Hoe krijg ik vrede met God?

J.N. Darby


Voorwoord

Hoeveel oprechte zielen zijn er niet die voortdurend in onzekerheid leven met betrekking tot hun behoudenis: Ben ik nu echt gered? Kan ik dat zeker weten? Zo ja, hoe dan?

Hoewel het doormaken van zo'n periode verre van aangenaam is, zijn de uitwerkingen ervan over het algemeen gezegend.

Toch is het nooit God's wil dat Zijn kinderen in angst, zorg en onzekerheid hun weg gaan. In tegendeel! Hij wil hen vrede en rust geven. De weg daarheen wordt in het voor u liggende werkje aangegeven.

Dit boekje is geschreven in de vorm van een dialoog, hoewel de schrijver zelf enige moeite moest overwinnen, alvorens het in deze vorm te gieten. Naar zijn eigen zeggen, is hij er geen voorstander van, waar het de Goddelijke dingen betreft, zo'n gesprek als het ware te 'verzinnen'.

Hij heeft echter met velen over dit onderwerp gesproken. Het geschrift is dan ook niet de weergave van n specifiek gesprek, maar meer een combinatie van meerdere conversaties.

Het feit dat door zo'n samenspraak de veel voorkomende vragen en problemen van oprechte zielen duidelijker naar voren komen, heeft hem er toch toe doen besluiten tot een publicatie in deze vorm over te gaan.

Opdat de boodschap van de schrijver beter zou overkomen, leek het ons goed zijn gedachten hier en daar in een iets gangbaarder taal weer te geven.

Moge de Heere Zijn zegen eraan geven!

Den Helder, maart 1999


Hoe krijg ik vrede?

Hoe kan ik vrede met God krijgen?

Hij heeft "vrede gemaakt ... door het bloed van Zijn kruis". (1 Kolosse 1:20)

Dat ontken ik niet. Ik geloof het. Ik heb echter geen vrede. Hoe kan ik die vrede voor mijzelf bezitten?

Heel eenvoudig: "Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God". (Romeinen 5:1)

Wel, ik weet dat het zo geschreven staat, maar ik hb geen vrede! Dit weet ik: Ik zou willen dat ik het had! Soms denk ik dat ik helemaal niet geloof. Ik zie dat gelukkig bent; maar hoe kan ik dat geluk van de ziel krijgen?

U denkt dus niet dat het aanmatigend is in vrede met God te leven, in de zekerheid van Zijn gunst en daardoor van onze eigen behoudenis?

Ik denk dat het voor mij aanmatigend zou zijn. ik zie het echter in de Schrift en daarom moet het waar zijn. ik zie ook enkelen die zich verheugen in de Goddelijke gunst, bij wie te zien is dat het echt is. Maar ik weet niet hoe ik dat kan krijgen. Het brengt me in benauwdheid als ik erover nadenk, hoewel ik me van dag tot dag gedraag zoals andere christenen het doen. Wanneer echter deze vraag opkomt, weet ik dat ik geen vrede bezit en dat ik er evenmin zeker van ben dat de Goddelijke gunst op mij rust, zoals ik zie dat u en anderen zich daarin verheugen. En het is een ernstige zaak dat ik geen vrede met God heb. U zegt en ik weet dat de Schrift dat zegt - dat wij, wanneer we "gerechtvaardigd zijn op grond van geloof, vrede met God hebben". Als ik nu geen vrede heb, kan ik dan wel gerechtvaardigd zijn?

U heeft niet de ware kennis van de rechtvaardiging door het geloof. Ik zeg niet dat u niet gerechtvaardigd bent in het oog van God, maar uw geweten heeft er geen bezit van genomen. Met andere woorden: U weet het nog niet zeker. Al de reformators gingen verder dan ik. Zij leerden dat als iemand niet de zekerheid van zijn eigen behoudenis had, hij dan ook niet gerechtvaardigd was.

Nu, een ieder die gelooft in de Zoon van God, is in God's ogen gerechtvaardigd van alle dingen.

Tot het moment waarop hij dit als door God onderwezen ziet en hij de waarde van Christus' werk begrijpt, is hij er in zijn eigen ziel echter niet van bewust. Tot die tijd heeft hij uiteraard geen vrede (als hij, net als u, serieus over deze dingen nadenkt). Ook is zijn vrede niet standvastig, zolang hij niet weet dat hij in Christus is n dat Christus voor hem stierf. Het dag aan dag leven als een christen, zoals u zei, is leeg en hol en zal op een gegeven ogenblik instorten. Dit is ook vaak de reden van benauwdheid op sterfbedden. ook wordt op die manier het karakter van de christelijke werken (Zie Efeze 2:10) op droevige wijze geschaad. Er wordt handel van gemaakt. De werken worden dan gemaakt tot een middel om gelukkig te worden. Het zijn dan echter geen werken die in de kracht van de Geest worden gedaan door een ziel die al vrede heeft.

Als iemand werkelijk serieus is en voor God's aangezicht wandelt, kn hij innerlijk geen rust ervaren, vrdat hij vrede met Hem heeft. Hoe dieper al de oefeningen zijn om tot vrede te komen, des te beter is het.

Hij heeft echter vrede gemaakt door het bloed van het kruis. Al deze oefeningen brengen slechts het onkruid boven de grond, zoals op een veld dat geploegd en gegd wordt. In dit opzicht zijn die oefeningen nuttig en noodzakelijk, maar ze zijn niet het gewas dat het gevolg is van het geloof in het volbrachte werk van Christus.

Zijn werk is volbracht. Hij is "eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde teniet te doen door de offerande van Zichzelf" (1 Hebreen 9:26). En Hij zei tegen de Vader: "Ik heb het werk voleindigd dat Gij Mij te doen hebt gegeven" (Johannes 17:4). Dt werk dat onze zonde wegdeed, is volmaakt en door God geaccepteerd. Als u door Hem tot God komt en uw zonden zouden daardoor niet allemaal, niet volledig en niet voor altijd, weggedaan zijn, dan kunnen ze nit weggedaan worden, want Hij kan niet nog eens sterven! Alle zonden zijn weggedaan door het "ne offer", want anders - zo betoogt de apostel - "had Hij ... dikwijls moeten lijden" (Hebreen 9:26).

Ik zie dit nu duidelijker, en ook dat het een volmaakt, volbracht werk is dat eenmaal gedaan is voor allen.

Wat wilt u dan nog meer om vrede te krijgen?

Dat weet ik juist niet! Daarover zou ik graag meer duidelijkheid willen krijgen.

Het ligt me op het hart, vrdat we over uw toestand en verhinderingen spreken, eerst het werk zelf duidelijk voor uw aandacht te brengen. Wie deed het werk?

Hoezo? Christus natuurlijk!

