Livius, Ab urbe condita;
Eindexamen 1997

Inhoudsopgave:

De Sabijnse maagdenroof
Brutus
De "opstand" van de plebejers
De oorlog tegen de Falerii
Hannibal,voor de strijd
Hannibal, de strijd
Griekenland
Bacchanalia, Aebutius en Hispala
Bacchanalia, Hispala's onthullingen

De strijd tegen Hannibal

De veldslag

22.4.4-22.5.4

4.4 Toen Flaminius de vorige dag bij zonsondergang bij het meer was aangekomen, nadat zonder verkenning de volgende dag, toen er nog maar nauwelijks duidelijk licht was, de bergpas was overgetrokken, zag hij, nadat de colonne was begonnen zich te verspreiden over een meer openliggende vlakte, slechts dat gedeelte van de vijanden dat tegenover was: achter zijn rug en boven zijn hoofd was de hinderlaag onopgemerkt gebleven.

4.5 Toen de Puniër, dat wat hij had nagestreefd, de vijand hield ingesloten door het meer en de bergen, en omsingeld door zijn eigen troepen, gaf hij allen een teken tegelijk aan te vallen.

4.6 Toen deze naar beneden waren gerend, waarlangs het voor eenieder de kortste weg is geweest, is de gebeurtenis des te meer voor de Romeinen plotseling en onverwacht geweest, omdat een nevel, opgekomen vanuit het meer, dichter in het open veld dan in de bergen was neergeslagen en de legerkolonnes van de vijanden, vanaf verschillende heuvels, zelf onderling voldoende zichtbaar en daardoor meer tegelijkertijd naar beneden waren gerend.

4.7 De Romein merkte dat hij omsingeld was, nadat er van alle kanten eerder een geschreeuw was aangeheven dan dat ze het voldoende duidelijk zagen en men begon eerder te strijden naar de voorhoede en de flanken dan dat de slaglinie in voldoende mate kon worden opgesteld of de wapens in gereedheid konden worden gebracht en de zwaarden getrokken.

5.1 Ofschoon allen hevig geschrokken waren, stelt de consul, zelf nogal onverschrokken, voorzover mogelijk in een panieksituatie, de in verwarring gebrachte afdelingen op, voor zover tijd en plaats het toelaat, aangezien eenieder zich wendde naar het verwarde geschreeuw, en waarlangs ook maar hij kan gaan en gehoord worden, spoort hij hen aan en beveelt stand te houden en te vechten.

5.2 Want dat men daaruit niet kon ontsnappen door offers of het aanroepen van de goden, maar door kracht en dapperheid. Dwars door de slaglinies heen wordt een weg gebaand met ijzer en hoe minder angst er is, des te minder gevaar is er bijna.

5.3 Maar door het lawaai en tumult kon noch zijn plan, noch zijn bevel, vernomen worden, en het was er zóver vanaf dat ze hun eigen veldtekens en gelederen en plaats konden vinden (dus ze konden ze helemaal NIET vinden), dat hun geest nauwelijks in staat was om de wapens op te nemen en in orde te brengen voor de strijd en sommigen overweldigd werden, omdat ze daardoor (door de wapens) meer belast waren dan beschermd. En in zo'n grote mist was het gebruik van de oren belangrijker dan dat van de ogen.

5.4 Zij richtten hun gezicht en hun ogen naar verschillende kanten naar het gekreun als gevolg van de verwondingen en naar de slagen op lichamen en schilden en naar het geschreeuw van mensen die triomfkreten slaken en die bang zijn, door elkaar heen.

De dood van Flaminius

22.6.1-22.6.4

6.1 Bijna drie uur is er gevochten en overal op een gruwelijke manier; rondom de consul echter is er een fellere en verbetener strijd.

6.2 Hem volgden niet alleen de harde kern van de manschappen, maar ook bracht hijzelf onvermoeibaar hulp in welk deel dan ook maar hij had gemerkt dat de zijnen onder druk stonden en het moeilijk hadden,

6.3 zowel de vijanden probeerden hem, opvallend door zijn wapens, uit alle macht aan te vallen, als de medeburgers hem beschermden, totdat een Insubrische ruiter, Ducarius geheten, ook aan het gezicht de consul herkennend, tegen zijn stamgenoten zei: "[Kijk eens], deze is het, die onze legioenen gedood heeft en de akkers en de stad heeft verwoest; weldra zal ik dit offer geven aan de schimmen van de medeburgers die gruwelijk zijn gedood."

6.4 En nadat hij zijn paard de sporen had gegeven, deed hij dwars door de zeer dicht opeengepakte menigte vijanden heen een aanval en nadat eerst de vaandeldrager was neergesabeld, die in de weg was gaan staan toen die dreigend op hem afkwam, doorboorde hij de consul met een lans. Toen hij verlangde hem van zijn wapenrusting te beroven hebben de soldaten van de derde slaglinie hem tegengehouden door hun schilden ervoor te houden.

De voorhoede van het Romeinse leger probeert te ontsnappen

22.6.8-22.6.12

6.8 Bijna zesduizend van de voorhoede zijn ontsnapt uit de bergpas nadat ze dwars door de vijanden tegenover hen ijverig een uitval hadden ondernomen, onbekend met alles dat zich achter hun rug afspeelde en toen zij op de een of andere heuvel waren gaan staan, slechts het geschreeuw en het geluid van de wapens horend, konden ze wegens de mist noch weten noch goed zien wat het verloop van de strijd was.

