Monografie Dutch Language

 

Monografie 

Stephan Tessely, Flemish Art Painter,

~

Vlaams Leieschilder

~

School van Latem

 

door

Dr. H. Vandenbosche en Marcel De Backer

 

~

 

Sint-Martens-Latem

Gezegend oord van de Vlaamse Kunst

 

Sint-Martens-Latem. Een typisch Vlaams dorp. Het symbool van de streek. Een provincie van de kunst. De ziel van een land, de ziel van Vlaanderen. Verschillende levensbeschouwingen, een stralend hoogtepunt. Een centrum van artistiek leven van leven zonder meer. Een gedroomd oord voor de droom. Want het eenvoudige dorp Latem is werkelijk een kleine hoofdstad geweest van de hedendaagse kunst. Een kleine hoofdstad waarvan de geest ruimte en tijd heeft doorstraald.

Om daarvan overtuigd te zijn. Is het voldoende een blik te werpen op de toestand van de plastische kunst, tijdens het einde van de vorige en onze eeuw.

Dit is onomstootbaar zeker: wie een inventaris ~ een wereldinventaris ~ wil opmaken van al het merkwaardige dat de schilder- en beeldhouwkunst op onze dagen heeft voortgebracht, wordt onvermijdelijk gedwongen het zeer oude land van de kunst: dat Vlaanderen is, niet over het hoofd te zien, en bijgevolg niet achteloos voorbij te gaan aan Latem. Dit is de overtuigende kritiek uit alle hoeken van de wereld.

" Een Vlaams dorp", zegt Jean-Cassou die ongetwijfeld perfect op de hoogte is van het kunstleven in de wereld. "Een dorp aan de oevers van de Leie", was gedurende meer generaties, volgens hun respectievelijke stijlkenmerken, het schouwspel van een wonderbaar geestelijk avontuur. Welk getuigt van die onuitputtelijke scheppingskracht van een volk dat nooit opgehouden heeft de kunst op een schitterende wijze te dienen.

Dit alles maakt van Sint-Martens-Latem een plaats die voortaan in de geschiedenis van de beschaving even beroemd zal zijn als Barbizon of Pont-Aven. Een stip op de aarde, waarin een uitzonderlijke intensiteit van menselijk leven werd samengebald en waar de geest is vaardig geworden.

Wie in grote trekken op de hoogte wil geraken van de Vlaamse kunst, gaat Ensor en Spilliaert begroeten in Oostende. Van Rijselberghe in Gent. De Braeckeleer, Strobbaerts en Daeye in Antwerpen. Jakob Smits in de Kempen, Rik Wouters in Mechelen. Evenepoel, Brusselmans, Tytgat en enkele andere in Brussel. En om te eindigen maakt hij een vrij lange wandeling langs de Leie, in de streek van Deurle - Latem.

Op zijn eigen manier voegt dit gezegend land zijn zout bij de gewone sleur van het dagelijks leven. De Passies liggen er niet aan banden: men houdt er vrank en vrij van het volle leven.

Overal ontmoet men er Tijl Uilenspiegel, Lamme Goedzak en Nele. Zonder G"ds lof er bij te vergeten. Zet men gretig de tanden in de verboden vrucht, tot het zoete sap langs de kaken afdruipt.

VOORWOORD

Stephaan Tessely, groot en slank, een blauw-bruine stem, een blonde baard die hem ouder doet schijnen dan hij is; meestal dromerig en rustig -zwijgzaam. Soms explosief temperamentvol, uitzonderlijk ook eens keihard wanneer hij zijn sarcasme loslaat op iets wat hij als een onrechtvaardigheid aanvoelt.

Iemand die zich niet als een "geroepene" beschouwt, maar die, met een enorm talent, midden het branden en botsen van een brutale wereld zijn tederheid en liefde als een gebed uitschreeuwt in een minderende kleuren- pracht en in heet - bloedende doeken van een heerlijke desolate schoonheid………….

Alhoewel van de mens Tessely een zekere rust uitgaat, voelt men het creatief instinct in hem sidderen: men wordt bijna tastbaar geconfronteerd met een super dosis levensenergie en vitaliteit die voldoende groot is om meerdere levens te vullen en die zich daarom omzet in een visionaire verbeeldingskracht die hij in zijn werk de vrije teugel moet laten om verlichting te vinden voor de druk van deze emotioneel geladen extra energie.

Ziedaar een summiere schets en voorzeker een onvolledig beeld van de rijke persoonlijkheid van de kunstenaar die wij U voorstellen. Waarom geen vollediger beeld? Waarom geen curriculum vitae met herinneringen die terug gaan tot zijn eerste levensjaren? Omdat, wij van oordeel zijn dat het niet zo belangrijk is alles te weten over een kunstenaar en zijn leven in een chronologisch feitenmateriaal te kunnen samenvatten. Belangrijker is het de in een kunstwerk uitgedrukte ideeën en gevoelens te kunnen begrijpen, het innerlijke ontroeringbeeld te kunnen vatten dat de schilder bezielde op het ogenblik dat hij zijn kunstwerk schiep.

Deze monografie beoogt dan ook in de eerste plaats U te confronteren met de kunst van Stephaan Tessely en slechts minder met Stephaan Tessely de kunstenaar.

In mindere of meerdere mate voelt iedere kunstenaar een innerlijke verwarring in zich. Een verwarring die niets anders is dan de angst voor het lot dat hem wacht. De angst om pas heel laat of slechts na zijn dood tenvolle erkend te worden. De enige vraag waar het hier om gaat is, of zijn scheppende energie beantwoordt aan de idealen van zijn tijd. En wie kan hem dat vertellen? Wie anders dan die levende menselijke wezens, het volk, U zelf ?

Het grote publiek bekommert zich veelal niet om de diepere betekenis van de kunst. De meesten onder ons zijn wel min of meer vertrouwd met bepaalde technieken, periodes, stijlen of kunstenaars. Maar verder hebben wij veeleer vage vermoedens en ideeën dan juiste kennis en concrete begrippen. Misschien komt dit wel omdat het innig beleven van ons eigen lief en leed, wellicht onbewust, de kern van onze belangstelling sfeer vormt. En in die optiek zal bij onze beoordeling van een kunstwerk niet zozeer de definitie van wat een simpele vergelijking tussen het kunstwerk en de werkelijkheid zoals wij kunst is als maatstaf gelden, maar zal zij vooral geconditioneerd worden door die zien of... dromen.

Dit proces van het visueel vertrouwd worden met een kunstwerk, van het wegwijs worden in de eindeloze doolhof van de kunstuitingen wordt ontzettend bemoeilijkt door o.m. het gebrek aan musea voor hedendaagse begaafde kunstenaars. De enige mogelijkheid om U de gelegenheid te bieden binnen te dringen in de poëtische doch ook soms getormenteerde wereld van Tessely was de uitgave van dit plaat- en boekwerk.

Het is allereerst bedoeld als illustratie van de intense virtuositeit van deze kunstenaar en tevens dient het ter oriëntatie van de talrijke kunstminnaars.

Schilderkunst is universeel en niet aan een taal gebonden. Tessely is daarenboven een globetrotter. Het was dan ook voor de hand liggend dat deze monografie meertalig zou zijn en dus in het Nederlands - Frans - Engels en Duits.

Wij hebben getracht naar een bondige overzichtelijkheid waarbij onze bedoeling vooral langs visuele weg wordt aangetoond, terwijl wij gemeend hebben het bekomen stemmingsbeeld te mogen aanvullen en verrijken door een verantwoorde keuze van poëzie. De kunst van Tessely staat inderdaad zeer dicht bij de dichtkunst. Alleen een combinatie van beiden kon, naar ons bescheiden oordeel, een totaal sfeerbeeld scheppen waarin de schoonheid zegeviert ...

~ ~

Monografie

Een monografie over een kunstenaar kan op zeer veel manieren opgevat worden.

Er zijn essayisten, die zullen verkiezen braafjes het leven van de artiest te beschrijven en met de pen zijn werken na te schetsen. Sommigen houden het bij een gedetailleerde inventaris van zijn scheppingen, of nog bij een zorgvuldige compilatie van reeds verschenen artikels en besprekingen.

Anderen zullen de hele eigentijdse kunstproductie min of meer grondig onderzoeken en in de wirwar van scholen, richtingen, -ismen, die zo'n synchronisch beeld altijd biedt, zullen zij trachten hun artiest ergens onder te brengen.

Talrijk zijn zij die daarbij zelfs uitgaan van vooropgezette theorieën en deze dan aan het werk aantrekken als een zondagspak. Waarom deze werkwijzen met Tessely uitgesloten zijn, zullen we verder in deze studie aantonen.

