Livius, Ab urbe condita;
Eindexamen 1997

Inhoudsopgave:

De Sabijnse maagdenroof
Brutus
De "opstand" van de plebejers
De oorlog tegen de Falerii
Hannibal,voor de strijd
Hannibal, de strijd
Griekenland
Bacchanalia, Aebutius en Hispala
Bacchanalia, Hispala's onthullingen

Aebutius en Hispala

Aebutius

39.9.1-39.9.7

9.1 De verderfelijke invloed van dit kwaad is vanuit Etrurië Rome binnengedrongen als het ware met de besmetting van een ziekte. Aanvankelijk heeft de omvang van de stad, die nogal ruimte bood en tolerant was ten opzichte van dergelijke kwaden, ze verborgen; uiteindelijk heeft een aanwijzing op ongeveer de volgende manier de consul Postumius bereikt.

9.2 Publius Aebutius, van wie de vader met een van staatswegen bekostigd paard militaire dienst had verricht, was, toen hij als wees was achter gebleven (en) nadat vervolgens zijn voogden waren gestorven, onder de voogdij van zijn moeder Duronia en stiefvader Titus Sempronius Rutilius, opgevoed geweest.

9.3 En de moeder was helemaal overgegeven aan de man, en de stiefvader wenste, omdat hij de voogdij zó had gevoerd, dat hij geen rekenschap kon afleggen, dat zijn pupil ófwel uit de weg werd geruimd, óf afhankelijk van hem werd door de een of andere band (verplichting). Eén manier om hem te verpesten vormden de Bacchanalia.

9.4 De moeder riep de jongeman bij zich: dat ze ten behoeve van hem, toen hij ziek was, een belofte had gedaan, dat zij hem zou inwijden in de Bacchusdienst, zodra hij hersteld zou zijn; dat ze, omdat ze tot inlossing van de gelofte verplicht was, deze wilde inlossen, wegens de gunst van de goden; dat er een onthouding nodig was van tien dagen; dat zij op de tiende dag hem, nadat hij gedineerd had en vervolgens ritueel was gewassen, naar het heiligdom zou leiden.

Aebutius en Hispala

9.5 Een aanzienlijke protituée, de vrijgelatene Hispala Faecenia, te goed voor de broodwinning waaraan ze zich als slavinnetje had gewend, voorzag ook, nadat ze was vrijgelaten, in haar levensonderhoud op dezelfde manier.

9.6 Zij had een relatie met Aebutius ten gevolge van nabuurschap, die allerminst schadelijk was, ofwel voor het vermogen ofwel voor de goede naam van de jongeman: want uit eigen beweging was hij bemind en door haar gezocht, en omdat zijn verwanten alles karig verschaften, werd hij onderhouden door de vrijgevigheid van het hoertje.

9.7 Ja, ze was zelfs zóver gegaan, in de ban van haar verhouding, dat ze, nadat er na de dood van haar beschermheer, omdat ze in niemands hand was, een voogd was gezocht door de tribunen en de praetor, Aebutius als enige aanwees als erfgenaam, toen ze haar testament maakte.

Hispala onthult Aebutius de gevaren van de Bacchusdienst

39.10.1-39.10.9

10.1 Omdat dit de bewijzen van hun liefde waren, en de een volstrekt niets voor de ander geheim had, verbood de jongeman voor de grap dat zij zich verbaasde als hij gedurende enkele nachten afzonderlijk zou hebben gelegen:

10.2 dat hij wegens een religieuze verplichting in de Bacchusdienst ingewijd wilde worden, opdat hij bevrijd zou worden van de gelofte die gedaan was voor zijn gezondheid. Toen de vrouw dit gehoord had, zei ze, in verwarring geraakt: "Moge de goden betere dingen geven!": dat zowel voor haarzelf als voor hem het beter was te sterven, dan dat hij dit zou doen; en over het hoofd van diegene die dit hadden aangeraden, riep zij verschrikkingen en gevaren af.

10.3 Zowel zich verbazend over haar woorden als over zo'n grote verwarring, verzocht de jongeman haar, haar verwensingen te matigen: dat zijn moeder hem dit had opgedragen, met instemming van de stiefvader.

