








 |
|
Vanaf het het rapport over de
Nijmeegse tramwegen van de raadscommissie van 6 juni 1899, waarin wordt
gesteld dat de gemeente zelf een tramwegnet door de stad moet aanleggen en
de beweegkracht daarvoor elektriciteit zou moeten zijn, heeft de gemeente
stelselmatig alle aanvragen voor het exploiteren van een elektrische tram in
de stad afgewezen, wat leidde tot verhitte discussies en briefwisselingen,
voornamelijk met de NTM.
Rapport Tramaangelegenheden
Na het eerste rapport van juni 1899, kwam in februari 1906 het 'Rapport de
Raadscommissie voor Tramaangelegenheden' uit, met de volgende conclusies: De
gemeente dient een elektriciteitscentrale aan te leggen licht en energie aan
particulieren en gemeente en de gemeente moet een tramnet aanleggen,
elektrisch en door de gemeente geëxploiteerd. Na de raadsvergadering van 16
juni datzelfde jaar werd besloten dat de ingenieur H. Lohr, werkend bij de
Gemeente Elektriciteitswerken te Amsterdam, een rapport hieromtrent zou
schrijven. Hij schreef drie rapporten die hij eind augustus 1907 aan de raad
aanbood.
Rapport Lohr
Het rapport van ir. H. Lohr, aangeboden aan de gemeenteraad, bestaat uit
de volgende drie delen:
-
Deel I: Elektrische
centrale voor licht en kracht
-
Deel II: Stedelijk
tramnet
-
Deel III: Tramlijn
Nijmegen - Meerwijk - Berg en Dal
De raadscommissie bestaande uit de heren Pierson en
Dobbelmann moesten het rapport beoordelen en een advies aan de gemeenteraad
uitbrengen.

De bouw van de elektrische central verliep wel
voorspoedig en werd dan ook al op 21 november 1908 in gebruik
genomen. Ir. H. Lohr was een jaar eerder al benoemd tot directeur
van de Gemeente Elektriciteitswerken (GEW). bron:
Lijn 2: Geschiedenis van een
bergspoor (1997)
Rapport Lohr: Deel I: De elektrische centrale
Na de goedkeuring van het rapport Lohr werd meteen begonnen met de
aanleg van de elektrische centrale aan de waalkade, omdat dit het kloppend
hart van het tramnet zou worden. De locatiekeuze van de centrale was niet
moeilijk, omdat de centrale gemakkelijk moest kunnen beschikken over water
(uit de Waal) en kolen (aanvoer over de Waal). De eerste elektriciteit werd
maar net op tijd aan het nieuwe Post- en Telegraafkantoor geleverd op 21
november 1908. Na de gehele afbouw werd in september 1909 de balans
opgemaakt en bleek de centrale in totaal
ƒ750.000,- gekost te hebben. Veel meer dan de ongeveer ƒ500.000,- die Lohr
in deel II van zijn rapport had begroot.

In januari 1911 staat de paardentram van de NTM de
St. Annastraat in met het Keizer Karelplein op de achtergrond. De
dagen van de paardentram zijn geteld, zij zal vijf maanden later
worden vervangen door de elektrische tram. bron:
De Gemeente
Tram Nijmegen (1986)
Rapport Lohr: Deel II: De keuze voor
elektrische trams
De heer Lohr begint dit deel van zijn rapport met de stelling dat
Nijmegen geen gebruik kan maken van openbaar vervoer in de vorm van
paardentrams, omdat de hellingen in de stad te steil voor de paarden zijn en
omdat er een regelmatige dienstverlening verwacht wordt, wat niet te
realiseren is met paardentrams. Om die laatste reden valt ook de stoomtram
af, die wel geschikt is voor een lijn over langere afstand, zoals al is
bewezen met de lijn naar Venlo, maar niet voor lijnen binnen de stad. De
gemeente zou daarvoor ook te veel locomotieven moeten aanschaffen, wat niet
rendabel meer zou zijn.

