OP ZOEK NAAR
CHRISTELIJKE VRIJHEID
Raymond Franz
Voormalig lid van het Besturende Lichaam van Jehovah's Getuigen
VAN HUIS TOT HUIS
Zonder iets achter te houden van wat u van nut kon zijn, heb ik u het evangelie verkondigd en onderricht gegeven, zowel in het openbaar als bij u aan huis.
—Handelingen 20:20, Groot Nieuws Bijbel.
De van-deur-tot-deurprediking is waarschijnlijk het meest opvallende kenmerk van Jehovah's Getuigen. Over de hele wereld zijn mensen eraan gewend geraakt te zien hoe zij met bijbelse literatuur en tijdschriften langs de huizen gaan, in sommige streken soms zelfs om de paar weken. Hoewel het waar is dat ook andere religies het belang van evangelisatie benadrukken en een zendingsijver hebben, is er geen enkele waarin het van-deur-tot-deurgaan beschouwd wordt, behalve dan als een manier om de boodschap te verspreiden, als een bewijs - op zich - van de echtheid van iemands christelijkheid.
Als men het hoofdbureau van de Wachttorenorganisatie zou vragen of ieder lid (indien deze daar fysiek toe in staat is) van-huis-tot-huisbezoeken moet afleggen om een ware Getuige, ja een echte christen te zijn, zal het antwoord waarschijnlijk luiden dat dit geen absolute vereiste is. (In de paktijk zal het buitengewoon moeilijk zijn om een duidelijk en eerlijk antwoord op zo'n vraag te krijgen. Het hoofdbureau van de organisatie is opmerkelijk terughoudend in haar schriftelijke uitlatingen als het om dit soort gevoelige onderwerpen gaat. En de antwoorden die men krijgt zijn dikwijls verwoord in dubbelzinnige formuleringen en ontwijkende en indirecte redeneringen.)
We hebben echter reeds gezien (zoals door verantwoordelijke mannen in de organisatie wordt toegegeven) dat er zwaarwegende redenen zijn om grote vraagtekens te zetten bij de bewering dat de Getuigengemeenschap als geheel deze van-huis-tot-huisbezoeken uit vrije wil aflegt, dat zij zich graag met deze activiteit zou bezighouden, zonder een gevoel van verplichting.
Waarom doet men het dan? Uit alles blijkt dat het eigenlijk een wetsvoorschrift is geworden, met als gevolg dat het nalaten van die activiteit een schuldgevoel teweegbrengt, min of meer zoals een praktiserend Katholiek zich schuldig zou gaan voelen als hij niet geregeld de mis bijwoont. A.H. Mac Millan, die reeds lang Getuige was en deel uitmaakte van het hoofdbureau, verklaarde ronduit dat men het van-deur-tot-deurwerk is gaan beschouwen als iets dat "voortvloeit uit de verbondsbetrekking", als een "verplichting jegens God."1 Hoewel men beweert in de apostolische leer te geloven dat wij niet door werken maar door geloof gered worden, komen we in de Wachttoren regelmatig uitspraken tegen die iets anders zeggen. Om één voorbeeld te noemen, in de Wachttoren van 15 oktober 1979 wordt op bladzijde 15 beweerd:
Door te volharden in het bekendmaken van "dit goede nieuws van het koninkrijk" kunnen wij redding verwerven.
Voor Getuigen betekent "verkondigen van 'dit goede nieuws'" slechts één ding: velddienst; het van deur tot deur gaan met de lectuur van de organisatie.
Toen werd zuster Nancy [Yuen] tijdens het van-huis-tot-huiswerk gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, alwaar zij werd opgesloten. Zij had vier kinderen, van wie de jongste slechts één jaar oud was. Ik nam een advocaat in de arm, in de hoop dat hij hulp zou kunnen bieden, maar hij zei: "Wij kunnen niets doen. Als de zaak in handen van de politie is, kunnen wij niet tussenbeide komen." Haar moeder zond haar een bijbel, maar deze werd teruggestuurd. Wenu, deze zuster werd vier jaar lang vastgehouden voordat haar zaak eindelijk vóórkwam en zij werd veroordeeld. Waaruit haar straf bestond, weet ik niet. Een andere zuster, een onderwijzeres en eveneens een moeder van vier kinderen werd ook gearresteerd.