Welk deel had u eraan om het compleet te maken?

Geen enkel deel.

Inderdaad, geen enkel deel, tenzij we uw zonden daarbij moeten rekenen. Maar op welke toestand van uw ziel wordt het werk toegepast: op de bekeerde of op de onbekeerde toestand?

Wel, moet ik dan niet heilig zijn?

Zeker, "jaagt naar ... heiligheid, zonder welke niemand de Heere zien zal" (Hebreen 12:14). Maar ziet u wel hoe snel u zich van Christus' werk afwendt tot uw eigen heiligheid, tot wat u bent? Dat is het 'instinct' van eigen gerechtigheid! Het is verbazend hoe snel een mens zijn ogen afwendt van datgene wat niets van hem overlaat (= het kruis), om zich bezig te houden met zijn zelferkenning.

Het verlangen naar heiligheid is op zich echter het verlangen van de nieuwe mens. Als u daarover onverschillig zou zijn, zouden we eerst moeten werken aan het wakker schudden van uw geweten. Dan zou het (nog) niet nodig zijn om over het krijgen van vrede te spreken. Dan zou het misschien eerder nodig zijn uw valse vrede te verbreken. Nu onderzoeken we echter hoe een bezorgde ziel vrede kan vinden.

Precies. Soms ben ik bedroevend onverschillig en dat is iets wat mij verontrust. Maar ik heb geen vrede en ik zou er alles voor willen geven om die te hebben!

Ik twijfel er niet aan dat deze onverschilligheid het vinden van vrede voor u in zekere zin vertraagt. Die onverschilligheid is van onze oude mens; en wij moeten nederig leren wat we van onszelf zijn. Als ergens een paar gulden voordeel te behalen is, zijn mensen ook niet onverschillig, maar zijn bereid er iets voor te doen.

Maar ik herhaal mijn vraag: Heeft dit werk van Christus eenvoudig betrekking op uw onbekeerde of op uw bekeerde toestand, of tenminste op een verbeterde toestand?

Hoezo? Natuurlijk op mijn onbekeerde toestand.

Zonder twijfel. Dus niet op uw heiligheid, ls die er al zou zijn, en ook niet op een verbeterde toestand. Nu, waar ziet u naar uit als middel om vrede te ontvangen? Is het niet naar een verbeterde toestand van uw ziel?

Inderdaad. Maar wat bedoelt u met die vraag?

Dat u dan u op de verkeerde weg bent, want datgene waardoor Christus "vrede heeft gemaakt", heeft betrekking op uw onbekeerde toestand. Uw verlangen is juist, maar u draait de volgorde om: u ziet uit naar heiligheid om Christus te ontvangen, in plaats van Christus te hebben om heiligheid te ontvangen.

Maar ik hoop op Zijn hulp om die heiligheid te ontvangen.

Dat neem ik aan, maar u ziet met het oog op het krijgen van vrede alleen uit naar Zijn hulp, niet naar Zijn werk of bloedstorting. U heeft echter gerechtigheid nodig, geen hulp. Wanneer we gerechtvaardigd zijn, dan hebben we Zijn hulp ieder moment nodig. (En in wezen ook al daarvoor. Altijd is Hij de Schepper van iedere goede gedachte in ons. Maar dat heeft niets te maken met vrede, noch met de bloedstorting van Christus, noch met gerechtigheid).

Toch is dit zoeken niet zonder resultaten, want het brengt u ertoe te begrijpen dat u op deze wijze niet kunt vinden wat u zoekt! Op deze wijze zult u geen heiligheid vinden, en evenmin daardoor vrede. U leert inzien dat u z geen vrede kunt vinden. U gaat begrijpen dat u, terwijl "het willen aanwezig is", niet weet hoe u het "doen van het goede" in praktijk moet brengen (Romeinen 7:18). Dt zal u echter brengen - door genade en in de wetenschap dat er geen goeds in u is - bij wat wel vrede geeft: Christus' werk. Niet bij uw eigen toestand. En ook niet bij het werk van de genade in u. Dat is het werk van God's zijde. Hij doet dat werk echter niet om dt te gaan zien als de weg, als het middel om vrede te krijgen. Nee, Hij wil ons, buiten onszelf om, eenvoudig en helemaal, bepalen bij het werk zelf dat Christus heeft volbracht en dat Hij heeft aangenomen.

Maar wat is uw toestand eigenlijk voor God?

Ik weet het niet. Dat is juist wat me benauwt!

Bent u verloren?

Ik hoop van niet. Uiteraard zijn we van nature allemaal verloren. Ik hoop echter dat er een werk van genade in mij plaatsvindt, hoewel ik er soms aan twijfel.

Veronderstel dat u nu voor God zou staan en dat over uw toestand een beslissing uitgesproken zou moeten worden. Waar zou u zijn als uw vonnis geveld zou worden op grond van uw werken, zoals dat moet in het oordeel? Zou u enig vertrouwen hebben dat uw vonnis gunstig uit zou vallen?

Ik hoop dat het goed zou gaan, maar ik weet het niet. Ik kan het niet helpen dat ik hoop dat er een werk van genade in mij plaatsvindt. Ik kan echter niet zonder angst aan het oordeel denken.

Ik heb het vertrouwen dat er in u een werk van genade plaatsvindt; twijfel daar niet aan. Hier hebben we echter het keerpunt in ons onderzoek: Wat u nodig hebt, is in God's tegenwoordigheid te zijn en dr te weten dat u eenvoudig verloren bent als God over u het oordeel uitspreekt. Want als Hij dat doet, gebeurt dat in gerechtigheid en ten aanzien van uw toestand is en werken! U bent een zondaar en een zondaar kan in het oordeel helemaal niet voor God bestaan. U heeft geen hulp nodig - dat wil zeggen: als u daadwerkelijk in God's tegenwoordigheid bent -, maar gerechtigheid. En de gerechtigheid hebt u nog niet ontvangen. Ik bedoel: niet op grond van uw eigen geloof en geweten (want daardoor en daarin bezitten we het). God neemt alln met gerechtigheid genoegen. En nu moeten we de gerechtigheid van God - en alleen die! - vinden, want wij hebben geen gerechtigheid. ook brengt het werk van de genade die gerechtigheid niet in ons voort. Het is door middel van geloof, door het werk van Christus. In Hem bezitten we die gerechtigheid. Door Hem rechtvaardigt God de goddeloze.