Vanaf de spoorbrug gezien, ligt de reeds in
gebruik zijnde tramremise voor de centrale van de GEW in een winters
landschap in 1912. bron:
De Gemeente
Tram Nijmegen (1986)
Voor elektrische trams gold volgens Lohr het omgekeerde.
Vanwege de geringere vervoerscapaciteit en kleine intervallen van de
dienstregeling zou een bezetting van twee personen al rendabel zijn, maar
Lohr had het mis. Hij hield namelijk in zijn rapport geen rekening met de
kosten van de elektriciteit, omdat het trambedrijf één geheel zou vormen met
de Gemeente elektriciteitswerken (GEW). Vooral deze verkeerde aanname werd
door de NTM later aangekaart.
Rapport Lohr: Deel II: Het tramnet
Er worden drie voorstellen voor het tramnet behandeld. De raadscommissie
had het voorstel om kringlijn aan te leggen, zodat er niet gekeerd hoefde te
worden. Bij een kringlijn zouden ook geen passeersporen benodigd zijn, maar
er kleven twee nadelen aan een kringlijn: de lijn moet in zijn geheel worden
aangelegd, voordat er op gereden kan worden, en voor korte reisjes is het
goed mogelijk dat een groot deel van de kring gereisd moest worden en omdat
daardoor passagiers het zouden laten afweten, zorgde ervoor dat dit plan als
onrendabel van tafel werd geveegd. De andere plannen worden niet meer
besproken, omdat de NTM haar concessie ondertussen heeft verkocht aan de
GEW.

Een fragment uit het rapport Lohr, met een
gedetailleerde tekening van de loop van de tramlijn over het
Hunnerpark en over de Nieuwe Ubbergseweg en dwarsdoorsneden van
diverse punten langs de lijn. bron:
Lijn 2: Geschiedenis van een
bergspoor (1997)
In deel II wordt verder nog een (zeer) gedetailleerde
beschrijvingen gegeven van de remise, het tramnet, de wachthuisjes,
enzovoort. Omdat het elektrische tramnet op sommige trajecten gedeeld wordt
met de stoomtram, adviseert Lohr om de spoorbreedte gelijk te houden op
drieëneenhalve Engelse voet, op 1067 mm dus. Voor de motorwagens had Lohr de
voorkeur voor het type, die ook al in Haarlem en Utrecht reden, uitgebreid
met remmen die magnetisch op de rails werken. Lohr eindigt Deel II van zijn
rapport met een lijst van Duitse en Engelse steden (66), waar al een tram
reed, om de haalbaarheid van het project aan te tonen. Daarnaast was
natuurlijk een begroting toegevoegd, waarin voor het tramnet
ƒ400.000,- en de centrale ongeveer ƒ500.000,- was begroot.
Rapport Lohr: Deel III:
De lijn Nijmegen - Meerwijk - Berg en Dal
Toen Lohr zijn rapport schreef was er nog sprake van concurrentie van de
stoomtram van de NTM en kon dus niet dezelfde route krijgen, vandaar dat
gekeken werd naar de route via Groenewoud en de Meerwijk naar Berg en Dal,
die voor
ƒ230.000,- aangelegd zou kunnen worden. Om deze lijn rendabel te maken zou
er een speciale dienstregeling moeten worden gevoerd, waarbij er maar weinig
tram tussen Groenewoud en Berg en Dal zouden rijden. Ongeacht de route, zou
deze lijn door zijn magere aanbod van reizigers nooit echt rendabel worden
en het is dan ook geen wonder dat deze lijn er nooit is gekomen. Daarnaast
is het doortrekken van de lijn naar Beek een veel beter alternatief
geworden.
Onderhandelingen met de gemeente
Ubbergen
De burgemeesters Van Schaeck Mathon (Nijmegen) en Dommer van
Poldersveldt (Ubbergen) konden na een langdurige brievenwisseling op 18 juni
1910 tot een overeenkomst komen. Zij besloten dat Ubbergen ƒ5.000,- zou
bijdragen aan de aanleg van de tramlijn en jaarlijks ƒ300,- zou betalen aan
de 'Commissie voor den straatweg Nijmegen - Cranenburg' om tolgelden af te
kopen. Enkele hoge heren uit Ubbergen, waaronder de burgemeester, kregen in
ruil hiervoor vrij reizen tot aan het station.
Kritiek van de NTM
De directieleden van de Nijmeegsche Stoomtram Maatschappij waren het
uiteraard niet eens met de wijze waarop zij aan de kant werden gezet door de
gemeente en probeerde dan ook te voorkomen dat de invoer van het rapport
Lohr doorgang zou vinden. In verschillende briefwisselingen, waarin er vaak
een gespannen ondertoon was, probeerde de NTM aan te tonen dat het rapport
op cruciale punten fouten bevatte. Voornamelijk de bewijzen die Lohr
aanvoerden voor de rendabiliteit van het nieuw aan te leggen tramnet werden
onderuit gehaald. En vaak terecht zoals achteraf bleek. Maar de
vasthoudendheid van de gemeente deed de directie van de NTM besluiten de
handdoek in de ring te gooien en haar concessies te verkopen aan de GEW voor
een bedrag van in totaal
ƒ300.000,- Met uitzondering van de lijn naar Neerbosch waren alle tramlijnen
van de NTM hierbij overgedragen aan de gemeente.