Wat bracht moeders van kleine kinderen ertoe om ondanks de voorboden van een toenemend gevaar, het beangstigende vooruitzicht te riskeren, voor een onbepaalde tijd van kinderen, ja zelfs van een één jaar oude baby, gescheiden te zijn? Zij wisten dat de zendelingen met deze activiteit waren opgehouden, doch zij gingen ermee door. Waarom? Beschouwden zij en de andere Chinese Getuigen het van-deur-tot-deurgaan als iets volkomen vrijwilligs, als eenvoudigweg één van de vele gebruikelijke manieren om bijbelse informatie met andere mensen te delen? Of beschouwden zij het als DE manier om het goede nieuws te verkondigen, als een door God voorgeschreven methode die zij dienden te volgen? Indien het laatste het geval is, om welke reden dachten zij dan zo; wie of wat heeft ervoor gezorgd dat zij dat standpunt innamen?
Tegen het begin van 1956 . . . begonnen [wij] waarschuwingen te krijgen onze prediking stop te zetten en onze activiteit tot de koninkrijkszaal te beperken. Ik was echter van mening dat ik onze door God gegeven opdracht om te prediken ten uitvoer moest brengen, dus bleef ik van deur tot deur gaan.
Ik werd herhaaldelijk gearresteerd en vastgehouden voor ondervraging, waarbij ik soms vijf uur en soms wel tot drie dagen gevangen werd gehouden. Intussen vroeg ik, omdat mijn man in 1953 naar Hong Kong was verhuisd, toestemming mij daar bij hem te voegen. De autoriteiten zeiden dat zij mij een uitreisvergunning zouden geven op voorwaarde dat ik met prediken zou ophouden. Ik weigerde ermee op te houden en bijgevolg kreeg ik de vergunning nooit.
Alle christenen moeten weten dat ze een "opdracht van God" hebben om uitdrukking te geven aan hun geloof jegens anderen. Zij moeten bereid zijn hun vrijheid op te offeren, ja zelfs hun leven, in plaats van ongehoorzaam te zijn aan die opdracht. Dat is hier zeker niet in het geding. Ook is er geen enkele gegronde reden om de integriteit van Nancy Yuen in twijfel te trekken of om geringschattend te doen over de zelfopofferende houding die zij liet zien. Zij is duidelijk een vrouw van grote vastberadenheid. De werkelijke vraag is echter: Houdt de opdracht van God aan christenen met betrekking tot het bekendmaken van het goede nieuws ook in dat dit volgens een specifieke methode moet worden gedaan, namelijk die van het van-deur-tot-deurgaan? Wordt die methode door de Schrift aangewezen als de manier bij uitstek om het goede nieuws te verkondigen, als een identificerend kenmerk van een ware volgeling van Jezus Christus? Nancy Yuen geloofde blijkbaar van wel. Haar eigen woorden laten zien dat zij deze activiteit beschouwde als iets dat zij 'moest doen'. De vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap zeiden niets dat haar, of de andere moeder met vier kinderen, reden gaf iets anders te geloven. Dat men haar voorbeeld gebruikte als voorbereiding op een artikel door een lid van het besturende Lichaam ten gunste van de van-huis-tot-huisprediking, geeft zonder enige twijfel aan dat men haar houding voor juist hield.
Wat gebeurde er nu met Nancy Yuen als gevolg van het standpunt dat zij had ingenomen en waarvan zij geloofde dat het bijbels was? Zij vertelt:
Tenslotte werd ik eind 1956, na zesmaal wegens de prediking te zijn gearresteerd, opnieuw gevangen gezet toen een huisbewoner de autoriteiten ervan in kennis stelde dat ik van huis tot huis predikte. Daarna werd ik niet meer vrijgelaten.