Het geval van de verloren zoon illustreert dit. Er vond een werk van God in hem plaats. Hij kwam tot zichzelf, ontdekte dat hij verging en ging op weg naar zijn vader. Toen hij de kennis van zijn zonden uiteenzette, voegde hij eraan toe: "... maak mij als een van uw dagloners" (Lukas 15:18 en 19). Er was oprechtheid, een gevoelen van Goddelijke goedheid en een gevoelen van zonde. Hij trok daaruit conclusies en koesterde een zekere hoop met betrekking tot het ogenblik waarop hij zijn vader zou ontmoeten. Z bent u. Hij was wat de christelijke wereld 'nederig' noemt. Hij had een bescheiden hoop. Hij trok conclusies, precies zoals u doet. Die conclusies bewezen echter - let wel! - dat hij de vader nog nooit werkelijk ontmoet had. Hij had er niet over hoeven speculeren he hij ontvangen zou worden, als hij zijn vader al eens eerder ontmoet had. Dit toont de positie van iemand die God nooit ontmoet heeft, hoewel God in hem werkt.

Toen hij zijn vader ontmoette, was er met geen woord sprake van dat hij hem tot n van zijn dagloners zou maken. Hier was de belijdenis van z'n zonden volledig. Zijn eraan voorafgaande ervaring had hem in lompen tot zijn vader gebracht: met zijn zonden. Dat wil niet zeggen dat hij daarvan hield, maar hij was in zijn zonden en beleed ze. Het resultaat van dit proces was dat hij toen, wat zijn geweten betreft, met zijn zonden God ontmoette. Toen pas was hij waar hij zijn moest. Toen viel zijn vader hem om de hals - de genade regeerde - en kreeg hij het beste kleed: Christus, de gerechtigheid van God. Het was niet n of andere verbetering in zijn toestand die hem die gerechtigheid gaf die hij te voren niet had. Nee, het was iets nieuws dat hem was verleend.

Wanneer we in God's tegenwoordigheid komen, hebben we Christus nodig - geen 'vooruitgang'. Ook geen hulp of verbetering, maar wij hebben gerechtigheid en rechtvaardiging door Hem nodig. God hft ons uiteraard geholpen, anders zouden we niet in Zijn tegenwoordigheid gekomen zijn. Er is vooruitgang geweest, maar die vooruitgang bestaat daarin dat we in God's tegenwoordigheid gebracht zijn. En we zijn daar niet om die vooruitgang en onze hoop te veroordelen, maar om de zonde in Zijn ogen te veroordelen en om te weten dat Hij niets daarvan kan zien. We zijn daar niet om onszelf, maar om Christus te ontdekken zoals Hij is in God's ogen: als Degene Die door God volkomen is aangenomen. Het is Christus Die onze zonden heeft gedragen, Christus Die - volkomen, absoluut en eeuwig - onze gerechtigheid is.

Het is net door het zien van de vooruitgang die we geboekt hebben, dat we vrede vinden. Als dat zo was, zouden we moeten zeggen: "Wij dan, gerechtvaardigd op grond van ervaring, hebben vrede met God" (Vergelijk Romeinen 5:1). Dat zegt het Woord van God echter nergens. De enige vooruitgang in dit opzicht is dat we in God's tegenwoordigheid zijn gebracht als totaal verloren zondaars en als niets meer dan dat, terwijl we onze zonden belijden en erkennen dat "in ons, dat is in ons vlees, geen goed woont" ('Zie Romeinen7:18). In God's tegenwoordigheid hebben we het besef dat we werkelijk verloren zijn.

Het gaat er niet om wat we meten zijn. Ook niet hoe we op de dag van het oordeel zullen blij ken te zijn. Maar het gaat om de ontdekking van wat we nu zijn. Het gaat om het inzien van onze zonden en onze zondige natuur. Die vormen de wezenlijke plaag voor een oprechte ziel. De kwestie is dat we in plaats daarvan Christus krijgen: "het beste kleed", in plaats van onze lompen, zodra we daarmee in God's tegenwoordigheid verschijnen. We hebben Christus gevonden en in Hem geloofd. Hij was het zoenoffer voor onze zonden (1 Johannes 2:2), toen Hij die in Zijn eigen lichaam droeg op het hout (1 Petrus 2:24). Terwijl we Christus hebben, is Hij onze gerechtigheid. God veroordeelde de zonde in het vlees, toen Hij daarvoor het offer was (Romeinen 8:3). We zijn nu niet "in het vlees", maar "in Christus". In plaats van Adam en zijn zonden - dat wil zeggen: onszelf -, hebben we Christus en de waarde van Zijn werk.

Dit is waar voor iedereen die in Hem gelooft en door Hem tot God komt. Als wij net zo eenvoudig zouden zijn als de Schrift, zouden we dat ook op hetzelfde ogenblik zien. Wij zijn echter niet zo eenvoudig. Wij moeten genezen worden van de eigen gerechtigheid in onze harten. Als niets meer dan zondaars voor God moeten we ontdekken dat Hij de kwestie van onze zonden en van onze boze natuur in liefde op Zich heeft genomen: Hij is vooruitgelopen op de dag van het oordeel en heeft de kwestie op het kruis, "eenmaal voor allen" en voor altijd, geregeld voor een ieder die door Christus tot Hem komt.

Hij heeft op het kruis gehandeld met de zonden waarvoor ik mij in de dag van het oordeel had moeten verantwoorden. Dat Hij daarmee handelde, wil zeggen dat Hij ze wegdeed in overeenstemming met Zijn eigen gerechtigheid. Toen Hij zo met de zonde handelde, werd de meest volledige vorm van onze zonde in het vlees openbaar: de vijandschap tegen God. Hij handelde in genade jegens ons, maar in oordeel ten opzichte van de zonde. De zonde en God hebben elkaar op het kruis ontmoet, toen Christus voor ons tot zonde werd gemaakt. Door Zijn dood zijn we ten opzichte van de zonde gestorven. Wij zijn de vruchten van de arbeid van Zijn ziel voor God. Hij heeft de zonden van velen gedragen, ja, Hij kwam om de zonde weg te doen. Hij heeft in dat belangrijke uur God met betrekking tot de zonde verheerlijkt in gerechtigheid. Hij nam op Zich wat ik had verdiend. En ik ontvang de vruchten van wat Hij heeft gedaan.

Ik kom als het ware net als Abel tot God: met het offer in mijn hand. God moet de waarde van dat offer erkennen. Ik heb het bewijs dat ik rechtvaardig ben: wat ik aanbied, getuigt ervan. Mijn aanneming is overeenkomstig de waarde van Christus' offer in God's oog. Het komen met Zijn offer houdt de erkenning in van een gerechtigheid die niet in mijzelf is. Het is niet een erkenning van een verbetering van mijn toestand. Ik kom met Christus in mijn handen. om het zo te zeggen: met mijn geslachte Lam. Wat ik aanbied, is het bewijs. God kijkt daarnaar, wanneer ik zo met het Lam kom. Hij kijkt dan niet naar mijn toestand. Wanneer ik z kom, belijd ik dat mijn toestand er n is van een zondaar, dat ik niets meer ben dan een zondaar en dat ik, wat mijn eigen aanspraken betreft, gescheiden ben van God.