Ten slotte zijn er die het hoofdaccent leggen op de kritische beoordeling van ieder kunstproduct.

Ook deze monografie wil eens tijdsbeeld oproepen, maar dan als de noodzakelijke voedingsbodem waarin het werk van Tessely wortelt, als het klankbord waartegen het resoneert. Wat daarvan in ons overvloeit en natrilt willen we trachten te suggereren; we willen aantonen hoe het ons als mens verrijkt.

En wat het voor onze tijd betekent.

Met een kunstenaar als Tessely doen we best niet geleerd, ook dat blijkt verder nog: liever typeren we deze eigenaardige persoonlijkheid door enkele tekende anekdotes en door de sfeer van zijn oeuvre.

Als we de typische enkeling die Tessely is willen onderbrengen in een richting of -isme, met hun programma's of manifesten, zullen we hem en zijn werk eerder verraden, dan het recht te laten wedervaren.

De enige "school" waartoe deze schilder van het landleven mag en moet worden gerekend is de Latemse School. En dat is er nu een juist een die zich nooit op theoretische gronden heeft gegroepeerd. Maar die louter toevallig bestond en bestaat, eenvoudig door haar lokalisering in het Vlaamse Leielandschap.

Inderdaad, de meest eminente kunstcritici hebben al talloze malen onder streept, dat er van een doelbewuste groepering in een 'Latemse school', door haar grote exponenten zelf, nooit sprake is geweest.

Het zijn artiesten van de meest diverse pluimage, die zich te Latem, en ook te Deurle kwamen vestigen en er elkaar ontmoetten, en zo weer anderen aantrokken.

Ook vandaag gebeurt dat nog, en het volstaat even een bezoek te brengen aan één van de groepstentoonstellingen die men geregeld aan het Latems kunstleven wijdt, om er zich van te overtuigen, dat wat daar wordt gepresteerd, in verscheidenheid en ook in waarde en niveau. wijd uiteenloopt.

Als men echter eenmaal deze verkeerde interpretatie van de term 'school' van de hand gewezen heeft, valt het niet te loochenen dat Sint-Martens-Latem in de nationale en zelfs in de internationale kunstoptiek een begrip is, dat niemand over het hoofd zou willen zien.

De schoonheid van de streek, haar eigen sfeer en karakter, vormen en determineren haar kunstenaars op onuitwisbare wijze en iets daarvan blijft in hun werken ademen, waar ter wereld ze ook mogen heentrekken.

In die zin hoort Tessely bij de Latemse schilders, ook al heeft hij een belangrijk deel van zijn leven elders omgezworven.

Er zit 'meelm' in de schoonheid van het Leielandschap. Die 'meelm' is synoniem van auto.

In de steden wordt de schoonheid verdrongen door parkeerplaatsen. Waar kan men die beter aanleggen dan boven een trage rivier?

Buiten de stad wordt de schoonheid verkaveld in lapjes grond. Nevele, Deurle, Latem .... ze lagen vroeger een halve dag van de stad. Nu nog tien minuten. Omheen de grote steden groeit een ring van bungalows met garage. En, o wanhoop, zonder auto is het moeilijk nu nog van de schoonheid van de natuur te genieten.

De Leie, meer dan elke andere rivier, heeft altijd haar aanbidders gekend. Op duizenden doeken werd haar schoonheid neer gepenseeld. Men moet geen profeet zijn om te zeggen dat er nog lange tijd kunstenaars zullen zijn die over alle verkaveling heen kijken. Die geen bungalows zien, maar wel de traag kronkelende Leie, met weien, koeien, bomen, verre einders, rustige en dramatische hemels, geheimzinnige en poëtische stemmingen.

Stephaan Tessely is er één van en wanneer je het niet weet, dan zou je het nooit raden. Hij houdt van het Leie landschap tot in zijn bloed. Tot in zijn merg, maar een grotere bekentenis dan een 'bij- ja - ik' haal je niet uit hem.

Hij is lang, mager en heeft een ruwe baard. Heldere oogjes, die ik bijna eenzaam zou durven noemen, omdat ik mij, ver van hem, noch zijn neus, noch zijn mond, noch zijn oren kan herinneren. Hij is een oogmens voor mij. Ik weet niet hoe zijn handen er uitzien. Ik heb hem eenmaal gezegd: "Ik zou je eens willen zien schilderen, Stephaan!". Hij schrok bijna en zei vlug. .,Dat, dat kan niet!"

Ik weet niet hoe zijn atelier er uitziet. Ik heb nog nooit een borstel of een tube verf van hem gezien.

Wanneer hij werkt wil hij alleen zijn. En wanneer hij niet kan werken, omdat het niet gaat. Of omdat hij geen lust heeft, of omdat ik-weet-niet-wat, dan hangt hij aan de telefoon en moppert dat het niet gaat. Dan voelt hij zijn eenzaamheid. Dan wil hij vrienden om zich heen, om zich gelukkig te voelen. Wanneer de kleuren hun wederliefde betuigen, hoor je geen woord van hem. Zit hij boven op zijn atelier, eenzaam, gelukkig in zijn grote liefde voor de Leie, het landschap, de mensen en de dieren.

Tessely draagt, zoals elke kunstenaar die niet te omschrijven drang in zich waardoor hij zich gedwongen voelt in een materie vast te leggen wat hem inwendig beroert. Daaruit ontspringt het poetische, dat elk doek als het ware bezielt.

Om zich te bevrijden van die drang moet hij zich in deze eenzaamheid terugtrekken. Een kunstenaar verdraagt dan een poosje de wereld om zich heen niet al te best meer. De aanwezigheid van een 'andere' verhindert het uitbloeien van deze opgestapelde inspiratie," verhindert het loskomen van de rijpe vrucht. Tessely ondergaat dit zeer sterk.

Een groot doek betekent dan voor hem de oplossing. Een doek waarvan je eerst de randen niet ziet, waarvan je de begrenzing maar vaststelt wanneer het werk af is.

Wie als kunstenaar wil leven moet veel van het kind, dat hij eenmaal was, in zich blijven dragen; anders kan hij niet volhouden de magere en vette dagen als schalmen van de levens ketting aan elkaar te smeden. Vaak moet hij hopen dat hij eenmaal zal begrepen worden. Dikwijls wanhoopt hij, wanneer men zijn werk achteloos voorbijgaat. De ene dag voelt hij zich een koning, de andere dag een mislukkeling, die nog niet eens in staat is een kar vol hooi te laden.

Soms spreken de kleuren, zingen de kleuren. Soms hoeft hij zo maar een tube verf te nemen, zo maar een tik te geven met het penseel of een streek met het mes en het is altijd roos. Het tableau krijgt meer diepte, meer rust, meer poëzie, of meer onrust, meer beweging, meer dramatische kracht. Dan opent het doek een nieuw venster op de wereld van de kunstenaar.

En soms willen de kleuren niet, zijn ze weerbarstig, koppig, nijdig. dan blijft het doek wat lijnwaad op een raam gespannen.

Je moet in essentie een tikje eigenaardig zijhn om als kunstenaar te leven. En zelfs als je dit weet, als je dus op je hoede bent, sta je nog geregeld verstomd voor de eigenaardigheden van Stephaan Tessely.

Hij besluit plots naar Amerika te gaan. Er zullen daar ook nog mensen zijn die schilderijen kopen, is een voldoende reden om in te schepen. Als je dan durft te informeren: "Waar? Zie het vraag teken in zijn ogen groeien. "Naar Amerika". Je ziet hem denken: "Ik zal daar wel ergens terechtkomen."

Hij vertrekt naar Amerika en verkoopt er zijn doeken.

Hij zou te Knokke gaan exposeren. "Je kunt mij telefoneren", zegt hij, wacht dan even en voegt eraan toe, dat hij het nummer niet weet. De naam van de straat,... weet hij ook niet, en de zaal? - de naam van de zaal zal hij wel eens laten weten. Maar zijn doeken zijn klaar.

Nu ben ik gesterkt tegen de verbazing. Stephaan vertelde mij, in karige woorden, dat hij reeds meer dan dertig handelsregisters heeft gehad. En dat hij zich al enkele keren, eufemistisch uitgedrukt, door sluwe mensen de verdiende centjes uit de zak heeft laten halen.

Stephaan Tessely bezit de kracht, de moed en de volharding van het kleine kind. Dat langs de gladde baan van een tobogan omhoog wil klimmen, glijdt, weer klimt, hoger, weer glijdt en niet opgeeft iedere keer opnieuw te klimmen.

Dit vertrouwen en dit geloof, die moed en die kracht moet je bezitten om kunstenaar te zijn, en dan nog veel meer, want de glijbaan is lang en glad en ontelbaar zijn zij, die er alleen maar afgleden.