Toen zij, haar echtgenoot en de kinderen tenslotte weer in Hong Kong als gezin werden verenigd, waren er inmiddels drieëntwintig jaren verstreken. Haar kinderen waren nu niet klein meer; ze waren volwassen geworden, met een leeftijd van achter in de twintig, begin dertig. Gedurende het grootste deel van hun vormingsjaren was zij niet bij hen geweest. Tot aan het proces had zij eerst vier jaar vastgezeten, daarna werd zij tot gevangenisstraf veroordeeld en na enige jaren weer vrijgelaten. Ze ging daarna weer prediken, werd opnieuw gearresteerd en wederom veroordeeld. De gevangenisstraffen duurden in totaal twintig jaar.
Om loyaal aan mijn God te zijn, moest ik alles opgeven, zelfs mijn kleine kinderen.
Zij was er duidelijk van overtuigd dat loyaliteit aan God van haar vroeg om van deur tot deur te gaan, ondanks een wet die dat verbood—niet het prediken op zich—maar het prediken volgens die methode. Haar overtuiging was duidelijk het resultaat van wat haar uit de Wachttorenartikelen was onderwezen. In het jaar voor haar arrestatie stond er in de Watchtower van 1 juli 1955, op bladzijde 409 [In het Nederlands de Wachttoren van 15 september 1955, bladzijde 283], in een artikel over de doop, onder het opschrift "Vereisten" het volgende:
Van degene die zich heeft opgedragen, wordt verwacht dat hij de zaak van de Vader, de zaak van de ware aanbidding, zal hooghouden, dat hij ter ere van het woord en de naam van Jehovah God zal prediken, zijn verantwoordelijkheden als een bedienaar van het evangelie, een prediker in de velddienst van huis tot huis, volledig zal dragen, en anderszins een volledig aandeel zal hebben aan de werkzaamheden van de Nieuwe- Wereldmaatschappij, ten einde bekendmaking van het koninkrijk te bevorderen en de ware aanbidding van Jehovah hoog te houden. De persoon die zich heeft opgedragen, moet, evenals Christus Jezus en de apostelen, naar zijn beste vermogen een getuige zijn die van huis tot huis predikt, en hij moet anderszins een getuige en aankondiger van het theocratische koninkrijk van rechtvaardigheid zijn.
Dit brengt ons weer terug bij de werkelijke vraag: Is dit geloof waar? Zo ja, dan kan al het lijden in het geval van Nancy Yuen en dat van anderen die dat om soortgelijke redenen hadden ondervonden, worden beschouwd als deel uitmakend van het "lijden voor Christus", een noodzakelijk offer en een uitvloeisel van geringe betekenis in vergelijking met het loyaal zijn aan God en het trouw zijn aan zijn Woord. In dat geval ligt de volledige verantwoordelijkheid voor dat leed bij de regeringsautoriteiten die zulke harde en onderdrukkende maatregelen troffen.
Ik schrijf deze brief na vele maanden van grondige overdenking en na vele openhartige gesprekken met verkondigers en ouderlingen. Ik heb het probleem in gebed gebracht en hoop dat ik de omvang ervan aan het genootschap duidelijk kan maken. Van de ongeveer 25 ouderlingen, met wie ik lange en diepgaande gesprekken heb gevoerd, waren er slechts twee die te kennen gaven geen schuldgevoelens te hebben wegens het niet kunnen naleven van de doelstellingen, die hen door het Genootschap waren voorgehouden.
In samenhang met het hen opgelegde programma voor de samenkomsten en de studie en de voortdurende vermaningen om "meer nog dan voorheen de leiding te nemen in de velddienst", stelt hij vast dat velen "zich onder een constante druk voelen staan om steeds maar weer te moeten doorgaan, zonder voldoende tijd te hebben om het ook goed te doen." Hij vervolgt dan:
Velen hebben mij verteld dat eerdere bezoeken van kringopzieners allesbehalve bemoedigend waren. Ze zeggen dat de kringopziener altijd met de boodschap komt om telkens maar weer meer te doen. Wat voor uitwerking heeft dit alles op mensen met faalangsten en schuldgevoelens? Een broeder merkte op:
"De kringopzieners zijn door onze gemeente gegaan zoals een motorboot die golven maakt. Als ze weg zijn is ieders leven weer iets onrustiger geworden."