Maar moet ik Christus dan niet accepteren?

O, hoe doorkruist het 'ik' de meest gezegende getuigenissen van God's wegen in genade ten aanzien van ons! Ik zeg: 'Hier is Christus voor u, door God gegeven, Zijn Lam'. En u antwoordt: 'Maar wat moet ik doen?' Dat verbaast mij niet en ik maak u ook geen verwijt. Dit is nu de menselijke natuur, mijn natuur in het vlees. Weet echter dat in het 'ik' geen goeds is!

Maar zeg mij, zou u niet blij zijn Hem te bezitten?

Zeker zou ik dat!

Dan is de vraag niet of u Hem aanneemt, maar of God Hem - en in Hem het eeuwige leven - wel werkelijk aan u heeft voorgesteld! Een eenvoudige ziel zou waarschijnlijk zeggen: 'Ik neem dat aan! Ik ben heel dankbaar dat ik Hem heb!' Maar omdat we helaas niet allen eenvoudig zijn, nog een enkel woord hierover.

Als u iemand zwaar beledigd hebt en een vriend probeert hem genoegdoening aan te bieden, wie moet dat dan accepteren?

De beledigde persoon uiteraard.

Inderdaad. En wie is door uw zonden beledigd?

Nu, God natuurlijk.

Wie moet dan de genoegdoening accepteren?

Dat moet God doen.

Dt is waar het om gaat! Gelooft u dat Hij die genoegdoening geaccepteerd heeft?

Ongetwijfeld geloof ik dat.

En Hij is nu ...

... bevredigd!

En bent u dat dan niet?

O, nu zie ik het! Christus hft het hele werk gedaan en God hft het geaccepteerd! Er kan geen vraag meer bestaan met betrekking tot mijn schuld of gerechtigheid. Hij is voor mij het einde, voor God. Het is wonderlijk! En toch z eenvoudig! Wat dom dat ik het niet zag!

Dt is nu geloof in Christus' werk. Het gaat er niet om of het aanneemt (hoe graag u dat ook doet), als u niet eerst gelooft dat Gd het heeft aangenomen. U hoeft niet te onderzoeken of u gelooft. Het Voorwerp van het geloof - Christus staat immers voor uw ziel en wordt door uw ziel gezien. Wat God heeft geopenbaard, wordt gekend door het z zien ervan door het geloof. Drvan bent u verzekerd, niet van uw eigen toestand.

Op dezelfde wijze ziet u een lamp en weet van haar bestaan af. Dat is niet, omdat u de toestand van uw oog kent. U kent de toestand van uw oog, omdat u de lamp ziet! Maar u zegt: 'Wat was ik dom!' Zo gaat het altijd. Maar sta me toe u te vragen wr u naar uitzag: naar Christus f naar heiligheid in uzelf en een betere toestand van uw ziel?

Nu, naar het laatste: naar heiligheid en een betere toestand van m'n ziel.

Geen wonder dat u Christus toen niet zag! We komen nu bij dat wat de Schrift onderwerping aan God's gerechtigheid noemt: een gerechtigheid die niet van onszelf en ook niet in onszelf is. We ontdekken Christus voor God; Hij is onze gerechtigheid. We gaan inzien dat onze trotse wil door genade terzijde gesteld is. Zo worden we behouden door iets wat niet van of in onszelf is: door Christus. Het gaat om Hem, in plaats van om onszelf en onze positie in het vlees. Als u zichzelf vrede had verworven op de wijze waarop u die zocht, met wie zou u dan tevreden zijn geweest?

Met mijzelf.

Precies! En wat was dat geweest? Inderdaad in wezen niets. U zou als het ware Christus als gerechtigheid en als vrede afwijzen, maar Hem alleen als een hulp gebruiken. Een oprechte ziel die werkelijk door God onderwezen is, kn echter niet tevreden zijn met zichzelf. En daardoor kan zij - hoewel zij vertrouwt op de liefde, als zij met God wandelt - soms jaren zonder vrede blijven, totdat ... zij zich onderwerpt aan Gd's gerechtigheid.

Denk nog aan een ander punt. De ziel die vrede met God heeft, kan nu leren Christus te beschouwen. Het is niet alleen zo dat Hij onze zonden droeg, voor de zonde stierf en in Zijn dood de hele geschiedenis van de oude mens afsloot voor hen die geloven. Zij zijn met Hem gekruisigd. Hij heeft in dit werk k God verheerlijkt (Johannes 12:31 en 33 en 17:4-5). Op deze wijze heeft Hij voor de mens een plaats in de heerlijkheid van God verworven. En Hij geeft ons bovendien nu al de absolute zekerheid dat God ons aangenomen heeft, in overeenstemming met de natuur en genade van de God Die Hij verheerlijkt heeft. Dt is onze positie voor God. Het is niet alleen dat de oude mens en zijn zonden helemaal zijn weggedaan uit de ogen van God, maar wij zijn in Christus voor God. Het besef hiervan hebben we door de Heilige Geest Die ons gegeven is (Johannes 14:20). We zijn aangenomen in de Geliefde en de Goddelijke genade rust net zo op ons als op Hem. Zodoende woont Hij ook in ons. Dit besef voert ons tot praktische heiligheid. Wij zijn door Christus' bloed geheiligd (=afgezonderd) voor God. Dit komt, omdat wij Zijn leven - ofwel: Hemzelf als ons leven - en de Heilige Geest bezitten. En dit leven - of, zo u wilt: Hijzelf wordt de maatstaf voor onze wandel en verhouding met God. We zijn niet van onszelf, maar zijn met een prijs gekocht (Zie 1 Korinthe 6:19-20). En niets is passend voor een christen, wat in strijd is met Zijn bloed, de prijs ervan en de kracht ervan in onze harten.

Dit wordt in het Oude Testament in de beelden prachtig uitgedrukt. Wanneer een melaatse was gereinigd, werd - naast het offer dat gebracht werd - het bloed aan zijn oorlel, duim en grote teen gedaan (Leviticus 14:12-14). Iedere gedachte, iedere handeling en alles in onze wandel wat de toetssteen van dat bloed niet kan doorstaan, behoort niet tot de gedachten en wandel van de christen. Hoe blij is hij om in de praktijk bevrijd te zijn van deze wereld en van het lichaam van de zonde. En ook dat hij het kostbare bloed bezit als het motief, de maatstaf en de zekerheid van die bevrijding!