Glijden wil Tessely niet. Hij voelt zich als elke kunstenaar sterk gebonden aan het leven. Aan de liefde en de beïnvloeding van leven en liefde in een niet te bepalen wisselwerking op elkaar.

Dit zijn de polen der krachtbron van zijn leven, die steeds op een verschillend niveau moeten staan, opdat het overvloeien mogelijk zou blijven. Bij stilstand is daartoe geen kans meer, heeft de kunstenaar niets meer te zeggen, niets meer te doen en krijgt de zin voor zijn leven een absurde klank.

Elke kunstenaar zit op een gladde baan, op een glibberig schuin dak. Hij moet naar de nok. Daarvoor is de hardnekkige wilskracht vereist die we bij de Scheppende Tessely in haar volheid vaststellen.

Wanneer Tessely zijn atelier verlaat stapt hij in zijn wagen, rijdt door het landschap en verrijkt zich misschien onbewust, met vluchtige indrukken. Verf en doek blijven op zijn atelier, zijn heiligdom zou ik het willen noemen, als dit beeld niet zo oud en versleten was. Ik zou het ook zijn 'slot' durven

noemen, want je dringt er niet zo gemakkelijk binnen.

Zijn tocht door het Leielandschap eindigt altijd bij de één of andere boer, of stroper, of eenzame, die daar ergens in een klein huisje hokt. Er worden enkele borrels gedronken en veel minder woorden gezegd. Ze zitten daar wat bij elkaar, elk met hun eigen wereld in zich. Hun eigen stille wereld, gespannen tussen hun handen en hun hoofd. Hun eigen stille, gespannen wereld die op hetzelfde ogenblik zo gelijkend en diep verschillend is; hun doorploegde wereld: voor de boer, de vruchtbare aarde, voor de kunstenaar, de vruchtbare kleuren. Hun wereld die je kan samenvatten in enkele woorden... Enkele woorden: een ontlading voor de kleine boer, die leeft en ademt met zijn aarde, nog gebonden aan zijn aarde, nog volledig één met zijn aarde, zijn aarde, doel van zijn leven.

Enkele woorden: een lading voor de kunstenaar die in zijn werk leven en ademen wil, die wil gebonden zijn aan alle inhoud en één met de bezieling die het resultaat moet zijn van zijn ontlading; zijn kunst : doel van zijn leven. Na zo wat bij elkaar zitten is Tessely rijp voor een schilderij, liefst een groot doek, waarop hij de verf dik kan leggen, zo brijachtig dik, dat hij haar kan doorploegen met zijn paletmes.

Schilderen is voor Tessely de uitlaatklep voor wat psychisch in hem gekneld zat. Hij bevrijdt zich op het doek. Daarom is zijn tableau nooit louter een landschap: het is geladen met vreugde of met weemoed, met angst, met onrust. Soms word je gegrepen door zijn scheve luchten die naar de einder wijzen en daar geheimzinnig je blik gevangen houden.

Soms vind je rust bij een moeras, omgeven door donkere struiken en bomen. De hemel, als echo van het moeras, doet je kijken en luisteren tegelijkertijd. Waar op het ene schilderij de hemel uit de lijst barst, houdt het andere werk je aandacht bijna op een punt, een vlek of een streep gevangen.

De landschappen, die Tessely schildert vind je nergens, die bestaan alleen in hem. Ze zijn maar een heel klein procent natuur, geladen met veel psychische kracht.

Hij neemt zijn landschappen waar dwars door de muren van de kleine boeren huisjes, dwars door de muren van zijn atelier.

Wat hij vluchtig opgenomen heeft transponeert hij in zijn eigen toonaard, doordrenkt hij met de stemming waarin hij bij het schilderen verkeert.

Uit dit alles kunnen we afleiden dat het voor hem geen zin heeft doek en kleuren mee te nemen naar buiten. Zelfs een schets kan niet vastleggen hoe hij iets aanvoelt. Een schets bindt je aan de werkelijkheid. Een schets herinnert te sterk aan de realiteit. Een schilder als Tessely moet eerst vergeten wat hij gezien heeft. Of beter: het laten onderduiken in zijn Ik. Hij kan niet schilderen of het werk moet in hem gegroeid en gerijpt zijn. Dan kan hij het neerstorten in zijn dikke, brijachtige kleuren. Neerstorten, want hij is geen mens die kalm werkt. Wanneer hij begint, valt er niet meer aan te remmen, tot hij alles kwijt is, tot de klep weer dicht valt omdat er geen spanning meer is. Dan rijdt hij weer door de velden, gaat hij zich weer opladen en is de zoveelste kring gesloten.

Schilders die als hulpmiddel een diaprojector gebruiken kan je er zo uitpikken. Hun doeken of tekeningen kunnen mooi zijn, bevallen, maar na een tijdje voel je dat er iets aan ontbreekt. Je kan niet altijd dadelijk zeggen wat. Ze beginnen te vervelen. Die schilders hebben het beeld, dat ze op het doek brachten in een camera gedragen en daardoor mist het de dimensie van het gevoel.

Het oog hoeft niet zoveel te onthouden dat je naar een fototoestel moet grijpen als hulp. Het oog hoeft zelfs niet alles waar te nemen. Het hart draagt in de schilderkunst meer verantwoordelijkheid dan het oog. Het hart is de donkere kamer waar de latente beelden moeten geborgen en gedragen worden. De projectie van deze beelden op het doek is zo subtiel, dat je kunstenaar moet zijn om ze te zien. Het hart spreekt slechts tot wie geleerd heeft ernaar te luisteren. Het hart biedt slechts zijn diepte aan wie geleerd heeft ernaar te peilen.

Schilderen kun je niet met een vreemd hart. Ik meen dat ik deze ideeën mag overdragen op elke kunst. Onze zintuigen stellen ons in staat op te nemen. Doch kunst kan je alleen inwendig genieten.

Het is zeer goed mogelijk dat niet alle werken van Tessely je bevallen. Dat is zelfs normaal. Zijn werken zijn te geladen en te weinig louter landschap om je van bij de eerste aanblik volledig te treffen. Wanneer je voor zijn werk staat moet je tijd hebben om het te laten indringen.

Hij zelf brengt je geen stap dichter, want hij spreekt zelden over zijn werk. Hij kan er niet over spreken. Dat hoeft ook niet, want hij heeft met zijn kleuren, vooral met zijn tinten, reeds alles gezegd.

In de conceptie van zijn doeken vind je geen grote afwisseling en toch zijn al zijn tableaus zo verschillend van elkaar. Dit verschil ligt in de stemming die hem die dag deze kleuren deed kiezen en ze zo neerstrijken op het doek.

Tessely is geen effect zoeker: hij wil niet verbluffen om wat vluchtige aandacht te trekken, iets wat we bij onze tijdgenoten maar al te dikwijls vaststellen. Wie dit moet doen om wat naam te maken heeft niet van de ware bron gedronken, maar aan een doodgewoon fonteintje, waar velen wachten tot het eens komt en tot het eens lukt.

Tessely geeft zich totaal aan zijn werk. Een kunstenaar die dit doet denkt er niet aan om zich heen te kijken of hij de blikken op zich gevestigd ziet en heeft daar ook de tijd niet toe.

Een kunstenaar verwerkt 'schoonheid' tot een 'ideale waarde'. Dat is niet uit te schreeuwen in woorden, niet in kleuren, niet in klanken en niet in vormen.

Een kunstenaar treft de mens in zijn hart, in zijn totaliteit van mens zijn. Een effect zoeker treft het oog, of het oor; maar de mens blijft onberoerd en dit is te min voor wie voelt dat hij iets van waarde in zich draagt.

Tot effectbejag zal Tessely zich nooit verlagen.

Elk doek van Tessely is een compromis tussen zintuiglijke gegevens en buiten- zintuiglijke gewaarwordingen, die samen het onbepaalde vormen in zijn werk.

Een kunstenaar heeft een mysterieuze aanvoeling, draagt iets van het kosmische in zich, waarlangs de infra- en de ultra-ondervindingen in hem schuiven. Daarom is er in een kunstwerk altijd iets dat door de geest niet kan gehomologeerd worden.

In elke kunstenaar vonkt uit de duistere kosmische chaos licht, dat, wanneer hij het kan verwerken, aan zijn scheppingen wat glans van eeuwigheid geeft. Wanneer ik een kunstenaar leer kennen tracht ik hem altijd te rangschikken bij de groep die kan wat hij wil of bij de groep die schept wat hij moet.

Bij deze indeling denk ik aan Achilles Mussche die in de jaren dertig schreef: "We schrijven niet wat we willen; we schrijven wat we moeten".