10.4 "Dus jouw stiefvader," zei ze "- want misschien is het niet geoorloofd jouw moeder te beschuldigenen-, haast zich jouw eerbaarheid, reputatie, vooruitzichten en jouw leven te gronde te gaan richten door deze daad."

10.5 Aan de zich des te meer verbazende en vragende wat dit te betekenen had, heeft ze gezegd, nadat ze gesmeekt had om genade en vergiffenis van goden en godinnen als zij, gedwongen door liefde voor hem, dingen zou hebben verklapt die verzwegen moesten worden, (heeft ze gezegd) dat ze als slavin als begeleidster van haar meesteres dit heiligdom had betreden, (maar) als vrije vrouw daar nooit naartoe was gegaan.

10.6 Dat ze wist dat dat de werkplaats was van verdorvenheden van elke soort en dat het vaststond dat al twee jaar niemand daar was ingewijd ouder dan twintig jaar.

10.7 Dat telkens als iemand was binnengeleid, hij als een offerdier overgeleverd werd aan de priesters. Dat die hem dan wegleidden naar een plaats die rondom weergalmd door oeloeloe-geroep en het gezang van een koor en het slaan van cimbalen en tamboerijnen, opdat niet de stem van de om hulp roepende gehoord kon worden wanneer hij met geweld verkracht wordt.

10.8 Vervolgens bad en smeekte zij hem, dat hij deze zaak op welke manier dan ook zou verijdelen, en dat hij zich niet daarin zou storten, waar allerlei schandelijke zaken eerst geduld en vervolgens gedaan moesten worden.

10.9 En ze heeft 'm niet eerder laten gaan dan dat de jongeman zijn woord van eer gaf dat hij zich zou onthouden van deze rituelen.

Aebutius bij de consul

39.11.1-39.11.7

11.1 Nadat hij thuis was gekomen en de moeder ter sprake had gebracht wat op die dag en wat achtereenvolgens op de overige gedaan moest worden, wat de riten betrof, zei hij dat hij volstrekt niets van die dingen zou doen en niet van plan was ingewijd te worden.
Bij het gesprek was de stiefvader aanwezig.

11.2 Terstond roept de vrouw uit dat hij het slapen met Hispala geen tien nachten kon missen: doordrenkt met de lokmiddelen en giffen van die slang had hij noch eerbied voor de moeder noch voor de stiefvader noch voor de goden. Scheldend aan de ene kant de moeder, aan de andere kant de stiefvader, hebben ze hem, mét vier slaven (die krijgt hij mee!), het huis uitgedreven.

11.3 Vanhier begaf de jongeman zich naar zijn tante Aebutia en hij vertelde haar de reden waarom hij door zijn moeder eruitgegooid was, vervolgens bracht hij de zaak, op advies van haar, de volgende dag aan bij consul Postumius, nadat ooggetuigen waren verwijderd.

11.4 De consul heeft hem weggestuurd nadat hij de opdracht had gekregen na de derde dag bij hem terug te keren, hijzelf informeerde bij Sulpicia, een ernstige vrouw, zijn eigen schoonmoeder, of zij soms een of andere oude vrouw Aebutia kende, van de Aventijn.

11.5 Toen zij geantwoord had haar te kennen als rechtschapen en als een vrouw van ouderwetse zeden, zei hij dat het voor hem nodig was haar te ontmoeten: ze moest een bode naar haar toesturen, opdat ze zou komen.

11.6 Nadat Aebutia ontboden was, kwam ze naar Sulpicia en een weinig later begon de consul, alsof hij toevallig was langsgekomen, een gesprek over Aebutius, een zoon van haar broer.

11.7 Tranen zijn bij de vrouw opgekomen en ze begon het lot van de jongeman te beklagen, die toen bij haar was, beroofd van het fortuin, waarvan hij het allerminst behoorde beroofd te worden, eruit gegooid door zijn moeder omdat hij als rechtschapen jongeman - waren de goden maar gunstig gezind - niet wilde ingewijd worden in onzedelijke rituelen, zoals het gerucht ging.

Voor vragen en opmerkingen over deze vertalingen: Petra Huijts (E-mail: n.huijts@wxs.nl)