Daardoor is alles wat de Heilige Geest van God bedroeft, met Wie we verzegeld (Efeze 1:13) en besprenkeld zijn, ongepast voor een christen die ziet dat Hij in hem woont. Het kostbare bloed dat Christus heeft gestort, en Zijn liefde worden het motief en de Heilige Geest de kracht van de toewijding en liefde in het wandelen zoals Christus gewandeld heeft. Als wij in Christus zijn, is Christus in ons. En we weten dat door de Trooster Die ons gegeven (Johannes 14). We zijn in deze wereld de brief van Christus: het leven van de Heere Jezus moet geopenbaard worden in ons sterfelijke lichaam.

Dan is uw norm wel heel hoog!

Het is eenvoudig wat de Schrift aangeeft. "Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf z te wandelen, als Hij gewandeld heeft" (1 Johannes 2:6). Godzelf wordt voor ons geplaatst als het voorbeeld, terwijl Christus als de volmaakte Mens de uitdrukking van God is. "Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en een slachtoffer, tot een welriekende reuk voor God" (Efeze 5:1-2) . Er is ook geen enkele beperking. "Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft ingezet; en wij zijn schuldig het leven voor de broeders in te zetten" (1 Johannes 4:16). "Nu zijt gij licht in de Heere; wandelt als kinderen van het licht" (Efeze 5:8).

U mag hier echter opmerken dat er niets bij is van wetticisme, niets waardoor wij onze situatie zelf met God in orde brengen. Misschien zeggen sommigen dat volledige genade en zekerheid de ruimte biedt om te doen wat wij willen. 'Als we toch behouden zijn, wat voor motief of wat voor noodzaak is er dan om enig werk te doen?' Dat is een vreselijk principe! Alsof we geen ander motief hebben om goede dingen te doen, dan alleen door werken 'behouden te worden'! Alsof er niets anders bestaat dan wettische gebondenheid en verplichtingen! En als we dan behouden zijn, zouden alle motieven verdwenen zijn! Hebben de engelen dan geen motief? Het is een fout, een volslagen blunder, die we in de menselijke dingen niet zouden maken. Wat zouden we zeggen van het verstand van iemand die ons vertelt dat zijn kinderen vrijgesteld zijn van hun verplichtingen jegens hem, omdat zij met zekerheid en altijd zijn kinderen zijn? Ik zou zeggen dat zij met zekerheid en altijd onder die verplichting staan, omdat zij met zekerheid en altijd zijn kinderen zijn. Die verplichting zou niet bestaan als zij zijn kinderen niet zijn.

Dat is duidelijk genoeg, hoewel ik er nooit over nagedacht heb. Maar u bedoelt toch niet te zeggen dat we onder geen enkele verplichting stonden, vrdat we kinderen van God werden?

Nee, maar we stonden niet onder de verplichting. U kunt niet onder de verplichting staan om als christen te leven, vrdat u er n bent. We stonden onder de verplichting om te leven zoals een mens behoort te leven: als mensen in het vlees voor God. Voor zulke mensen is de wet de volmaakte maatstaf. Op die grondslag waren we echter volledig verloren, zoals we hebben gezien. N zijn we volledig behouden, dat wil zeggen: wie door genade gelooft. Zij zijn allemaal kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Onze plichten zijn nu de plichten van God's kinderen.

Plichten vloeien evenals de juiste genegenheden altijd voort uit de verhouding waarin we ons bevinden. En het bewustzijn van de verhouding is de bron en het karakter van de plicht. Hoewel het feit dat wij de verhouding vergeten, de verplichting niet verandert. Z spreekt de Schrift altijd: "Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen" (Efeze 5:1). "Doet dan aan als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, innige ontferming..." (Kolosse 3:12). Juiste genegenheden en plichten vloeien altijd voort uit de plaats waarop we al zijn. Ze zijn nit de middelen om daar te komen. We genieten ervan als we erin wandelen. Bovendien genieten we dan ook van het licht en van de gunst van en de gemeenschap met God op die plaats.

Vergeet echter niet dat falen in de getrouwheid er niet toe mag leiden dat we aan de verhouding gaan twijfelen. juist omdat we in de verhouding zijn, brengt falen ons ertoe onszelf te schamen, omdat we met die verhouding in strijd waren. Hier komt de voorspraak van Christus 'om de hoek kijken', en ook andere waarheden. Daarop kan ik nu niet ingaan, hoewel ze uiterst kostbaar zijn. Ik merk echter alleen op dat die voorspraak niet het middel is waardoor we gerechtigheid verkrijgen, maar zij is gefundeerd op die gerechtigheid en op het feit dat Christus tot het zoenoffer voor onze zonden gemaakt is (Zie 1 Johannes 2:1-2). We gaan ook niet tot Hem, opdat Hij voor ons voorspraak zou doen, maar Hij wordt voor ons actief, als wij zondigen. Christus had zelfs reeds voor Petrus gebeden, vrdat hij de zonde bedreven had. Hij bad niet dat Petrus niet gezift zou worden - want hij had dat nodig -, maar dat zijn geloof niet mocht ophouden, als hij gezift was.

Ach, wisten we maar hoezeer we Hem kunnen vertrouwen! Zie hoe Hij, te midden van de vijanden, precies op het juiste moment Petrus aanziet om zijn hart te verbreken! (Lukas 22:61-62)

Hoe eenvoudig zijn de dingen wanneer we het Woord openen! En hoe verandert het al je gedachten over God! je bent in een volledig nieuwe toestand!

Dat is inderdaad waar en dit brengt mij op iets anders waarop ik u wil wijzen. We hebben Christus' werk gezien als dat wat God bevredigde, ja, wat Hem verheerlijkte. We hebben immers gezien hoe gerechtigheid verkregen kan worden!

We moeten er echter aan herinneren dat het God's soevereine liefde was die Christus gaf, en dat het dezelfde liefde was waardoor Christus Zichzelf voor ons offerde. Het is niet zo dat ten aanzien van ons gerechtigheid regeerde. Dat zal inderdaad later waar zijn, wanneer God zal komen om de aarde te oordelen in gerechtigheid. Ten aanzien van ons regeert echter genade, soevereine goedheid, zoals we hebben gezien. Die genade geeft ons in de heerlijkheid een plaats in God's tegenwoordigheid, in overeenstemming met de aanneming van Christus, terwijl we Hem gelijk zijn. Het is soevereine genade die een zondaar een plaats geeft met de Zoon van God, terwijl hij aan Zijn beeld gelijkvormig is gemaakt. Toch is het ook rechtvaardig, want Zijn bloed en werk eisen dat volledig en noodzakelijkerwijs. En nu "roemen wij in God, door onze Heere Jezus Christus" (Romeinen 5:11). We kennen Hem als de liefde (en deze liefde is tot onze blijdschap en zegening), maar ook als de gerechtigheid in Christus, want wij zijn tot de gerechtigheid van God gemaakt in Hem (2 Korinthe 5:21). We zijn met Hem verzoend. Het is een gezegende plaats, een plaats van heilige genegenheden en vredevolle rust. We hebben gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus. Wat is gemeenschap?