Tessely is een kunstenaar die slechts kan werken wanneer hij er inwendig toe gedwongen wordt. Anders gaat het niet. Anders brengt hij toch maar werk voort dat niet deugt. Anders heeft hij de indruk dat hij uit geschilderd is.

De mensen van deze groep lijden er het meest onder artiest te zijn. De vreugde die ze kennen wanneer het wel gaat, brengt hen in een euforische stemming, waarmee ze alle putten kunnen dempen uit de perioden, waarin de curve naar beneden wijst.

Tessely vatte eens het plan op om een reeks pastellen te schilderen. Formaat: dertig bij veertig centimeter. Je maakt ze waar je wilt en ze zouden, zo redeneerde hij, een grote hulp zijn voor het borstelen van zijn grote doeken.

Die pastellen kun je gemakkelijk onder een glaasje stoppen en verkopen aan mensen die geen groot werk kunnen aanschaffen. Die mensen moeten ook in staat gesteld worden, enz., enz... Tessely liet duizend glazen snijden, formaat dertig bij veertig centimeter. Wanneer je ze per duizend neemt, krijg je ze voordeliger berekende hij. "Ik zie altijd een beetje groot!', voegde hij er stil lachend aan toe.

Zo'n kleine anekdote brengt je op het spoor van het soort van artiest die je voor je hebt.

Tessely is een schilder die het beeld, als het ware onbewust, in zich opneemt. Het ergens binnen in zich bewerkt en verwerkt en pas dan aan het schilderen gaat, als het moet. Al werkend wordt hij er zich van bewust dat het dát moet zijn.

Hij ziet het werk groeien naar het onbewuste beeld dat hij in zich draagt. Het landschap voelt hijzelf beter en beter aan naarmate hij het afwerkt. Wanneer het van de ezel genomen wordt, begint zo'n werk zijn eigen leven, zijn leven als kunstwerk. En moet het nog een tijdje naar de wachtkamer, dit geeft niks. Want zeker komt eens een mens die in dezelfde toonaard is gestemd en voor het werk een muur vrijmaakt.

Wat uit de ziel van een mens komt, wordt door geen hand verwoest, men kan het alleen, een tijd, achteloos voorbijlopen.

In de meeste werken bereikt Tessely het uiterste van de ernst. Het grensgebied tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland waar woord en klank en kleur de volheid van hun nobele waarde kennen. Het rijk waaruit alles werd gebannen wat geen plaats vond in het voetstuk voor de poëzie.

De poëzie is een limiet van de ernst.

Wanneer je een werk van Tessely bekijkt wordt je volle aandacht ogenblikkelijk opgeëist door de wolkenhemel, sterk, contrastrijk, mannelijk, ernstig op het doek gestreken.

Sommige hemels van hem doen je denken aan Wagner, aan Parsifal: droef, terneergeslagen of zegevierend.

Sommige doen je denken aan Bach: orgelmuziek die je uit duizend monden overweldigt, omdat ze zo klaar, zo evenwichtig, zo mathematisch juist is. Soms denk je aan de Zesde Symfonie, de Pastorale van Beethoven: ernst en luim tintelen in de kleuren.

Weer andere herinneren aan die heerlijke Kleine Nachtmuziek van Mozart: speels, intiem, jeugdig en volwassen tegelijk, dus melancholisch.

Je kan bij de schilderijen van Tessely poëzie lezen van Gezelle, Van de Woestijne, Van Ostaijen of van om 't even welke andere dichter, er is geen hiaat mogelijk, omdat we in dit gebied zijn binnengedrongen waar de poëtische waarden van de woorden, de klanken en de kleuren op elkaar gelijken.

Zo heeft elk schilderij haar eigen ritme, haar eigen adem, haar eigen leven. Zo moet elk schilderij een punt hebben waarin dit leven ontstaat; een punt waar wij beginnen het tableau te lezen of te beluisteren; het punt dat onze aandacht trekt en ons doet naderen; het punt waaromheen wij het tableau in ons opnemen, opbouwen. Wie van een kunstwerk geniet herschept het in zichzelf. Genieten is opbouwen met de materie van ons gevoel. Bij Tessely vinden we dit punt gewoonlijk in de hemel.

Het hoofdaccent in het ritme van de hemel wordt in zijn landschappen herhaald in zoveel refreinen, dat je telkens de hemel opnieuw gaat lezen of beluisteren. Daardoor ontstaat in zijn werk die grote eenheid. Zoals je in een muzikale compositie geen noot kan weglaten, geen rust onderdrukken, of ze klinkt 'vals'; zoals je in een gedicht geen woord, geen komma mag wijzigen, of je verminkt het, zo kan je van een werk van Tessely geen stuk wegsnijden, of je voelt dat er iets ontbreekt, dat je iets van de Gestalt hebt weggenomen, waardoor het werk zijn evenwicht verliest.

Een goed werk bestaat niet uit delen, maar uit in elkaar grijpende momenten, die elkaar zodanig beïnvloeden, dat ze samen horen in de diepste betekenis van het woord. Uit hun samenzijn ontstaat de meerwaarde van het werk, een waarde die men moeilijk kan verwoorden, een waarde die er IS zolang het werk blijft wat het was.

Die grote eenheid kan je bij Tessely sterk aanvoelen. Bijna angstvallig drukt hij ze uit. De horizon bijvoorbeeld is nooit een lijn: hij is steeds verdoezeld. Daar verwerkt hij subtiel de overgang van de grond, waarop hij loopt, naar de hemel, waarin hij droomt. Op deze onbepaalde lijn ~ gedachtestreep zou ik ze durven noemen ~ plaatst hij gewoonlijk een huisje, bomen, een stromijt. Daar geeft hij je blik, je ogen, je hart een rustpunt.

Je hart nadert, maar het wordt op een afstand gehouden, want de meeste huisjes van Tessely zijn gesloten, de bomen in de verte zijn raadselachtig, geheimzinnig, en je weet dat een stromijt je ontvangt als een egel.

Tessely laat je niet binnendringen in wat voor hem heilig is. Je moet op een afstand blijven staan. Hij schenkt slechts zijn poëzie aan wie blijft staan en dan zeer behoedzaam nadert.

Je hoort slechts de muziek van zijn lineaire ritmen en van zijn refreinen spel als je zeer stil, zeer ingetogen luistert. Verbreek de stilte niet, ontluister ze niet door analyse en kritiek, of door eruditie en kunsttheorieën. Kijk, voel aan of begrijp met dat andere verstand, dat van het hart en het gemoed. Dan alleen word je het klankbord voor die heel aparte toonaard in elk van Tessely's werken.

Zoals elk abstract kunstenaar beeldt Tessely evenmin de natuur uit; hij kopieert de natuur niet, maar schept elk doek uit zijn eigen natuur. Hij geeft het een eigen, subjectieve waarde.

Hij beeldt het wezenlijke uit van zijn eigen persoonlijkheid, wanneer hij ons een beeld van de zo gezegde realiteit schildert. Hij doet dit in een kunstvorm die voor het grootste deel abstrahering is en voor een zeer klein procent nabootsing van de natuur.

Het gaat hier vooral om de innerlijke wereld van de kunstenaar, gemengd met de vrees dat het beeld van de uitwendige wereld geheel zal veranderen. Dat onze brede horizonten zullen gebroken worden door betonnen vormen; dat in alle richtingen de horizonten zullen gekruist worden door betonnen banen, dat de wereld geen horizon meer zal hebben, omdat er geen afstanden meer zullen zijn.

Met dit gevoel raakt Tessely aan elke abstracte kunstenaar, maar hij is meer gevoel dan rede gebleven, meer ernst dan gestrengheid. Hij zoekt niet zozeer de volmaakte vormen, dan wel de poëtische waarde van de volmaakte vormen die de natuur ons bood. Hij schept nog meer met zijn ziel dan met zijn geest. Hij wil onthouden, niet uitwissen. Hij leeft in verheerlijking van de natuur en drukt haar uit in een poëtische vorm die de abstractie benadert.

Het poëtische is het absolute wezen in hem, waarvan hij op elk doek een deel losmaakt. Hij blijft nog gebonden aan de grote krachten; die de natuur beheersen, misschien met evenveel bewondering, verheerlijking, maar ook vrees, wantrouwen en angst als de mensen die eens de grotten bewoonden en de wanden ervan beschilderden.

Zij, evenals elke kunstenaar van nu, hebben tijdloos werk gemaakt, doordrenkt van het mystieke dat eeuwig het dubbelbeeld van de Mens zal blijven. De ziel van de wereld projecteert zich in het Ik van de kunstenaar.