Iemand anders zei: "Hun toespraken werken dikwijls zo, alsof men probeert een goedwillig doch vermoeid en overwerkt paard vooruit te slaan."3
De kringopziener maakte vervolgens duidelijk dat het hier niet gewoon om klachten van ontevreden of egocentrische mensen ging met een "ontzie jezelf"-geest. Hij zei: "Enkele van degenen die zich zo uitlieten behoren tot de meest bekwame ouderlingen en verkondigers in de kring."
Van huis tot huis en van deur tot deur – Hetzelfde?
De leer over de van-huis-tot-huisprediking, zoals deze wordt onderwezen door het leiderschap van Jehovah's Getuigen, is voornamelijk gebaseerd op teksten zoals Handelingen 5:42 en 20:20. In de Nieuwe-Wereldvertaling van het Wachttorengenootschap luiden deze als volgt:
En zij bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis onderwijzen en het goede nieuws over de Christus, Jezus, bekendmaken.
Terwijl ik [Paulus] mij er niet van heb weerhouden u al wat nuttig was te vertellen en u in het openbaar en van huis tot huis te onderwijzen.
Hieruit wordt afgeleid dat "van huis tot huis" verwijst naar van-deur-tot-deuractiviteit, waarbij men van de ene deur naar de volgende gaat en de mensen zonder voorafgaande uitnodiging en doorgaans zonder voorafgaande kennismaking bezoekt. Kan die afleiding zondermeer gemaakt worden?
Zoals het linker geïnterlinieerde gedeelte laat zien, verschijnt dezelfde uitdrukking met dezelfde distributieve betekenis van kata in beide teksten. Toch is de vertaling in Handelingen 2:46 niet "van huis tot huis" maar "in particuliere huizen". Waarom?
Het is hier, opnieuw, eenvoudigweg een beslissing van de vertaler hoe deze Griekse uitdrukking weergegeven wordt. Dat de voornaamste vertaler van de Nieuwe- Wereldvertaling, Fred Franz, erkende dat dit zo is, wordt aangetoond door de voetnoot bij dit vers in de grote gezinsuitgave van de Nieuwe- Wereldvertaling. Deze voetnoot luidt:
Of, "en in de particuliere huizen."
Het is niet zo dat vertaling van kat' oikon (of kat' oikous) met "van huis tot huis" fout is. Het is een volkomen juiste vertaling en wordt gevonden in menig andere bijbelvertaling, zelfs bij Handelingen 2:46. Of in die teksten de weergave "van huis tot huis" of "in particuliere huizen" wordt gebruikt hangt geheel af van de persoonlijke voorkeur van de vertaler. Wat verkeerd is, is te proberen de uitdrukking een betekenis mee te geven die zij niet werkelijk heeft.
Het is niet zo dat het Wachttorengenootschap alleen deze teksten gebruikt in haar poging de van-deur-tot-deurprediking te presenteren als de ware christelijke en Christus-eigen manier om kennis van Gods Woord te verspreiden. Een ander schriftgedeelte dat vaak in de argumentatie wordt gebruikt is Mattheüs 10:11-14, waarin Jezus de volgende instructies gaf toen hij zijn apostelen uitzond om te prediken:
Welke stad of welk dorp gij ook binnengaat, onderzoekt wie daarin het waard is, en blijft daar totdat gij vertrekt. Wanneer gij het huis binnengaat, groet dan het huisgezin; en indien het huis het waard is, zo kome de vrede die gij het toewenst daarover, maar indien het huis het niet waard is, dan kere uw vrede tot u terug. Als men u ergens niet ontvangt of niet naar uw woorden luistert, verlaat dan dat huis of die stad en schudt het stof van uw voeten.