6.9 Nadat tenslotte de zaak een beslissende wending had genomen, toen de door de warmer wordende zon verdreven nevel het daglicht had zichtbaar gemaakt, hebben, toen het daglicht al helder was, de bergen en velden de verloren zaken getoond en de Romeinse slaglinie, die op een afschuwelijke manier was vernietigd.

6.10 Daarom, opdat de ruiterij niet op hen werd afgestuurd, nu ze van verre zichtbaar waren, maakten ze zich uit de voeten, nadat ze snel de veldtekens hadden opgenomen, in een zo hoog mogelijk marstempo.

6.11 Toen de volgende dag bovendien ook nog extreme honger bovenop de andere dingen hen in het nauw dreef, en toen Maharbal, die met alle troepen te paard 's nachts hen had ingehaald, zijn woord gaf dat hij, als ze hun wapens zouden hebben uitgeleverd, zou toestaan dat ze weggingen met enkel hun kledingsstukken, hebben zij zich overgegeven;

6.12 en dit woord is door Hannibal gehouden met Carthaagse eerlijkheid en allen zijn in de boeien gegooid.

Na het gevecht

22.7.1-22.7.5

7.1 Dit is het befaamde gevecht bij het Trasumeense meer en beroemd onder de weinige nederlagen van het Romeinse volk.

7.2 Vijftienduizend Romeinen zijn op 't slagveld gedood, tienduizend hebben, verspreid, door te vluchten dwars door heel Etrurië over afgelegen wegen de Stad proberen te bereiken.

7.3 Vijfentwintig honderd vijanden zijn op het slagveld omgekomen, velen later [aan beide kanten] ten gevolge van de verwondingen. Door anderen wordt overgeleverd dat een vele malen groter bloedbad aan beide kanten heeft plaatsgevonden.

7.4 Ik heb, afgezien van het feit dat ik niet graag zou willen dat iets op onbetrouwbare gronden overdreven wordt, waarheen al te zeer de geesten van schrijvers bijna altijd neigen, Fabius, een tijdgenoot van deze oorlog, bij voorkeur als bron gebruikt.

7.5 Nadat van de krijgsgevangen diegene die Latijnse status hadden zonder losgeld waren vrijgelaten, maar de Romeinen in de boeien waren geslagen en toen Hannibal had bevolen dat de lichamen van de zijnen afgezonderd van de stapels opeengehoopte vijanden werden begraven, heeft hij, nadat ook terwille van een begrafenis het lichaam van Flaminius met grote zorg was gezocht, het niet gevonden.

De chaos in Rome

22.7.6-22.7.14

7.6 In Rome is bij 't eerste bericht van die nederlaag met een enorme paniek en verwarring een oploop van 't volk naar het forum ontstaan.

7.7 Door de straten zwervende huismoeders vragen de tegemoetkomenden, welke plotselinge nederlaag was toegebracht of wat 't lot van het leger was. En toen op de manier van een drukbezochte volksvergadering de menigte zich begevend naar de vergaderplaats en het senaatsgebouw de magistraten opriep,

7.8 zei eindelijk, niet veel vóór de ondergang van de zon de praetor Marcus Pomponius: "Wij zijn overwonnen in een groot gevecht."

7.9 En ofschoon niets zekerders uit hem is gehoord, rapporteren ze toch, de een door de ander vervuld van geruchten, naar huis toe, dat de consul met een groot gedeelte van de troepen was gedood, dat slechts weinigen over waren, ofwel door een vlucht wijd en zijd over Etrurië verspreid, of gevangen genomen door de vijand.

7.10 Zo talrijk als de lotgevallen van het overwonnen leger waren geweest, naar zoveel zorgen was de aandacht getrokken van diegene, van wie familieleden onder consul Gaius Flaminius hadden gediend, niet wetend wat het lot was van elk van de dierbaren en volstrekt niemand heeft voldoende zekerheid wat hij ofwel moet hopen, ofwel moet vrezen.

7.11 De volgende en verder nog enkele dagen stond er bij de stadspoorten een bijna grotere menigte vrouwen dan mannen, ofwel op iemand van hun dierbaren, of berichten over hen wachtend; en ze omringden de tegemoetkomenden, steeds maar vragen stellend en ze konden er niet van worden losgerukt, vooral van bekenden, voordat ze punt voor punt alles hadden uitgevraagd.

7.12 Vervolgens had je verschillende gezichten kunnen zien van degenen die weggingen van de boden, al naar gelang iemand vrolijke of droevige dingen werden gemeld, gelukwensend of troostend degenen die naar huis terugkeerden omringend. Vooral van vrouwen waren zowel de uitingen van vreugde als van rouw in het oog springend.

7.13 Ze zeggen dat één vrouw toen ze vlakbij de stadspoort plotseling haar ongedeerde zoon had ontmoet, in de omarming van hem de laatste adem heeft uitgeblazen, en dat een andere vrouw aan wie de dood van haar zoon ten onrechte was gemeld, terwijl ze bedroefd thuis zat, bij de eerste aanblik van haar terugkerende zoon door al te grote vreugde is ontzield.

7.14 De praetoren houden de senaat gedurende enkele dagen vanaf de opkomst tot aan de ondergaande zon in het senaatsgebouw, beraadslagend, met welke aanvoerder of met welke troepen er verzet kon worden geboden tegen de zegevierende Puniërs.

Voor vragen en opmerkingen over deze vertalingen: Petra Huijts (E-mail: n.huijts@wxs.nl)