Zo vindt de wereldziel duizenden uitlaatkleppen. Zo is de kunstenaar een medium om de wereldziel te openbaren, in een materie uit te drukken, die één van onze zintuigen aandoet, aanspreekt, beroert, prikkelt. De wereldziel is het punt waarnaar alle ware kunstuitingen, alle ware kunstvormen en alle "ismen" convergeren.

Er is maar één kunst, er is maar één wet, maar er zijn zoveel "ismen" als er tijden zijn, omdat de kunstenaar, aan zijn tijd gebonden, zijn kunst op deze tijd accordeert. De ene zal meer bijtonen horen, de andere meer nuances begrijpen, beter de kleur van de toon of de tint van de nuance weergeven.

De wereldziel is het licht, de mens - het prisma; de kunstenaars vormen de regenboog. Hieruit blijkt. waarom het in alle tijden bedroevend is als kunstenaar te leven tussen kleuren blinden.

Ware kunst kan niet stilstaan, niet verankeren, omdat ze mee moet met de tijd, om er de uitdrukking van te zijn, om er tegelijk de geest en de ziel van te zijn. Alleen de foto wordt oud, omdat zij een deel van een seconde kristalliseert voor altijd. De foto legt de geschiedenis van de wereld vast. Het kunst- werk legt de ziel van de wereld bloot: daarom is het mystisch en hallucinerend, abstract en reëel op hetzelfde ogenblik.

Of de impuls tot het scheppen uit de macro- of microkosmos komt heeft geen belang. De kunst is de resultante van alle krachten die de tijd vormen. Zuiver abstract is even ver afwijkend als zuiver reëel. Beide zijn de polen waartussen de kunstenaar zijn weg baant.

Het werk van Tessely is niet abstract en niet reëel. Het is een speling tussen beide.

Het natuurelement treedt duidelijk op de voorgrond. Het is de Gestalt van in elkaar geschoven abstracte momenten.

Er is veel evolutie mogelijk voor elke kunstenaar die niet aan de ene of de andere pool vastgespijkerd zit. Die zich niet met één af ander etiket als mijl paal aan de kant van de weg laat neerzetten, als een herinnering aan kunstuiting nummer zoveel, blootgesteld aan de verwering van de tijd.

Nog nooit is over de waarde van de Mens zoveel geschreven en gesproken als nu. En nog nooit is de ontwaarding van het humanitaire zo groot geweest als nu.

Nochtans heeft de mensheid reeds ontelbare kunstenaars voortgebracht die grote waarden hebben geschapen, een onbepaalbare, onschatbare, oneindig gevarieerde erfenis, om er de eeuwigheid mee te sieren.

Kunst leeft in betrekking tot de mensheid en vindt in die mensheid het gretige klankbord, of verwekt met die mensheid een conflictsituatie. Alleen onverschilligheid is vernietigend en dodend, laat verloren gaan, wat geschapen werd, is de vergeet put voor alle kunst waarden.

Er blijft voor de kunstenaar nog een reusachtige Herculesarbeid weggelegd. De stallen van de mensheid zijn weer over vuil. Er is wilskracht, bezeten wils kracht nodig, om de handen uit de mouwen te steken, om de mens terug of eindelijk op de weg der meerwaarden te brengen. De mensheid is versukkeld geraakt in een problemenwereld, waaraan maar weinig uitweg te zien schijnt, .………….. tenzij de Schoonheid nog een open poort is.

Naast en tussen ontelbare andere spijkeren wij het palet van Stephaan Tessely aan deze poort der Schoonheid.

In elke mens sluimert een deeltje van de angst, dat de geweldige evolutie die we meemaken niet meer te stoppen zal zijn de lading inertie is te groot. We hebben angst, omdat we onze ondergang met duivelse ijver voorbereiden en met duizelingwekkende snelheid naderen.

Deze onrust, spanning, beklemming, vinden we in het werk van de meeste kunstenaars uit onze tijd terug. Ze vrezen het noodlot van ons tijdperk, het noodlot dat als een blok aan de menselijke geest hangt, hem drukt en omknelt. Ze remmen hun ontworteld gevoel af op het teruggrijpen naar de oer- mens, op het zich willen vasthouden aan de oermens: de mens die alleen maar leefde en nog niet de reden zocht waarom hij leefde, de mens in zijn grote afhankelijkheid van de natuur, in zijn grote vrees voor de natuur, in zijn grote aanbidding van de natuur.

Het is dit mysticisme dat we, zij het niet altijd bewust. in de meeste kunstwerken voelen, een soort van geslotenheid, een geheimzinnigheid, die we zo duidelijk op Tessely's werk kunnen aanwijzen. Niet aanwijzen in de betekenis van het met de hand aanwijzende tonen, maar aanwijzen met dat oer- gevoel dat we in ons dragen, wanneer we geconfronteerd worden met de natuur. Dat tikje angst kennen we wanneer we ons klein voelen naast een bos. Dat zonderling tikje onrust overmeestert ons, wanneer we naast een stil, in de zon badend korenveld lopen. We denken dan niet. We voelen dan niet. We ZIJN. Dit eigenaardig gevoel krijgen we soms wanneer we voor een groot werk van Tessely staan : dat even zeer - diep - vallen - in - de - tijd, een ogenblik alleen maar meer 'ZIJN', intenser zijn. zijn in kleuren. Dan zijn we een ogenblik zeer dicht bij de oorsprong geweest, toen alle kleuren nog 'ZON' waren.

De kunst heeft zich gebolsterd en is een reactie geworden tegen de uiterlijke wereld.

Deze psychische instelling tegenover de wereld vinden we duidelijk terug in het werk van Tessely.

Die geslotenheid, die soms geheimzinnig aandoet, is typisch voor hem. En toch drukt zijn kunst geen vlucht uit. Hij ontrekt zich niet aan de wereld. Hij harnast er zich tegenover. Hij vlucht het wereld krakeel en schildert ons een natuur, die ontoegankelijk is voor wie niet geleid wordt. Moerassen en bossen versperren ons de weg. Dit is de weg, de geheime weg, waarlangs hij zich van onze wereld verwijdert. Bij een zwijgzame boer. Ineen gesloten huisje, ben je in feite dicht bij de spelonk, die maar een kleine toegang heeft. Vinden doe je die moeilijk. Je bent maar welkom wanneer je die toegang kent, wanneer je tot het huis behoort.

Bij die mensen kun je geen boodschap brengen en dat wil Tessely met zijn kunst ook welbewust niet.

Hij leeft niet ván en evenmin mét theorieën. Hij schildert wat hij in zich voelt en losmaken moet. Daarom denk ik, dat hij nooit zijn scheppingen zo ver zal abstraheren dat ze alle contact met de realiteit verliezen. Hij zal verder gaan dan hij nu doet. Dat kan men intuïtief voelen. Maar altijd zal hij ver van de grens blijven waar de abstractie het doel wordt van zichzelf. Hij houdt te veel van zijn kleuren, van zijn tinten, van de materie verf en van de vormen, om ooit eens een doek te maken dat je ondersteboven kan hangen. Ik beweer niet dat je een Mondriaan, een Kandinsky, een Vasarely, en zoveel anderen, even goed ondersteboven kan hangen; ook zij schilderen een onder- en bovenkant, maar een vergissing of een verkeerd begrijpen is bij hen niet altijd uitgesloten.

Wanneer je sommige werken van Tessely op de linkerzijde stelt, of op de rechterzijde, heb je een prachtig abstract werk.

Maar je mag het hoofd niet even draaien, of de Gestalt natuur dringt zich meteen op en je bent verplicht de onderkant naar onderen te keren.

Tessely gaat niet van een theorie uit en zal zich ook nooit kunnen verenigen met de ene of andere theorie, hij loopt er niet parallel naast of zal nooit in tegenspraak ermee zijn.

Gesprekken van dien aard kun je zelfs met hem niet voeren, ze interesseren hem gewoonweg niet.

Hij schildert, zegt hij nu zo, misschien later anders.... en dat is dan het enige wat je uit hem haalt, wanneer je probeert iets los te maken dat de basis van zo'n gesprek zou kunnen vormen. Met hem is over theorie geen dialoog mogelijk. Dit verleent hem een bijzondere plaats in onze moderne kunst- wereld, waar dikwijls van een theorie vertrokken wordt en waar meestal het parafraseren over een werk veel verdienstelijker en dieper is dan het werk zelf.

Theorieën binden een kunstenaar op een intellectueel niveau aan de tijd. Dit is niets voor Stephaan Tessely.