In Wachttorenpublikaties wordt consequent nadruk gelegd op de uitdrukking: "Onderzoekt wie daarin [in de stad of dorp] het waard is." Dit wordt dan voorgesteld alsof het betekent van deur tot deur gaan om personen te zoeken die ontvankelijk zijn voor het goede nieuws. De aandacht wordt niet gevestigd op de woorden in de omliggende context, zoals in vers 11: "Blijft daar totdat gij vertrekt." Deze woorden worden bijna nooit aangehaald in Wachttorenpublikaties omdat zij duidelijk maken dat Jezus hier niet over van-deur-tot-deurprediking sprak, maar over het vinden van onderdak.
In het Besturende Lichaam kwamen veel van deze punten meer dan eens aan de orde. De achtergrond hiervoor was de volgende:
De toonzetting van het artikel geeft me het gevoel dat we aan het proberen zijn de Schrift iets te laten zeggen wat we haar willen laten zeggen; we bewerken de teksten om haar te laten zeggen wat we graag willen horen.... Ik denk dat we hier een belangrijk punt over het hoofd zien. Iedereen behoort God te prijzen en te prediken. Dit doen is belangrijk, niet hoe het wordt gedaan. Als de vroege christenen niet van huis tot huis gingen, betekent dit niet dat wij dit ook niet moeten doen. Als zij het wel deden, betekent dit niet dat wij het ook moeten doen. Zij gingen naar synagogen, wij gaan niet naar kerken. Wij houden internationale congressen, er is geen aanwijzing dat zij dat ook deden.... Waarom eisen dat het op één manier gebeurt? Waarom een toetssteen maken van "van-huis-tot-huis"? Waar het om gaat is mensen te bereiken. Het hoe is niet belangrijk, zolang het een daad is van liefde en hulp aan de mensen tot wie wij getuigen.
In de bespreking van het redactiecomité kon er onder de vijf leden geen overeenstemming worden bereikt, dus ging de zaak naar het gehele Besturende Lichaam. In de hoop dat in die bespreking de Schrift zelf in het middelpunt zou komen te staan, deed ik een poging om alle voorbeelden uit de vier evangelieverslagen alsmede uit het boek Handelingen op te zoeken die verband hielden met elke activiteit die ook maar iets met prediken of "getuigenis geven" te maken had, waarna ik mijn bevindingen samenvatte in een overzicht van 12 bladzijden lang. Ik maakte ook een vergelijkend overzicht van 27 vertalingen en de weergaven daarin van Handelingen 2:46; 5:42; en 20:20. Ieder lid van het Besturende Lichaam kreeg een kopie van beide overzichten. Het overzicht met de 27 vertalingen is hieronder afgedrukt.
De ruimte staat niet toe om alle pagina's van het tweede overzicht op te nemen maar de eerste pagina is hier als voorbeeld afgedrukt:
In het volledige overzicht van "Witnessing Activity" werden zo'n 150 afzonderlijke gevallen van "getuigenis geven" opgenomen (daar waar door meer dan één evangelist van dezelfde gebeurtenis melding is gemaakt, werden de tekstsaanhalingen in het algemeen bij elkaar als één gebeurtenis weergegeven).
21 verwijzen óf naar huizen waar Jezus, Petrus of Paulus logeerden,óf naar huizen waar zij, veelal voor een maaltijd, waren uitgenodigd,waaronder de huizen van Martha, Maria en Lazarus, Zacharias, Simon de Leerlooier, Cornelius, Lydia, een gevangenbewaarder in Filippi, Aquila en Priskilla, Titus Justus, en Publius.
7 verslagen verwijzen naar onbekende huizen, maar uit de context blijkt dat het óf een plaats betrof waar zij logeerden, óf een plaats waar zij bijeenkwamen, alwaar soms alle twaalf apostelen of zelfs een grote menigte aanwezig waren.
2 verwijzen naar een geval waar Jezus een genezen persoon naar huis stuurt.
In al deze verslagen is er geen enkele passage te vinden waarin Jezus of een van zijn apostelen of discipelen van de ene deur naar de volgende ging of zelfs maar van het ene huis naar het andere.