Langs de Ubbergse straatweg wordt al hard gewerkt
aan de aanleg van het spoor van de elektrische tram. bron:
De Gemeente
Tram Nijmegen (1986)
Bijgestelde plannen
Halverwege 1910 waren er twee ontwikkelingen die er voor zorgde dat de
plannen van Lohr werden bijgesteld. De eerste is de overname van de
concessies van de NTM. De tweede was de aanleg van de Van Randwijckweg van
Beek naar Berg en Dal door de maatschappij 'Mooi Nederland'. Door hierop in
te spelen werd het mogelijk om Berg en Dal te ontsluiten vanuit Beek en was
een directe lijn Nijmegen - Berg en Dal niet meer nodig. De plannen waren nu
dus:
-
Een stadslijn van St. Anna via het
station en het Hunnerpark naar het Canisius College aan de Berg en
Dalseweg
-
Een buitenlijn vanaf het Hunnerpark
naar Beek en Berg en Dal, met aansluiting op de Clever Staßenbahn
vanaf de Duitse kant van de grens in Beek naar het Kranenburg en Kleef.
Er moesten nu alleen nog gespreken
worden gevoerd met de gemeente Ubbergen en met de 'Commissie voor den
straatweg Nijmegen - Cranenburg' over een afkoopregeling van de tolgelden.

Na de aankomst van de eerste lading rails kon worden
begonnen met de aanleg van de sporen in de remise net naast de
elektriciteitscentrale op de Waalkade. bron:
Lijn 2: Geschiedenis van een
bergspoor (1997)
Nieuwe motor- en volgwagens
Nu alle plannen door de gemeente en andere belanghebbenden zijn
goedgekeurd kan het trambedrijf het materieel gaan inkopen. Voor de aan te
schaffen motorwagens zijn er echter speciale omstandigheden, zoals de
helling in de Stikke Hezelstraat en de Van Randwijckweg, die nog niet eerder
in Nederland hebben meegespeeld. Daarom gaan de Nijmegenaren in het Duitse
Barmen Elberfeld (tegenwoordig Wuppertal) kijken. Er werd gekozen voor
dubbel-assige motorwagens met 60 pk motoren op elke as. Twee keer zoveel als
wat er tot dan toe gebruikelijk was in Nederland. Zowel de motor- als
volgwagens waren van extra duurzaam materiaal gemaakt en luxer ingericht,
vanwege het te verwachten toeristisch verkeer op de lijn naar Beek en Berg
en Dal. Er is alleen onbegrijpelijk niet gekozen voor de door Lohr
voorgestelde magnetische remmen, maar voor een combinatie van lucht- en
elektrische remmen. Deze remmen zouden later alsnog worden verwisseld met de
elektromagnetische railremmen, zoals oorspronkelijk gepland.

Aanleg van de nieuwe sporen op het Hunnerpark, met het
rechter spoor voor het eindpunt van de lijn naar Beek en Berg en Dal.
Tijdens de aanleg bleef de stoomtram Beek - Neerbosch gewoon
operationeel. bron: Lijn 2:
Geschiedenis van een bergspoor (1997)
Rails
Ook de rails waren van Duitse makelei, maar woog minder dan de helft van
het door Lohr voorgestelde gewicht van 115 tot 120 kg per meter, namelijk
maar 49,2 en 56 kg per meter. Na de aankomst van de eerste lading per
vrachtschip over de Waal op 5 november 1910 kon worden begonnen met de
aanleg van de remise en de lijnen. De remise was gereed op 1 juni 1911 en de
lijn Kastanjelaan - Mr. Franckenstraat was was juist twee dagen eerder,
inclusief bovenleiding, klaar. Dit was slechts een aantal dagen (vijf om
precies te zijn) na de aankomst van de eerste motorwagen op 25 mei 1911.