Hij zit vastgeklonken in de tijd, zoals het hart in het lichaam. Hij ondergaat de schokken van de tijd zoals elk gevoelig mens en trilt mee met de uitbarstingen die onze tijd kenmerken. Hij leeft er niet buiten, maar neemt er geen deel aan. Daarom is hij niet gebonden aan bepaalde kenmerken van de tijd; daarom kan hij zich nog terugtrekken in zijn atelier en de muren die hem omsluiten slechts openen of transparant maken voor de beelden die hem beroeren, opwinden, lief zijn of vervoeren.

Schilderen betekent voor hem een inkeer in zichzelf.

Daar zijn geen wetten, geen kenmerken,- daar is geen theorie te bouwen-, daar is alleen kleur en die weet hij te gebruiken en zeer precies. Ik zou bijna durven schrijven dat hij zijn kleuren afweegt en liefst in tinten van enkele kleuren spreekt. Zijn palet is niet groot, maar hij schrobt het dikwijls af, om in een totaal andere kleur ~ zeggen we: stemming ~ te werken.

Wat hem bindt zijn de afmetingen van zijn doeken. Daarop laat hij geen vierkante centimeter verloren gaan. Het hele doek moet sprekend zijn of het is slecht. Daarin vertoont hij een kenmerk eigen aan de architect. De totale oppervlakte moet gebruikt worden: geen vage vlekken, geen openingen die niets zeggen. Zelfs het onbepaalde, het onscherpe, het nevelachtige van de einder mag in een tableau niet opvallen en daardoor zwak aandoen.

Op een werk van Tessely wordt het oog nooit aangetrokken door de vage einder, omdat het oog deze vaagheid aanvaardt. De verte is onzeker; de toekomst, waarin alles nog onbepaald is, blijft onbestemd. Het oog aanvaardt, omdat ELK denkend mens hetzelfde aanvaardt wanneer hij verder wil kijken in de ruimte, in de tijd. Wat zich vandaag scherp aftekent, was gisteren nog vaag. Dat is ~ als ik hier de term mag gebruiken van Prof. Colle één van de 'éternels', die in ELKE mens sluimeren.

Tessely is wel aan zijn tijd gebonden, beleeft er wel de tragiek van, de nerveusheid, voelt zijn lot wel met dat van de tijd verenigt, maar laat zich aan geen enkele theorie binden, die in deze tijd wordt voor uit gezet.

Hij schildert opgewekt, hij schildert somber, zoekt soms warme kleuren om zich uit te drukken. Veel werken hebben als hoofdtoon: bruin - rood - geel, maar dikwijls verrast hij ons met blauw - wit en zwart. Daar voel je zijn tijdsgebondenheid, daar voel je dat hij het wereld gebeuren niet achteloos laat voorbijgaan.

Hij transponeert het in de kleuren die hij als hoofdtoon voor zijn werk kiest.

Elke kunst is, willen of niet, tijdsgebonden in de eerste plaats, omdat elke kunstenaar een gevoelig mens is die de tijd ondergaat.

Een kunstwerk opent niet alleen een muur van het heden, maar maakt ter zelfde tijd een zeer klein brokje verleden transparant. Daarom is het voor het leven in het algemeen en voor de mens in het bijzonder van zo'n grote betekenis.

Elke kunstenaar draagt in zich een dimensie die hij inwendig gedwongen moet vrijmaken; elk volwaardig mens draagt in zich de innerlijke drang de diepte van die dimensie te pellen.

"Kunst" is de magische ruimte waar elke mens een afspraak heeft buiten de tijd, en boven alle tijd. Het is een rendez-vous waar we onze vrees vergeten, waar we terugvinden wat ontworteld was en waar we de druk niet voelen vooruit te moeten, altijd vooruit in die ene richting, naar het einde toe.

Er is een lans te breken voor de kunstenaar die in onze tijd de mens als een uiteengerukt wezen voorstelt. De mens wordt vernietigd en leeft verscheurd. Ten prooi aan enorme krachten die de grote catastrofe naar hem toesleuren, die uitroeien wat de mens teelde, die slopen wat hij opbouwde.

Er zijn kunstenaars nodig die de mantel scheuren, die nu nog onze explosieve maatschappij dekt. Die zijn er hoogst nodig, maar hij die dit niet doet, leeft ook in onze tijd. Voelt even goed de angsten voor de vernielende krachten die overal ter wereld geaccumuleerd worden.

Tessely is evenzeer een modern kunstenaar. Ook kan hij in die uiteen barstende kleuren een basis vinden voor nieuwe schoonheden.

De massa mens interesseert hem niet. Hij is en blijft als kunstenaar een enkeling en hij zoekt de enkelingen op die ergens in een klein huisje of krotje wonen en zelden dat kleine dak boven hun hoofd verlaten.

Iedereen voelt, bewust of onbewust, dat er iets dreigt. Onze tijd heeft nood aan kunstenaars die deze dreiging aantonen, die de scheuren in de korst aanwijzen, die de aandacht trekken op de misleidende rasse problemen en de zogenaamde culturele revoluties.

Onze tijd heeft evenwel ook nood aan kunstenaars, die deze driften de rug toekeren en ons met hun werk rust bieden.

Beiden vullen elkaar aan, onze tijd heeft ze beiden even nodig, want de mens went te gemakkelijk aan een wrede wereld en geniet te weinig van wat mooi en heerlijk is.

De mens van deze tijd, hij drinkt zijn whisky en eet allerlei hartige toastjes, terwijl hij naar televisie- beelden kijkt van uitgemergelde mensen, hij picknickt aan de rand van een weg, waar de auto's de ene na de andere voorbij snorren. Indië, Zuid-Amerika, Afrika... en zoveel andere landen lijken zover weg, de rust van het bos achter hem bekoort hem niet...

We hebben zoveel verschillende kunstenaars nodig als er kleuren en tinten zijn tussen infra-rood en ultra-violet, want alleen een regenboog in de natuur wordt nog door de meeste mensen bekeken, trekt nog de aandacht van de meesten.

Als een kleur staat elke kunstenaar alleen, alleen en tegelijkertijd gebonden aan alle kleuren, want alleen zijn ze weinig, samen zijn zij het licht. Dit is de enige hand die hen kan binden. Zij mogen geen slaaf zijn van een gemeenschap die zij moeten verheerlijken, geblinddoekt verheerlijken. Zij moeten hun plaats zelf mogen kiezen in de grote regenboog.

Het is hun recht de mens te, verminken. Of beter, de verminkte mens te tonen, de ziedende wereld als een vulkaan uit te beelden, de schrilste kleuren op hun doeken te gooien, ons pijn te doen om onze aandacht te trekken.

Het is waar, de wereld ligt vol barricades, door de mensen overal opgeworpen. Het is te waar. Maar laten we ook de kunstenaars dankbaar blijven. Die met een innig werk onze aandacht even afleiden van de mens die meent boven alle dieren te staan.

Sommige doeken van Tessely stralen een innige poëtische rust uit. Kleuren en tinten spelen daar wel een rol in. We zijn zelfs geneigd deze rol te overschatten, omdat warme kleuren zo graag, zo gewillig, zo bereid als reden voor een innige, poëtische rust willen doorgaan.

Simplistischer en valser zouden we het werk van Tessely niet kunnen belichten. De ware oorzaak voor deze rust zoeken we veel dieper en we vinden die in de conceptie van het tableau.

Op deze rustige doeken drukt Tessely zijn grote eenheid uit met het landschap. Hij heeft geleerd, als kind al, te leven in liefde voor het landschap. Alleen de mens heeft hem reeds bedrogen. Het landschap niet. Wie het aanvaardt zoals het is, wordt soms deelachtig aan de verheven rust die het uitstraalt. Wij voelen ons graag één met deze rust. Onze anticiperende verbeelding voor het psychische vindt op deze werken een evenbeeld. Beide passen in elkaar als twee vrienden handen in een handdruk, in wezen totaal verschillend, maar op dit ogenblik één.

In deze handdruk, zowel de fysieke als de psychische, ligt ons vertrouwen. Wij ontvangen de rust als gast. Innemende poëzie bloeit open in ons. Wij verrijken met veel geluk, geluk ontkiemd uit de dubbele relatie, van Tessely tot het landschap en van het landschap tot onze psyche.

In zijn kleuren concretiseert Tessely echter ook dikwijls de realiteit van een wereld vol angst en kwelling, vol spanningen en benauwdheid. Hij kiest zijn kleuren sober en zocht meestal diepe tonen, legt ze zeer weinig transparant, bijna altijd dik en krachtig. Soms, in het midden van het werk, strijkt hij een heldere vlek uit, als een schreeuw. Die schreeuw is meer een weergalm van het wereld gebeuren, dan een poging de hand op de wonde te leggen. Het is vaak een weeklacht, soms een zucht. Hier moeten we niet trachten te interpreteren, niet trachten het motief voor deze schreeuw te zoeken. We hoeven er geen zin aan te geven, want dit zou het werk in zijn geheel verraden.

