwijl ze de maag willen bedwingen door honger, én het hele lichaam tot uiterste verzwakking gekomen.

32.11 Vandaar is het duidelijk geweest dat ook de taak van de maag niet onbelangrijk was, en dat hij niet méér werd gevoed dan voedde, door in alle delen van het lichaam dit bloed te geven, waardoor wij leven en krachtig zijn, gelijkelijk verdeeld in de aderen, gerijpt wanneer/doordat het voedsel is verteerd.

32.12 Door van hieruit te vergelijken hoe de inwendige opstand van het lichaam gelijk was aan de woede van het volk met betrekking tot de patriciërs, heeft hij de gedachte van de mensen omgebogen.

33.1 Vervolgens is men begonnen met onderhandelingen aangaande samenwer- king en men is het eens geworden over de bepalingen dat er voor de plebejers hun eigen magistraten zouden zijn, onschendbaar, die de bevoegdheid tot het verlenen van hulp tegenover de consuls zouden hebben en dat het niet aan iemand van de patriciërs geoorloofd zou zijn dat ambt te bekleden.

33.2 Zo zijn er twee volkstribunen gekozen, Gaius Licinius en Lucius Albinius. Deze hebben voor zich drie collega's gekozen. Onder deze is (/zou) Sicinius (zijn) geweest, het geestelijke brein van de opstand. Aangaande de twee anderen is men het minder eens, wie het geweest zijn.

33.3 Er zijn er die zeggen dat slechts twee tribunen gekozen zijn op de heilige berg en dat daar de geheiligde wet is aangenomen.

Voor vragen en opmerkingen over deze vertalingen: Petra Huijts (E-mail: n.huijts@wxs.nl)