Livius, Ab urbe condita;
Eindexamen 1997

Inhoudsopgave:

De Sabijnse maagdenroof
Brutus
De "opstand" van de plebejers
De oorlog tegen de Falerii
Hannibal,voor de strijd
Hannibal, de strijd
Griekenland
Bacchanalia, Aebutius en Hispala
Bacchanalia, Hispala's onthullingen

Bekentenissen aan de consul

Hispala bij de consul

39.12.1-39.13.7

12.1 Toen de consul het voldoende zeker achtte aangaande Aebutius, dat hij geen onbetrouwbare bron was, vroeg hij, nadat Aebutia was weggestuurd, de schoonmoeder opdat ze Hispala, ook daarvandaan van de Aventijn, een vrijgelatene die niet onbekend was aan de buurt, bij hem ontbood: dat ook zij iemand was, die vragen zou willen stellen.

12.2 Hispala, op het bericht hiervan in de war geraakt, omdat ze bij zo een aanzienlijke en verheven vrouw, zonder de reden te kennen, werd ontboden, is bijna flauwgevallen, nadat ze de lictoren in het voorportaal had gezien en het gevolg van de consul en de consul zelf.

12.3 Nadat zij naar het binnenste gedeelte van het huis was weggeleid en de schoonmoeder erbij was gehaald, zei de consul dat zij niet ongerust moest zijn, als zij het over haar hart kon verkrijgen de waarheid te spreken.

12.4 Ze moest het woord van eer ofwel van Sulpicia, een zo voortreffelijke vrouw, ofwel van hemzelf aannemen; ze moest hem onthullen welke dingen in het heilige bos van Simila tijdens de Bacchanalia bij een nachtelijk ritueel gewoon waren te gebeuren.

12.5 Toen ze dit gehoord had, beving zo'n grote angst en trilling van alle ledematen de vrouw, dat ze lange tijd de mond niet kon openen.

12.6 Eindelijk bemoedigd zei ze dat ze als zeer jong meisje als slavinnetje ingewijd was samen met haar meesteres: dat ze al heel wat jaren, sinds ze was vrijgelaten, helemaal niet wist wat daar gebeurde.

12.7 Reeds dat op zichzelf prees de consul, namelijk dat ze niet ontkende dat ze was ingewijd, maar ze moest nu ook de overige dingen onthullen met dezelfde eerlijkheid.

12.8 Toen zij ontkende verder iets te weten, zei hij tegen haar, dat er niet dezelfde vergiffenis of genade zou zijn als haar schuld zou worden aangetoond door een ander, als wanneer ze uit zichzelf bekende; want diegene had hem alles uiteengezet die 't van haar had gehoord.

13.1 Omdat de vrouw meende dat Aebutius ongetwijfeld de verklikker van het geheim was, wat inderdaad zo was, wierp zij zich neer voor de voeten van Sulpicia,

13.2 en allereerst begon zij haar te smeken dat ze niet zou willen dat het gebabbel van een vrijgelaten vrouw met haar minnaar niet alleen als een serieuze zaak, maar zelfs als een halszaak werd opgevat: ze had deze dingen gezegd om hem bang te maken, niet omdat ze ook maar iets zou weten.

13.3 Toen zei Postumius, in woede ontstoken, dat zij nog steeds geloofde dat zij met haar minnaar Aebutius schertste en niet in het huis van een zeer ernstige vrouw en met een consul sprak. Sulpicia tilde haar die bang was op, enerzijds spoorde ze haar aan, anderzijds kalmeerde ze de woede van de schoonzoon.

13.4 Uiteindelijk bemoedigd, zei ze, nadat ze de trouweloosheid van Aebutius zeer had beklaagd, omdat die een dergelijke dank had betuigd aan diegene die zich enorm had verdienstelijk gemaakt voor hemzelf,

13.5 dat ze een grote angst had voor de goden, van wie zij de geheime inwijdingsriten bekend maakte, (en) een nog veel grotere angst voor de mensen, die haar als verklikster met hun eigen handen zouden verscheuren.

13.6 Dat ze daarom dit smeekte aan Sulpicia en dit aan de consul, dat ze haar buiten Italië ergens heen zouden wegsturen, waar ze de rest van haar leven veilig zou kunnen doorbrengen.

13.7 De consul beval haar van goede moed te zijn en hij zei dat 't hem tot zorg zou zijn dat zij veilig in Rome zou wonen.

Hispala vertelt over de Bacchanalia

39.13.8-39.13.14

13.8 Toen heeft Hispala de oorsprong van de rituele plechtigheden onthuld. Dat dit aanvankelijk een heiligdom geweest was van vrouwen en dat het niet gebruikelijk was dat ook maar enige man daarin werd toegelaten; dat ze drie vaste dagen gehad hebben in het jaar waarop ze overdag in de Bacchusdienst werden ingewijd; dat als priesteressen om de beurt huismoeders gewoon waren gekozen te worden.

13.9 Dat een priesteres, Paculla Annia uit Campanië, alles veranderd heeft, zogenaamd op aanwijzing van de goden; want dat zij én als eerste haar eigen zonen als mannen ingewijd heeft, Minius en Herennius Cerrinius; én dat ze een nachtelijke eredienst gemaakt heeft van de overdag plaatsvindende en dat ze in plaats van drie dagen in het jaar telkens vijf dagen van inwijding in elke maand gemaakt heeft.

13.10 Sinds de erediensten gemeenschappelijk zijn en mannen gemengd zijn met vrouwen en de teugelloosheid van de nacht erbij is gekomen, is daar niets aan misdaad en niets aan schanddaad achterwege gelaten. Er waren meer gevallen van ontucht van mannen onderling dan met vrouwen.

13.11 Als sommigen minder gehard waren tegen de schandelijke behandeling en minder geneigd tot een misdaad, dan werden ze bij wijze van offerdieren geofferd. Niets als schandelijke daad te beschouwen, dat was het hoogste religieuze gebod onder hen.

13.12 Mannen profeteren, alsof hun geest is bevangen, gepaard met het bezeten heen en weer schokken van het lichaam; vrouwen rennen met de houding van Bacchanten met loshangende haren en met brandende fakkels naar de Tiber en de in het water gedoopte fakkels halen ze tevoorschijn met ongeschonden vuur, omdat zuivere zwavel met kalk erop (op de fakkels) zit.

13.13 Er werd gezegd dat mensen door goden waren weggesleurd, die ze, vastgebonden aan een kraan, uit het zicht, wegrukten naar verborgen grotten; diegenen waren het die ofwel niet wilden samenzweren of meedoen aan de misdaden of ontucht lijden.

13.14 Dat de geweldige menigte al bijna een tweede volk was, onder dezen enkele aanzienlijke mannen en vrouwen. In de afgelopen twee jaar was er bepaald dat niet iemand ouder dan twintig jaar zou worden ingewijd: dat er werd gejaagd op leeftijden die zowel bestand waren tegen dwaling als ontucht.

Voor vragen en opmerkingen over deze vertalingen: Petra Huijts (E-mail: n.huijts@wxs.nl)