Tot zo ver een resumé van de belangrijkste onderdelen van de bespreking om de algemene gang van zaken te illustreren en de houding en de wijze waarop erover gedacht werd. Gedurende de hele zitting deed ik pogingen aandacht te vragen voor de Schrift zelf, maar de discussie bleef zelden lang genoeg bij één punt stilstaan om er voldoende diep op in te kunnen gaan. Als de bijbel al ter sprake kwam dan ging het vrijwel uitsluitend over de juistheid van de weergave in de Nieuwe-Wereldvertaling van "van huis tot huis", gevonden in Handelingen 5:42 en 20:20, die in het bijzonder werd verdedigd door president Fred Franz.
De Schrift wordt aangepast aan een leerstelling van de Organisatie
Toen Lloyd Barry, een lid van het Besturende Lichaam, werd aangesteld om ervoor te zorgen dat er materiaal voor de Wachttoren over het onderwerp zou worden aangemaakt, verklaarde hij vrijwillig tegenover het Lichaam dat hij zich er van zou vergewissen dat de informatie die ik in de twee overzichten aan de leden van het Lichaam had verstrekt, (het bijbelse bewijsmateriaal uit de vier Evangelieën en Handelingen in verband met getuigenis geven, en de wijze waarop kat' oikon in verschillende vertalingen werd weergegeven) gepaste aandacht zou krijgen. Hij koos ervoor het materiaal zelf te schrijven en het verscheen uiteindelijk in de Wachttoren van 15 oktober 1979 (dezelfde uitgave waarin het artikel was opgenomen over Nancy Yuen, haar van-deur-tot-deuractiviteit en haar twintig jaar gevangenschap). Er werd hoegenaamd geen aandacht geschonken aan het Bijbelse bewijsmateriaal dat was aangedragen, noch aan de betreffende grondbeginselen zoals die in de zitting van het Besturende Lichaam waren besproken.
De artikelen die daarna volgden vormen een duidelijk voorbeeld van de wijze waarop de organisatie haar leden—zorgwekkend vaak—een tendentieuze voorstelling van zaken geeft en ongunstig bewijsmateriaal achterhoudt, waardoor de leden de mogelijkheid wordt ontnomen om de zaken nog zuiver te beoordelen en een persoonlijke conclusie te trekken omtrent de juistheid van de ingenomen standpunten. Omdat geen bewijs gegeven kon worden dat Jezus ooit een voorbeeld had gegeven in het van-huis-tot-huisgaan in de zin dat hij van deur tot deur langs de huizen was gegaan, werd in plaats daarvan in het eerste artikel de nadruk gelegd op zijn instructies aan de twaalf apostelen en de zeventig discipelen. De standaardpraktijk werd gevolgd door slechts die gedeelten van de tekst aan te halen die spreken over 'zoeken naar wie het daarin waard is' en door het weglaten van de uitdrukkingen die met deze woorden in verband staan, zoals, 'blijft daar tot dat gij vertrekt', 'blijft dus in dat huis en eet en drinkt de dingen waarin zij voorzien.... Gaat niet van het ene huis naar het andere.' (paragraaf 7). Na aanhaling van slechts een deel van Jezus' woorden, vervolgt het artikel met de woorden:
Dit zou betekenen dat zij naar de huizen van de mensen moesten gaan, waar personen 'die het waard waren', gunstig op het "goede nieuws" zouden reageren. Op deze wijze zouden die discipelen ook een plaats vinden waar zij konden overnachten.
Merk op dat gezegd wordt, ". . . ook een plaats vinden waar zij konden overnachten." Dit moet het idee geven dat Jezus' instructies in de eerste plaats te maken hadden met de van-deur-tot-deurprediking en dat het vinden van een plaats om te overnachten iets bijkomstigs was, iets dat bijna terloops was opgemerkt. Men hoeft slechts eenvoudigweg het verslag (in dit en in de andere evangelieën) door te lezen, om te zien dat Jezus, na tot zijn discipelen te hebben gesproken over de dingen die zij nodig of dachten nodig te hebben op hun predikingstocht, namelijk, geld, voedsel en kleding, vervolgens sprak over iets anders dat zij op hun tocht nodig zouden hebben, namelijk, onderdak, en dat dit het belangrijkste punt van zorg was dat in zijn aangehaalde woorden tot uitdrukking komt. Jezus' instructie die onmiddellijk daarop volgt: "en blijft daar totdat gij vertrekt", bevestigt dit. Doordat het artikel slechts een gedeelte van het vers citeert en de zaken van elkaar losweekt, wordt de geest van de lezer gemakkelijker gemanipuleerd zodat de naar voren gebrachte ideeën geaccepteerd worden.13
Waar gij ook een huis binnengaat, zegt eerst: 'Vrede zij over dit huis.' En indien daar een vriend des vredes is, zal uw vrede op hem rusten. Maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren.