Het is een schreeuw uit zijn innerlijk, uit zijn onderbewustzijn, een schreeuw te midden van alle motieven, de motieven voor hem om die houding aan te nemen, veel meer dan om die houding te kiezen, tegenover de uitwendige wereld.

Tessely veroordeelt niet en hij aanvaardt niet. Hij stelt vast dat wij leven te midden van motieven die deze schreeuw rechtvaardigen. Een explosie zou hem niet meer schokken dan een betonbaan dwars doorheen een stuk mooie natuur getrokken.

Of zouden beide zo'n schreeuw soms niet verantwoorden?

Tessely is dichter en denker, zacht en heftig, zwijger en schreeuwer op het zelfde ogenblik. Hij is te leiden aan een draadje, maar niet op te sluiten. Hij is niet onverschillig voor de wereld, maar toch zal hij nooit warm lopen voor een idee of deze in de praktijk willen omzetten.

Hij bezit de uitwendige wereld, draagt die in zich en drukt hem uit in die vloed van uitroeptekens, die meestal van aan de einder links naar boven rechts uitgeschreeuwd zijn, dik in de verf, contrastrijk, heftig en krachtig. Er hangt soms iets in zijn hemels dat bijt. Met een streek van zijn paletmes maakt hij stabiel wat in de uitwendige wereld maar twijfel, onzekerheid, wankelbaarheid en avontuur is.

De schreeuw komt misschien van achter de einder en wellicht plaatst de schilder alleen maar de uitroeptekens om nadruk te leggen op die zeer menselijke kreet voor wie toch altijd de explosie dreigt of plaats had.

Van de manier waarop Tessely die witte vlek op zijn doek uitstrekt als een schreeuw trachten wij hier geen opheldering te geven, er geen verklaring voor op te dringen, zelfs geen verduidelijking te brengen. Wie van een werk houdt ondergaat een emotie. Wij trachten alleen die emotie te beschrijven en een afdruk te geven van wat wij ondergaan als we een doek van Tessely bekijken.

Hij is onbetwistbaar een schilder van onze tijd. Je moet hem naderen, om zijn inhoud te voelen, aan te voelen. Hij heeft er geen woorden voor.

Tessely is geen oppervlakkige waarnemer. Hij heeft iets in zich van het kind dat alles ziet, vooral de details. Iets van de dichter die dit alles op zich laat inwerken en die het ene weet te 'faden' en het andere te versterken. Bovendien is hij schilder, die ons in enkele trekken, met kleuren geaccentueerd, alles laat ervaren, wat wij als kind menen gezien te hebben.

Tessely heeft Duitsland, Frankrijk, Canada, de Verenigde Staten, Mexico en Israël bereisd en een rijkdom aan landschappen gezien, die totaal van elkaar verschillen.

Evenwel vinden we niets van dit alles In zijn werk terug. Hij schildert het landschap dat hij in zijn jeugdjaren heeft beleefd, ervaren en in zich opgenomen. Die vreemde landschappen, de rijkdom die daar nog in besloten ligt, ze komen misschien nog aan bod, als ze bezonken zullen zijn en zijn twin- tiger jaren bij zijn jeugd zullen geschoven zijn, als die zich zo maar onbewust zullen gevoegd hebben bij de jaren waaraan men soms met wat weemoed terugdenkt. Gelukkig dat de periode van onze jeugd al maar verlengt naar mate wij ouder worden.

Voor een kunstenaar zijn de Jeugdjaren van een enorme betekenis, omdat zij zoveel beelden in sluimer hebben vastgelegd, waaruit hij later de essentie in rijke waarden kan omzetten, waaruit hij de zuivere ontroering kan destilleren.

Dit landschap van zijn jeugdjaren voelen we op elk doek, de ontroering worden wij deelachtig. de waarden verrijken ons.

Op sommige doeken jubelt het licht in warme tonen, op andere voelen we schrille uitroepen, zeer zelden gebruikt hij dissonanten. Hij aanvaardt én de sprookjes rijkdom van zijn jeugd, én de reële armoede die hij gekend heeft. Nu en dan voelen we die ondertoon losbreken in zijn werk, een herinnering aan minder gunstige jaren in zijn leven. Guitigheid kan je in zijn werk niet vinden. Misschien komt ook dat nog, wanneer dat zware pak op het hart verwerkt is.

Tessely schildert niet in twee dimensies, zoals velen van zijn tijdgenoten. Door zijn sterke techniek en zijn verfijnde behandeling van de kleuren bereikt hij in zijn doeken zeer veel diepte, zowel in de ruimte als in de geest van het landschap.

Hij schildert in één hoofdtoon, maar met het spel van zijn tinten schept hij de wazige verten eigen aan het Vlaamse landschap, waar geen autowegen, geen bungalows, geen steden op de achtergrond de brede einder breken.

De horizon legt hij dikwijls laag - dan is de hemel overweldigend en de aarde geheimzinnig. Maar hij houdt ook van de vruchtbare aarde vol afwisseling en verrassing. Die kleine lapjes grond, die de boeren hier nog overhouden tussen de uitlopers van de stad, bekoren hem. Op die stukjes grond is het nu aangenaam te werken, omdat ze zoveel in waarde gestegen zijn. "Ik werk hier op een miljoen", zei me eens boer van de streek, "en vroeger was deze grond niets waard." ...

Tessely verheerlijkt die grond. De hemel erboven is machtig, zoals de sprookjes hemel uit onze jeugd, de sprookjes hemel vol wolkendieren. Zijn doeken schokken soms, maar geven nooit aanstoot, omdat hij niet bruut is. Hij heeft armoede gekend en nu slaat hij die tijd neer in rijke tableaus. Hij compenseert die tijd door nu te kunnen omzetten in waardevolle doeken wat hij dan in zich opgenomen heeft. Men moet armoede gekend hebben om die toverkracht hardnekkig te kunnen beoefenen. Onwillekeurig doet dit me aan Charlie Chaplin denken, die even hardnekkig de banale werkelijkheid in humor wist om te zetten. Tessely's visie op de natuur wint daardoor aan echtheid, aan wonderlijk geladen echtheid.

Al schilderend heeft hij zich uit zijn jeugdjaren losgewerkt. De sterke indrukken die hij toen onderging zijn nu herinneringen geworden en vormen een inspiratiebron die nimmer droogloopt voor een authentiek kunstenaar, die dit water weet te drinken, te waarderen.

De jeugdjaren zijn de grondvesten voor het leven dat zich verder ontrolt in functie tot die jeugdjaren. We menen, ouder wordend, die jeugdjaren beter en beter te begrijpen en willen niet geloven hoe het beeld, dat we ons opbouwen, voor het grootste deel 'sprookje' is. Toen wij jong waren lag de sneeuw in de winter twee - drie voeten hoog en de zon bestraalde al onze vakanties. De kastanjes die we uit de bomen klopten waren zoveel beter, de aardbeien groter en roder, de boterhammen smakelijker, dikker en heerlijker om er de tanden in te zetten...

De kunstenaar moet die bron altijd vloeiend houden, hij mag ze nooit verloochenen, maar dient ze als een grote waarheid altijd in zich te dragen. De jeugd is onuitputtelijk, omdat ze groeit in de breedte en in de diepte, naarmate wij ouder worden. Het is een donkere kelder vol diamanten die je zo maar één voor één moet bovenhalen en met de mouw van de jas der rijpere jaren alle glans, meer glans, alle schitter, meer schitter, alle tinteling, meer tinteling kan geven.

Hierbij denk ik aan de Rembrandt-film met Edward Balser. De oud geworden, kunstenaar gaat één van zijn eigen werken bekijken, moet er zelfs een centje voorgeven: één van zijn laatste centjes om zijn eigen tableau terug te zien. Dan geeft hij die veel betekenende veeg met zijn mouw over het doek, dik onder het stof. De kleuren zijn er nog, tintelen nog. De oude man strompelt nu zijn dood tegemoet Hij heeft zijn hele jeugd in de kleuren onder het stof teruggevonden. Nog éénmaal kijkt hij om: zeer oud en zalig gelukkig, want hij mag besluiten, dat hij niet vruchteloos heeft geleefd:

"Ich habe nicht umsonst gelebt"...

En dit is het mooiste ereloon dat de tijd aan een kunstenaar kan aanbieden.

Dit pakkend tafereel uit Rembrandts leven ~ authentiek gebeurt of geromanceerd doet er weinig toe~ belicht op treffende wijze de eeuwige waarheid der levenslange, onverbreekbare verbondenheid van de artiest met zijn werk, als door een onzichtbare navelstreng.