Negen man zijn er nodig om een afspanmast overeind te
krijgen. Met beton wordt daarna de mast op zijn plaats verankerd, hier
op het stationsplein, voor het in de tweede wereldoorlog verwoeste
stationgebouw. bron:
De Gemeente Tram
Nijmegen (1986)
Mankracht
De rails werden zonder dwarsliggers, zoals bielzen, op de Nijmeegse bodem
gelegd, natuurlijk wel met afstandijzers. Om de rails aan elkaar te leggen
werden deze aan elkaar gelast door middel van termietlassen, waarbij een
smeltkroes om de raileinden wordt geklemd en de hitte van het termietpoeder
de raileinden aan elkaar doet smelten. Over de breuk van niet goed aan
elkaar gelaste rails kan een dodelijke spanning van 800 volt ontstaan. Ook bij het plaatsen van de
afspanmasten kwam veel mankracht kijken, zoals op de foto te zien is.

Medewerkers van het Duitse Siemens-Schuckertwerke uit
Berlijn leggen de bovenleiding aan, ook op de Grote Markt. bron:
Lijn 2: Geschiedenis van een
bergspoor (1997)
Bovenleiding
Nadat masten en rails gelegd zijn, kan het
Berlijnse bedrijf Siemens-Schuckertwerke beginnen met de ophanging van de
bovenleiding aan de afspanmasten en de muurrozetten. Die laatste werden
vooral in de binnenstad gebruikt, zoals op de Stikke Hezelstraat. De
bovenleiding zou trouwens niet de standaard 650 Volt, maar een voor
Nederland ongebruikelijke 800 Volt spanning krijgen. Dit had Lohr goed
voorzien. De trams zouden anders de steile helling van de Stikke Hezelstraat
niet omhoog komen, waar een gemiddeld stijgingspercentage van 4,76°
(1:12) te vinden is. Bergaf rijden had hier het effect van een achtbaan,
zeker in de beginjaren van de tram, toen het magnetisch railremmen nog
niet was ingevoerd, waardoor door slippende remmen afgevlakte of vierkante
wielen ontstonden.

De eerste rit van de elektrische tram op de St.
Annastraat. De werkzaamheden zijn echter nog niet afgerond. bron:
Halte Novio (2000)
De eerste rit
Na een korte periode van testritten, was de dag dan toch gekomen dat de
eerste elektrische tram in het Nijmeegse straatbeeld verscheen. Op eerste
pinksterdag, zondag 4 juni 1911, reed de eerste tram in dienst tussen het
Keizer Karelplein en de Mr. Franckenstraat. 4 dagen later werd het eindpunt
aan de St. Annastraat, ter hoogte van de Kastanjelaan ook in gebruik
genomen, waarna de belangstelling als maar groter werd. Op 30 juli al werd
een record van 8.168 betalende reizigers geteld, mede door de vliegweek op
Heumensoord.