Jezus' woorden die onmiddellijk daarop volgen worden niet aangehaald. Waarom niet? Zij luiden:
Blijft dus in dat huis en eet en drinkt de dingen waarin zij voorzien, want de werker is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis over naar het andere.
Deze woorden tonen aan dat Jezus zijn discipelen duidelijk vertelde hoe zij te werk moesten gaan bij het vinden van onderdak bij geschikte personen en hoe zij moesten handelen als zij eenmaal onderdak hadden gevonden. Omdat deze woorden een totaal ander licht op de zaak werpen, kwamen zij de schrijver niet van pas en werden zij dus eenvoudigweg niet behandeld.
Het verslag van de Apostel Paulus’ aangaande het predikingswerk
Men zou nog veel meer voorbeelden kunnen aandragen van dit negeren en onderdrukken van bewijzen. Om er van de vele slechts één te noemen: De Wachttoren van 1 maart 1983 bevat een bespreking van de bediening van de apostel Paulus waarin zijn woorden uit Handelingen 20:20, 21 worden aangehaald. Opmerkelijk hierbij is de volgende bewering (op blz. 13)
Later kon hij terecht tot de "oudere mannen" van de gemeente te Efeze zeggen: "Ik [heb] mij er niet van . . . weerhouden u al wat nuttig was te vertellen en u in het openbaar en van huis tot huis te onderwijzen. Doch ik heb zowel aan Joden als aan Grieken grondig getuigenis afgelegd omtrent berouw jegens God en geloof in onze Heer Jezus" (Handelingen 20:17, 20, 21, 31; 19: 1-41) Voordat deze mannen, die nu ouderlingen waren, christenen waren geworden, had de apostel Paulus hen dus doormiddel van de "van huis tot huis"-predikingsactiviteit in de fundamentele waarheden van het christendom onderwezen.
Paulus zelf zegt dat hij deze mannen eerst "in het openbaar" heeft onderwezen en daarna "van huis tot huis". De schrijver van het artikel draait in feite de volgorde om. Hij stelt ronduit dat de van-huis-tot-huisactiviteit het aanvankelijke middel was waardoor de ouderlingen in Efeze christenen waren geworden. Hij gaat gewoon volkomen voorbij aan Paulus' "openbare" onderwijzing met betrekking tot het onderrichten van deze mannen in de "de fundamentele waarheden van het christendom", ondanks dat Paulus dit zelf als eerste noemt. Op welke gronden zou de schrijver dit hebben kunnen doen? Waar spreekt Paulus zelfs maar over de plaats waar deze mannen tot bekering kwamen en geloof stelden in Jezus Christus, en dus christenen werden? In feite vertelt de bijbel ons juist in het hoofdstuk voorafgaande aan het aangehaalde hoofdstuk (dus in Handelingen 19) over de activiteiten van Paulus in Efeze. En omdat wij, zoals Milton Henschel het uitdrukte, ‘niet in Efeze geweest zijn, maar Lukas wel’, kan de vraag gesteld worden wat Lukas zelf (als schrijver van het boek Handelingen) te zeggen heeft over hoe en waar Paulus "zowel aan Joden als aan Grieken grondig getuigenis [heeft] afgelegd" omtrent berouw en geloof in Christus?
Hij ging de synagoge binnen, waar hij drie maanden lang met vrijmoedigheid sprak, terwijl hij lezingen hield en overredingskracht gebruikte aangaande het koninkrijk Gods. Maar toen sommigen zich bleven verharden en niet geloofden en ten aanhoren van de menigte nadelig spraken over De Weg, trok hij zich van hen terug en zonderde de discipelen af, terwijl hij dagelijks lezingen hield in [de aula van] de school van Tyránnus.
