|
De oudste overblijfselen van wat we tegenwoordig vissen noemen, zijn ongeveer 480 miljoen jaar oud. Lang voordat
het eerste leven op land ontstond waren de zeeën al bevolkt door talloze vissoorten en andere zeebewoners.
De naam vis staat voor een viertal soorten die, buiten dat ze zich zwemmend voortbewegen, nogal veel van elkaar
verschillen.
Deze vier soorten zijn: de prikken, lampreien, kraakbeenvissen (haaien, roggen en zeekatten) en de
beenvissen.
Van de lampreien en prikken bestaan slechts een tiental soorten, maar hun anatomie
wijkt zo af van de andere vissoorten dat zij tot een eigen visgroep behoren. Zij hebben een aalachtig lichaam met
een kaakloze bek, waarmee zij zich als een parasiet aan andere vissen vasthechten. Blinde prikken hebben in het
geheel geen wervelkolom, zelfs geen beencellen, en lampreien hebben slechts een serie van gepaarde
boogkraakbeenderen.
Haaien, roggen en zeekatten zijn vissen met een kraakbeenskelet. De tanden zijn niet vergroeid met de kaken en een
zwemblaas ontbreekt. De bevruchting vindt inwendig plaats. Deze kenmerken onderscheiden de groep "kraakbeenvissen
van de grootste groep, de "beenvissen".
De beenvissen zijn verreweg de grootste groep met meer dan 20.000 soorten die over de hele wereld voorkomen in
zowel zoet als zeewater. De vissen binnen deze groep zijn zo divers van vorm
en levenswijze dat ze zelf weer zijn ondergebracht in verschillende visfamilies.
Beenvissen
|