De gloednieuwe tramwagen nummer 5 rijdt over de Grote
Markt in de richting van de Stikke Hezelstraat. In de bovenleiding zijn
contacten bevestigd voor de seininrichting. bron:
De Gemeente Tram
Nijmegen (1986)
Dienstregeling
Om de tram op tijd te laten rijden werden er overal langs de route
uurwerken geplaatst, die net als de St. Stephenstoren werden aangestuurd
vanaf de centrale de Waalkade. In juni 1911 was het nog niet mogelijk om vaak te rijden om dat te grote
lengtes van de lijn nog enkelspoor waren. Er was pas in juli van dat jaar
genoeg ruimte vrijgekomen, door het opruimen van het oude spoor van de
stoomtram, om met het aanleggen van passeersporen te kunnen beginnen. Aan
het eind van de maand kon de frequentie dan ook omhoog vaneen 12-minuten
dienst naar een 7½-minuten dient, waarbij dus een tram elke acht minuten
vertrekt van de eindpunten. Om het tramverkeer in goede banen te leiden
werden seinen aangelegd ter hoogte van de wisselsporen. Deze 'dozen'
bestonden uit acht witte en acht rode lampen elk van 110 volt.
|
Lees verder
- De
Stadslijn van St. Anna via het Centraal
station naar Hengstdal.
- Het
Bergspoor van het Hunnerpark naar Beek en
Berg en Dal.
- Fotoboek
voor meer foto's van de elektrische tram.
- Quiz
met vragen om je kennis over de Nijmeegse trams te testen.
|
|
|
Openbare aanbesteding
Burgemeester en Wethouders van Nijmegen zullen op dinsdag 8 november
1910, des namiddags ten half drie uur, ten stadhuize in het openbaar
aanbesteden: het leggen van de benoodigde rails, wissels en kruisingen voor
het in aanbouw zijnde tramnet voor Nijmegen en omstreken. Bestek en
voorwaarden (met gedetailleerde tekeningen zijn te verkrijgen ten kantore
der Gemeente Elektriciteitswerken (afd. Tram) te Nijmegen, tegen betaling
van ƒ2,50. Inlichtingen worden verstrekt ten
kantore van bovengenoemd bedrijf, Waalplein 1b, Nijmegen.
bron: De Gelderlander,
29 oktober 1910
Haastige spoed is zelden goed
Bij de levering van de eerste motorwagen moest deze met paardenkracht
naar de remise worden gesleept, want deze had meteen al een grootse
kortsluiting veroorzaakt. Achteraf bleek dat één van de twee motoren niet
goed was aangesloten en de ander tegenwerkte.
Onze electrische
De Nijmeegsche electrische tram heeft op schitterende wijze haar dienst
geopend. Zij vervoerde op de beide Pinksterdagen totaal 10.018 personen,
hetgeen gemiddeld is 30 personen per rit. Bedenkt men, dat elke wagen 40
personen kan bevatten, dan is het verkregen resultaat niet anders dan
prachtig te noemen. Er heeft zich geen enkel incident voorgedaan. De dienst
verliep uitstekend, het personeel bleek volkomen met de bediening vertrouwd
en niettegenstaande het op vele punten, waar de tram moest passeeren, zeer
druk was, geschiedde het verkeer niet de electrische op een wijze, welke aan
het tramverkeer in de hoofdplaatsen des lands deed denken. De resultaten van
deze eerste dagen hebben onze verwachtingen verre overtroffen en een woord
van gelukwensch aan gemeentebestuur en directie der Centrale is hier zeker
op zijn plaats.
bron: De Gelderlander,
6 juni 1911
Het eerste ongeluk
Op 19 juni 1911 werd het eerste ongeluk(je) met de elektrische tram
gerapporteerd. Een wagen was bij het oprijden van de Korenbeurs op het
verkeerde spoor terecht gekomen, door een verkeerde stand van de wisseltong
en botste daar op een montagewagen van Siemens-Schuckertwerke, die aan de
bovenleiding aan het werken waren. Omdat de bestuurder van de tram niet meer
op tijd kon stoppen, sloeg hun paard op hol en raakte de koetsier gekneusd,
waarna de bestuurder zich voor de rechtbank in Arnhem moest verantwoorden.
Hij werd vrijgesproken.
Winst!
Het trambedrijf heeft in het eerste jaar (1911) een voordelig resultaat
uit bedrijfsvoering van ƒ3.600,- weten te boeken,
wat vervolgens ten laste van het bouwkapitaal kon worden afgeboekt.
Quiz
Denk je dat je alles (al) weet over de trams in Nijmegen, dan kun je jouw
kennis testen met de tien quizvragen.
Opmerkingen of vragen?
Heb je na het lezen van de website nog vragen of heb je opmerkingen of
aanvullingen, dan kun je ze per e-mail kwijt op
trams@resink.net.
Literatuurlijst
Klik hier om de volledige
literatuurlijst te raadplegen die over de Nijmeegse trams bestaat.
Fotoboek
Omdat niet alle voor deze website verzamelde foto's in de tekst passen
is er een fotoboek
gemaakt waarin ze gezamenlijk zijn opgenomen. |