Dit is Lukas’ ooggetuigeverslag over de bediening van Paulus in Efeze. Hij laat zien dat sommigen van degenen die in die drie maanden naar Paulus’ toespraken in de synagoge hadden geluisterd, óf reeds discipelen waren, óf het uiteindelijk werden. Hij zegt niet dat de bekering tot het christendom van deze mensen of van wie maar ook, het gevolg was van de "van huis tot huis"-predikingsactiviteit. Een zeer breed scala aan bijbelse bewijzen duidt erop dat dit hoogst waarschijnlijk het gevolg was van het luisteren naar Paulus’ openbare lezingen in de synagoge. Laten we deze bewijzen, zoals opgetekend in Lukas’ verslag, eens nagaan:
. . . Voor degenen die de vrees voor Jehovah verliezen, zouden vergaderingen, velddienst [van-deur-tot-deurprediking] en andere christelijke activiteiten tot een last kunnen worden.
Merk op hoe zulke personen in de (Engelse) Wachttoren van 1 januari 1937 werden beschreven: "Voor die ontrouwen is het voorrecht om God te dienen door voor de ogen van anderen de Koninkrijksvruchten tentoon te spreiden, zoals de Heer heeft geboden, slechts een vermoeiende ceremonie en formaliteit geworden, die hun geen gelegenheid biedt in de ogen der mensen te schitteren. Van huis tot huis gaan met de Koninkrijksboodschap in gedrukte vorm en deze aan de mensen aan te bieden, is voor zulke in hun eigen ogen gewichtige personen al te vernederend." . . . Dit kan het geval zijn als wij onze vrees voor Jehovah en tegelijk daarmee onze liefde voor Hem verliezen.
Hiermee doet men het voorkomen alsof niemand ook maar enige geldige reden heeft vraagtekens te plaatsen bij het enorme gewicht dat aan de van-deur-tot-deurmethode wordt toegekend. Aan de mogelijkheid dat iemand dit uit oprechte en gewetensvolle motieven zou doen, gebaseerd op een studie van Gods Woord en op de gezaghebbende bewijzen die daarin opgesloten liggen, wordt volkomen voorbijgegaan. Er wordt vanuit gegaan dat zo iemand ontrouw is jegens God, dat hij zich alleen maar beijvert ‘om in de ogen der mensen te schitteren’, dat hij zichzelf erg belangrijk vindt, en dat hij de vrees voor Jehovah en zijn liefde voor hem is kwijt geraakt.
|
|
Strooibiljet uit 1937 met een aankondiging van een van "Rechter" Rutherford’s lezingen.
Vertaling (gedeeltelijk): Oprechte personen aanschouwen met angst en beven hoe men koortsachtig voorbereidingen treft voor de oorlog onder de natiën. Haat, nijd en boosaardigheid zullen dagelijks toenemen. Dat wij voor een verschrikkelijke wereldwijde katastrofe staan lijkt wel vast te staan. Dit wordt door vrijwel iedereen aangevoeld. Is er nog zekerheid te vinden?De man die op grond van zijn wereldreizen, zijn onderzoek en kennis van Gods onfeilbare Woord der Profetie bekwaam is daarop een gezaghebbend antwoord te geven is :RECHTER RUTHERFORD Hij zal deze vraag beantwoorden tijdens een openbare lezing welke zal worden gehouden in het C O L I S E U M van de OHIO STATE FAIR GROUNDS Zondag, 19 september, om 12:00 nm. |
Dit nu was de schrijver die zich de vrijheid had veroorloofd om gewichtig te zijn en het verlangen had te schitteren in de ogen van iedereen die zich niet volledig inzette voor de van-deur-tot-deuractiviteit. Een activiteit waartoe hij anderen aanspoorde, maar waarvan hij zichzelf uitzonderd zag.
Voetnoten:
© Copyright Raymond Franz
TERUG