Een kunstenaar stort zich in zijn creatie en laat op hetzelfde ogenblik de creatie in zich dringen, groeien, uitzetten. Een kunstenaar wordt één met zijn creatie. Eens heb ik een artiest wanhopig zien worden, in elkaar zinken, de tranen nabij, omdat men op een collectieve tentoonstelling zijn afschuwelijk slecht geschilderde paarden tussen oude meubelen had opgehangen. Dit opdat ze niet te veel zouden opgevallen zijn.

Ik geloof, dat ik de wisselwerking tussen kunstenaar en creatie met deze anekdote van een sukkelschilder het best heb verduidelijkt. In die wisselwerking is er iets magisch, iets dat niet onder woorden te brengen is.

Een kunstenaar moet één zijn met zijn creatie, en ook één met het object van zijn creatie. Voor beide is hij het medium. De verhouding van de kunstenaar tot het object bepaalt de Gestalt van de creatie.

Tessely heeft een specifieke gevoeligheid voor de natuur. Zij laat hem die kleine brokjes Leielandschap meer dan als een zuiver beeld waarnemen, gewaarworden, ondergaan, beleven en doorleven. Wie de doeken van Tessely aan de blote natuur wil toetsen komt van een kale reis terug. Zij willen geen realiteit zijn tegenover de werkelijkheid.

Tessely is geen kopiist van de schoonheid der natuur. Hij staat buiten de reële sfeer, die voor hem vol verwarrende geluiden en valse resonanties is. Zijn wereld is niet de wetenschappelijk gegrondveste, historisch gegroeide realiteit van Jan en Alleman. Wanneer hij schildert staat hij buiten het

middelpunt van de cirkel die wij om hem willen trekken. Hij staat verder van de einder dan wij. Zijn wereld is ruimer. De horizon kiest en trekt hij zelf. Hij leeft in zijn wereld en bepaalt er zelf de dimensies van.

Tessely is in zijn creatieve perioden een ander mens. Hij kiest zijn kleuren, mengt ze en brengt ze op het doek. Dat uit enkele tubes verf een tableau ontstaat is eigenaardig. Dat het zien, het bekijken van dit tableau in je een bepaalde stemming kan losmaken, kan men niet anders dan magie noemen.

De vreugde die de schilder beleeft bij de creatie. En die in hem van de fysieke naar de psychische pool vonkt. Is de lading die hij in zich opneemt wanneer hij werkt en waarvan hij zich bevrijdt door het werk.

Wanneer die vonkende vreugde, die spanning, er niet is geweest. Dan kan er ook geen resultante zijn van al deze krachten en dan staan we voor een doek waar niets van uitgaat.

Tessely is geen man, die zo - maar - wat - verf op een doek neerstrijkt, omdat hij verkopen moet om te leven. Elk tableau is een deel van zijn vreugde, die hij op het doek opengestreken heeft, omgezet in kleuren, de ene keer meer in mineur, de andere keer meer in majeur. Hij die intens van zo'n werk kan houden, is ook een kunstenaar, een even groot kunstenaar.... maar die niet de vaardigheid bezit om diezelfde vreugde te materialiseren, om die vreugde in een blijvende materie om te zetten, een materie waaruit die vreugde straalt voor wie er gevoelig voor is.

Schilderen is kleuren een zodanige plaats geven dat de aanvoelende mens die vreugde, in de ruimste betekenis, van de kunstenaar kan ontvangen. Een kunstwerk is het medium tussen de kunstenaar en de gemeenschap.

De kunstenaar is de schakel tussen de gemeenschap die van hem houdt en de toverkrachten die in de gemeenschap wortelen vanaf het ogenblik dat de mens zijn handen heeft bekeken en zich ervan bewust is geworden, dat hij er iets mee kon doen.

Tessely draagt veel van deze toverkracht in zich. We hopen dat hij dieper en dieper de magische spelonk zal binnendringen en ons zijn boodschappen in rijke kleuren zal sturen.

Hij woont en werkt te Deurle, te Sint-Martens-Latem. te Sint-Denijs-Westrem ~ toevallig ~ ?

Hij woont en werkt in de Verenigde Staten, Zwitserland en Israël ~ toevallig~?

Laat hem wonen en werken waar hij wil, hij zal een schakel zijn in de grote school van

Sint-Martens-Latem.

Een school met nog veel witte muren.

 

Nawoord

Door Paul Piron

De bovenstaande monografie is geschreven en gepubliceerd in 1970.

Dertig jaar na dato zijn de werken van Tessely nog intenser en rijper geworden, zijn de voorspellingen uitgekomen, zijn de successen, groei en diepte niet uitgebleven.

De indrukwekkende lijst van exposities - musea en particulieren collecties waar werken van hem zich bevinden, geven dat aan.

Bij Tessely zijn de Leie en haar landleven als inspiratie bron nooit verloren gegaan.

Zij leven nog immer voort in zijn herinneringen, krachtiger en intenser.

Een landschap wat altijd zal blijven, vereeuwigd op het canvas door Tessely's bijzondere wijze van abstraheren - visuele droomlandschappen - expressief opgebouwd.

De herinneringen en de heimwee daar naar toe zijn zo diep geworteld bij Tessely, dat of hij deze nu neerzet op het canvas in zijn studio's in Vlaanderen, de USA, Zwitserland of Israel, de kracht en de droom steeds grootser worden.

Tessely vervaardigd nu naar het rijpe van de jaren ook forse Naakten en Clowns.

Clowns, van binnen verscheurd door oprecht verdriet.

Het masker, de camouflage en de glimlach van de Edelmoedige, de Serieuze, de Optimistische, de Vrolijke, de Grappige.

Andere thema's zijn de Israelische werken als: de Folklore, de Vreugde, het Denken, de Vertelling, het Lijden, de Boete, de Sabat, de Shoah.

De Shoah deels realistisch deels abstract, grootse en indruk makende museale werken zoals alleen Tessely die kan maken. Maar ook imposant tot formaten van wel 3 x 5 meter.

Ontstaan uit mededogen met het Joodse volk, de vertellingen en herinneringen van zijn familie.

De werken van Tessely zijn nog steeds een mengeling van verleden en heden, de heimwee en het verdriet naar het oude Vlaamse Land, zijn Leie Streek, - de droomlandschappen - het landleven - maar na het rijpe van de jaren ook de vreugde, de stille momenten van het hedendaagse leven.

Hij maakt nog steeds wat zijn hart hem op dat ogenblik ingeeft en beeld dat uit op zijn eigen onmiskenbare wijze en techniek, rijper, intenser van kleur, uitbundiger en vaak abstracter.

Waarvan men ziet en zegt "Dat is een Tessely". Waarmede hij zijn eigen stempel heeft gezet in de kroniek van de hedendaagse kunst en in het bijzonder de Vlaamse Kunst - De School van Latem.

Vreugdevol zijn de laatste werken van danseressen, de zalen met orkest, van muziek genietende toeschouwers. Als of hij daarmee wil zeggen met het rijpen van de jaren - er is verschil tussen verdriet en echt verdriet, blijdschap en echte blijdschap, leven en echt leven.

Wil hij daarmee zeggen: er is tweeërlei leed en tweeërlei vreugde?

Zoals geschreven:

Als iemand zich het ongeluk dat hem getroffen heeft, aantrekt in een hoekje kruipt en aan hulp twijfelt, dan is dat de naargeestigste tegenspoed, waarvan het heet(1): De Sjechina woont niet op de plaats der zwaarmoedigheid.

Het andere is het eerlijk verdriet van de mens , die weet wat hem mankeert en overkomen is.

Zo ook met de blijdschap.

Wie het ontbreekt aan wezenlijke inhoud en er in zijn ijdele pretjes geen erg in heeft en er niet voor zorgt dat gebrek aan te vullen, die is een dwaas.

Maar de mens van ware blijdschap is als iemand, wiens "huis" verbrand is en die zijn nood diep in zijn ziel doorleefd, maar dan begonnen is een "nieuw huis" te bouwen en over iedere steen, die gelegd wordt, verblijdt zich zijn hart.

Is dat niet de verrassing van Tessely dat na elk werk en elke periode zijn hart zich verblijdt en zijn nieuwe werken nog intenser en vreugdevoller worden ~ dat hij zijn levensfasen uitbeeldt of is dat toeval ~?

Zelf zegt Tessely daarover, nog steeds wars van theorieën en kortbondig als hij blijft:

Ik ben inmiddels 66 (geboren 1933). Ik schilder dag en nacht. Het werken gaat me steeds gemakkelijker af en met de jaren heb ik ook veel meer inspiratie en inderdaad ook meer vreugde.

En gaat het daar niet om?