Hoezo? Dat is gemeenschappelijke gedachten, blijdschap en gevoelens.

Denk daaraan: met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus!

Dat is bijzonder. Ik kom daar nauwelijks aan toe.

Wel, we moeten ernaar trachten dat Christus door het geloof in onze harten woont, terwijl wij in de liefde geworteld en gegrond zijn, opdat we in staat zijn om te begrijpen (Zie Efeze 3:17-18). Als de Heilige Geest Die in ons woont, de bron van onze gedachten, vreugden en gevoelens is, kunnen die niet in strijd zijn met die van de Vader en de Zoon, hoewel wij arme, zwakke schepselen zijn. Vindt het hart van de christen niet zijn welbehagen in Christus, in Zijn woorden, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn heiligheid, in Zijn opofferen van Zichzelf aan de wil van de Vader? En heeft ook de Vader daar geen welgevallen in? Inderdaad is het bij ons uiterst zwak en arm, terwijl het bij Hem volmaakt is, maar het Voorwerp is hetzelfde. Hij is door God uitverkoren en voor Hem kostbaar; n voor hem die gelooft, is Hij kostbaar (Vergelijk 1 Petrus 2:6-7). Dit is een zaak van uw dagelijkse leven en ijver van het hart. Wat van de Heilige Geest komt, moet echter gelijk zijn aan de gedachten van de Vader en de Zoon.

Dat is duidelijk, maar het is zo nieuw voor mij. Ik ben in een heel andere wereld ingevoerd!

 Ik laat het aan u over dit te overdenken en het Woord te onderzoeken of deze dingen zo zijn. De Schrift erkent volledig dat we zielsoefeningen doormaken om tot die positie te komen. Onderzoek of de Schrift de christen ooit anders ziet dan als iemand die vergeving bezit, die aangenomen is in de Geliefde en die weet dat hij "niet een geest van slavernij ontvangen heeft, om opnieuw te vrezen, maar ... een Geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!" (Romeinen 8:15).

Als ik dit echter aanneem, is er een tekst die ik niet begrijp. ons wordt gezegd: "Onderzoekt dan uzelf, of gij in het geloof zijt" (2 Korinthe 13:5). En het lijkt mij dat wat u gezegd heeft, dit terzijde stelt.

Zoiets wordt ons niet gezegd. Maar veel oprechte zielen doen het toch en gaan dan automatisch door die ervaring heen.

Maar het staat in de Schrift!

De woorden zijn een deel van een zin in 2 Korinthe 13:3 en 5. Het begin van de zin luidt echter z: "Gij zoekt immers een bewijs, dat Christus in mij spreekt" ... (dan een tussenzin) ... "onderzoekt dan uzelf, of gij in het geloof zijt".

Het is een ironische opmerking. De Korinthirs hadden het spreken van Christus door Paulus en de echtheid van zijn apostelschap in twijfel getrokken, zoals u door de hele beide Brieven heen kunt zien. En hij zegt, als laatste argument: 'U had beter uzelf kunnen beproeven; hoe bent u christenen geworden?' Hij was immers het middel tot hun bekering geweest! Vandaar dat hij eraan toevoegt: "Of erkent gij van uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan zijt gij verwerpelijk". Hoe kwam Christus daar? Hij doet een beroep op hun zekerheid om zijn apostelschap te bewijzen - tot hun schande. Dit is echter net een aanwijzing voor iemand om te onderzoeken of hij in het geloof is. Het is wl een heel goede zaak om te onderzoeken of wij daarmee in overeenstemming wandelen. Dat is echter iets totaal anders. Een kind doet er goed aan zijn gedrag te onderzoeken of zijn wandel in overeenstemming met zijn kindschap is. Het zou echter een droevige bezigheid zijn als hij het andere zou doen en zou onderzoeken of hij wel een kind is!

Het nooit falende bewustzijn van een verhouding is iets anders dan met die verhouding in overeenstemming te zijn. We moeten die twee niet verwarren. Het verlies van het bewustzijn van de verhouding neemt de grondslag van de plicht weg en maakt het onmogelijk dat uit die verhouding genegenheden voortvloeien. (Ik denk echter dat iemand die het bewustzijn van de verhouding werkelijk bezeten heeft, dat nooit zal verliezen, tenzij in gevallen van Goddelijke tucht als gevolg van zonden.)

Ik zie het duidelijk genoeg. De zin: "Gij zoekt immers een bewijs, dat Christus in mij spreekt" kunnen we niet anders verklaren dan door het te verbinden met de woorden uit vers 5. In leder geval is de kracht van de argumentering van de apostel duidelijk: hij doet een beroep op hun zekerheid - "Erkent gij van u zelf niet ... ?" Dit laatste zou geen zin hebben, als zij het als een plicht hadden zichzelf te onderzoeken f het zo was.

Lees en onderzoek de Schrift zoals het hoort, en de waarheid zal voor u duidelijk zijn! Alleen, we hebben beslist God's genade en het opzien tot Hem nodig, opdat we als "pasgeboren kinderen de onvervalste, redelijke melk van het Woord" mogen ontvangen (Zie 1 Petrus 2:2).

Ik heb nog n punt dat ik kort wil opmerken om onze gedachten op te frissen met betrekking tot het onderwerp dat we onderzoeken. Door het ontvangen van Christus ontvangen we leven. "Dit is het getuigenis:" zegt Johannes, "dat God ons eeuwig leven gegeven heeft en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven" (1 Johannes 5: 11-12). Dit leven en het vlees hebben geen enkele gezamenlijke gedachte.

Het is mogelijk dat we ons niet bewust zijn van onze verlossing. Dn zijn we nog niet onder de wet weggenomen en van het gevoel van onze eigen verantwoordelijkheid bevrijd. Als dat het geval is, brengt ons levendgemaakt zijn ons hart in een toestand van ellende door de ontdekking van de zonde in onszelf, zoals in Romeinen 7. Als we echter de verlossing kennen en verzegeld zijn door de Geest, is het nog steeds waar dat "het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees" (Galaten 5:17). Zij staan pal tegenover elkaar. Als wij echter door de Geest geleid worden, zijn we niet onder de wet.

Nu hebt u geprobeerd om hoopvolle conclusies te trekken uit het feit dat u tekenen van leven in uzelf hebt ontdekt. Ondertussen had u alleen een algemeen begrip - wat altijd samengaat met een echte bekering - van de goedheid van God.

Dat werd versterkt door de wetenschap dat Christus stierf. Maar al dit redeneren met betrekking tot uzelf was op geen enkele wijze geloof in de verlossing. Het liet u met het oog op het oordeel nog steeds alleen achter, hoewel met een betere hoop. Liever gezegd: als u naar het kruis keek, zag u daar wat u als zondaar nodig had. En toch zocht u nog steeds naar iets beters in uzelf, terwijl u niet kon zeggen dat u bezat wat u nodig had en in het kruis gezien had. ja, u kon niet zeggen dat u met betrekking tot uw toestand voor God de vrucht was van het kruis. En wanneer u zich naar het oordeel wendde, zou uw toestand u daar niet geholpen hebben. Het leven is niet de verlossing! Beide behoren de gelovige toe, maar het zijn verschillende dingen. U keek uit naar bewijzen van leven, terwijl u vervolgens uit de aanwezigheid van die bewijzen concludeerde dat u het oordeel zou kunnen doorstaan. En dan voerde u op een vage wijze Christus in om in Hem te roemen!

Ik denk dat u mijn situatie tamelijk nauwkeurig hebt omschreven.

Wanneer mensen in eenvoud van hart dichtbij God leven, overheerst het gevoel van Gods goedheid en ontstaat er aangename vroomheid. Wanneer zij echter niet zo leven, is er onbehaaglijkheid en rusteloosheid. Het geweten klaagt dan aan en overstemt dat gevoelen. Zij zijn ongelukkig, zo niet akelig bang. In beide gevallen wordt de verlossing echter niet werkelijk gekend. Het is hun niet bekend dat Christus onze plaats in het oordeel heeft ingenomen. Ook niet dat Hij ons Zijn plaats in de heerlijkheid heeft gegeven: we hoeven slechts te wachten op het zoonschap, de verlossing van het lichaam (Romeinen 8:23). De weg waarop de Schrift deze twee waarheden verenigt, is in de opstanding van Christus. Dit Zijn volkomen opstijgen uit het gevolg van onze zonden (= de dood) in een andere toestand - is de kracht van het leven en het zegel van de aanneming van Zijn werk.

Ons is het net zo vergaan als Hem. Wij waren dood in de zonde, blootgesteld aan het oordeel en onder de dood. Christus daalde neer uit de hemel en volbracht door te sterven het werk dat onze zonden weg zou doen. Wij zijn gestorven met Hem. Toen stond Hij op en zijn wij met Hem opgestaan, als gevolg van het volmaakte werk en van het feit dat God het heeft aangenomen. Hij heeft ons samen met Christus levendgemaakt, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft.

Dt is leven waarvan de volle, Goddelijke kracht in de opstanding wordt gezien. We ontvangen niet alleen eeuwig leven, maar ook de bevrijding uit de toestand waarin we waren, en het ingaan in een andere toestand; natuurlijk niet uiterlijk, maar wezenlijk door het bezit van dit leven.

Verlossing betekent dat er een prijs betaald is en dat ik daardoor bevrijd word uit de toestand waarin ik was. En ook dat ik word overgebracht in een andere toestand: n van vrijheid. Zo spreken we bijvoorbeeld ook over de verlossing van het lichaam die we nog niet hebben. Het leven op zichzelf geeft ons die verlossing niet. Door het leven voelen we juist de last van de oude, huidige toestand. Wanneer we echter ontdekken dat we niet alleen leven hebben ontvangen, maar ook bevrijd zijn, weten we dat we uit onze toestand van de oude Adam uitgevoerd zijn. We zijn nu in Christus. Hiervoor betaalde Hij de prijs van Zijn dood. Daarom hebben we "vrijmoedigheid in de dag van het oordeel, dat zoals Hij is, ook wij zijn in deze wereld" (1 Johannes 4:17).

Ik kan de loop van de gedachten uit de Schrift die u geeft, niet helemaal volgen. Ik moet deze dingen leren. Maar ik zie het verschil tussen verlossing en leven, hoewel we nu beide in Christus hebben. Hij is gestorven en is opgestaan. Ik neem aan dat ik hiervr al leven had, maar ik heb nu ook tot op zekere hoogte begrepen wat de verlossing is.

Ja, uiteraard was u verlost. En zeker heeft God, zoals u zei, in genade in u gewerkt. Zoals echter reeds gezegd, bekeek u dit allemaal met het oog op een God van oordeel, met een glimp van Goddelijke liefde. U had echter geen geloof in de volbrachte verlossing. Let erop hoe de argumentatie van de apostel in Romeinen 5:19 hierop betrekking heeft: "... zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigen gesteld worden". Het vlees reageert: 'Dan mag ik dus in de zonde leven!' Wat is het antwoord? 'Nee, dat mag u niet! Dat zou u weer terugbrengen onder de eisen van de wet en vernietigen wat u over Christus' gehoorzaamheid geleerd is'. "Hoe zouden wij, die der zonde gestorven zijn, nog daarin leven?" (Romeinen 6:2). U bent gedoopt tot Christus' dood en bent een christen door deel te hebben aan Zijn dood. Hoe kunt u in de zonde leven als u met Hem ten opzichte van de zonde gestorven bent? We zijn nu vrij om onszelf aan God te geven, als dezulken die uit de doden zijn opgewekt.

Terwijl dus de oude grondslag blijft, maakt het van de hele zaak iets nieuws. Het is niet de weg die in het christendom in het algemeen voorgesteld wordt. Daarvan moet ik me bewust worden, hoewel ik al tamelijk anders denk over de grondslag voor vrede. Of beter: ik heb nu een grondslag wat ik biervr niet had. ik zie echter dat het in de Schrift zo is en ik moet dat onderzoeken.

De waarheid is dat de meeste waarachtige en oprechte christenen die grondslag niet kennen. Ze hopen dat het allemaal wel goed zal uitpakken als zij sterven. In plaats daarvan zouden zij 'binnen' moeten zijn en dat wat daar is, als de brief van Christus tonen aan de wereld.

Maar u maakt van ons allen door -en- door christenen als u zegt: gestorven ten opzichte van de wereld!

Inderdaad. "Een wankelmoedig man is onbestendig in al zijn wegen" (Jakobus 1:8). Het is het eenvoudige oog dat veroorzaakt dat het hele lichaam vol licht is (Lukas 11:34). Wij zijn niet van onszelf. De nieuwe mens kan zijn interesses niet hier beneden hebben. Zijn dienst heeft hij hier. Dat had Christus ook. Nergens had Hij hier Zijn interesses. We zijn gekruisigd voor de wereld en de wereld voor ons. We hebben het vlees met z'n hartstochten en begeerten gekruisigd (Galaten 6:14 en 5:24). Herinner u alleen maar dat het vlees begeert tegen de Geest. Dit vereist dus waakzaamheid, terwijl wij tijdens onze reis door de woestijn onze eigen behoudenis uitwerken "met vrees en beven". Dat is niet, omdat onze positie onzeker is, maar omdat God "in u, zowel het willen als het werken, werkt" (Filippi 2:12-13). Het is een belangrijke zaak om God's doel in ons te handhaven, terwijl het vlees in ons is en de satan over de wereld beschikt om ons te belemmeren en te bedriegen. Wees echter niet ontmoedigd, want God werkt in u. Hij Die in ons is, is groter dan hij die in de wereld is (Zie Johannes 4:4). U kunt niet te midden van de moeilijkheden van de woestijn zijn, als u niet eerst verlost bent uit Egypte. "Mijn genade is u genoeg", zegt Christus, "Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Korinthe 12:9). "Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Romeinen 8:31). Het geheim is: nederigheid van hart, het besef van afhankelijkheid en het vertrouwend opzien tot Christus Die ons behouden en geroepen heeft met een heilige roeping. U kunt uzelf niet te veel wantrouwen en niet te veel vertrouwen hebben op God. Door de verlossing bent u tot God gebracht, op de plaats van Zijn volk gekomen en nu geroepen Zijn heerlijkheid daar waar te maken. Dat geldt zowel voor Zijn kinderen afzonderlijk als voor de gemeente als geheel. De ware kennis van de verlossing brengt iemand in een volkomen vrede, in een ware en voortdurende afhankelijkheid jegens de Verlosser. Als u echter het eerste niet heeft, kunt u het tweede zeker niet hebben. U kunt niet wandelen met God, als u niet met Hem verzoend bent.

Dat is waar. Denk nu niet dat ik het moeilijk wil maken, maar er is nog n vraag waar ik mee zit. Ik verlang ernaar over deze punten duidelijkheid te krijgen. Ons is geleerd te steunen op God's beloften en ze te vertrouwen met het oog op onze behoudenis. Dat moeten we toch zeker doen! Dat is wat we voortdurend horen. Als uw mening juist is, begrijp ik niet hoe die daarmee te verbinden is.

Het antwoord is eenvoudig. Ik ben blij dat u dit vraagt. juist deze dingen onderzoeken we nu. Vertrouwen hebben op God's beloften, is zeker een goede zaak. En er zijn uiterst kostbare beloften. Maar zegt u eens: Is het een belofte dat Christus zal komen, sterven en weer opstaan?

Nee, Hij s gekomen, s gestorven, s opgestaan en s aan God's rechterhand!

Dan kan dit niet een belofte zijn, omdat het een vervuld feit is. Voor Abraham was het een belofte en voor hm was het goed het z te geloven. Voor ons is het een vervuld feit en wj moeten het z geloven. Abraham geloofde dat God machtig was wat Hij beloofd had, te vervullen. Wij geloven echter dat Hij datgene hft vervuld waardoor wij behouden kunnen worden. Het zou ongeloof zijn het nog steeds als een belofte te behandelen. Zo staat het geschreven: "... ons, wie het zal toegerekend worden, ons, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heere, uit de doden heeft opgewekt". U vindt deze beide passages die over dit hele punt spreken, samen aan het einde van Romeinen 4.

Met betrekking tot de hulp tijdens onze levensreis zijn er vele en gekoesterde beloften. "Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten" (Hebreen 13:5). "God ... zal niet toelaten dat gij boven vermogen verzocht wordt" (1 Korinthe 10:13). "Mijn schapen ... niemand zal ze uit Mijn hand rukken" (Johannes 10:27 en 28). "Christus ... Die u ook bevestigen zal tot het eind toe, zodat gij onberispelijk zijt op de dag van onze Heere Jezus Christus" (1 Korinthe 1:8). Ik zou nog veel andere beloften kunnen citeren die tot de grootste troost dienen en voor ons van de grootste waarde zijn in onze moeilijkheden op de weg. Maar het werk van Christus rechtvaardigt en verzoent mij met God. Het is het enige dat mijn zonden wegdoet en dat volkomen doet. Het verlost mij tot God. In dat werk moet ik geloven. En dat werk is niet een belofte. Het kan ook niet als belofte gezien worden. Het is een vervuld feit: een werk dat reeds door God is aangenomen.

Ik zie het duidelijk. Wat voor God rechtvaardigt, is in het geheel geen belofte, maar een vervuld feit. Ik heb nog nooit aandacht geschonken aan dat gedeelte uit Romeinen 4. Hoe onzorgvuldig kun je de Schrift lezen! De waarheid van wat u zegt, is inderdaad op het eerste gezicht al duidelijk.

Het zal u opvallen dat in dat gedeelte niet wordt gezegd: "... ons, die geloven in Christus", hoe waar dat ook is, maar: "... ons, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heere, uit de doden heeft opgewekt" (Romeinen 4:24). Zo zegt Petrus: "... u, die door Hem gelooft in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft" (1 Petrus 1:21). Zo zegt de Heere over Zichzelf met betrekking tot Zijn komen in de wereld: "Wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft…" (Johannes 5:24). Godzelf werkelijk kennen, kunnen we alleen door Christus. Als ik Hem z ken, ken ik Hem als de God van onze Heiland. Als Iemand Die Zijn Zoon voor mij niet gespaard heeft. Als Iemand Die Hem - toen Christus was gestorven, omdat Hij onze zonden op Zich nam - opwekte uit de doden. Kortom, ik geloof niet alleen in Christus, maar ook in Hem Die Christus heeft gegeven en Zijn werk erkende, Die in Christus aan de mens heerlijkheid heeft gegeven. Ik geloof in Hem als een God Die is gekomen om te behouden, niet als En Die staat te popelen om mij te oordelen. Ik geloof in Hem door Christus.

Toen Isral door de Rode Zee was gegaan, geloofden zij in een God Die hen had verlost en hen tot Zichzelf had gebracht. Z geloof ik ook. Ik ken geen andere God dan deze God. Terwijl ik in Hem geloof door Christus, wacht ik op een belofte: op de verlossing van het lichaam, op de volledige resultaten van Zijn werk. Zo plaatst het christendom ons nu in een verhouding die we kennen: n van vrede. En in die verhouding geeft het ons liefde en anderzijds de bezielende kracht van de hoop. Dit zijn de twee dingen die zegen en energie geven aan de mens in die positie. Liefde is de oorsprong van alles. Liefde, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19), terwijl we onze vreugde in Hem vinden. Het is liefde ten opzichte van hen die Gods natuur deelachtig geworden zijn. Christus woont in onze harten, zodat de liefde ons beheerst.

U maakt Christus tot een wonderbare Persoon in de wereld! Wij zijn echter erg zwak voor zo'n plaats.

Ik kan Hem in mijn woorden nit z maken, als God Hem in Zichzelf heeft gemaakt. Wat de zwakheid betreft: hoe meer we die voelen, des te beter is het. Christus' kracht wordt in onze zwakheid volbracht.