Hebt
u er geen goesting meer in en...
- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html
- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html
- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html
Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 02-07-2000

Van aan tot bekomen

aan, voorzetsel en bijwoord, 1. 30 stuks aan 20 frank, à 20 frank; te huur aan gunstige voorwaarden, tegen gunstige voorwaarden; 2. aan de 80 km per uur rijden, tegen de 80 km per uur rijden; 3. dat boek ligt te hoog, hij kan er niet aan, hij kan er niet bij; 4. hij vond een parkeerplaats aan de parkeermeter, bij de parkeermeter.
aanbevolen, aangetekend: een aanbevolen brief, een aangetekende brief [<Fr.: une lettre recommandée].
aanbrengst (v.), inbreng, bijdrage.
aandampen, beslaan, met een waas van vocht overtrokken worden; syn. aanladen.
aandamping (v.), wasem, zichtbare damp tegen bijvoorbeeld het raam.
aanduiden, aanwijzen.
aanfronsen, aanrimpelen (van stof).
aangaan, ervandoor gaan, weggaan, opstappen, vertrekken, syn.: afbollen, aftrappen, afstomen, het gaat uitgaan, opkramen.
aangeladen, dronken, te veel sterke drank gedronken hebbend.
aanhoudingsmandaat (o.), [<Fr.: mandat d'arrêt], arrestatiebevel.
aankleven, (een idee) aanhangen, verdedigen
aantakelen, vreemd (aan)kleden, toetakelen, opdirken, syn: aantoortelen.
aardebaan (v.), onverharde weg, zandweg, landweg.
aardig, 1. vreemd, raar, zonderling, eigenaardig; 2. duizelig, misselijk, onpasselijk.
aaszak (m.), valsspeler, knoeier, aaszak doen, valsspelen, knoeien; syn. haarzak.
abat-jour (m. en o.), [<Fr.], lampekap.
abondant, overvloedig.
abonnent (m.), abonnementhouder.
achterduims, stiekem, geniepig, heimelijk, achterbanks; syn.: onderduims.
achternadoen: (iemand) nabootsen, nadoen.
achterruitontdooiing (v.), achterruitverwarming (van een auto).
acties (mv.), aandelen: hij heeft acties op de beurs.
affaire (v.), [<Fr.] 1. zaak, winkel; 2. koopwaar, spullen; 3. transactie.
affronteren [<Fr.] beledigen, krenken.
afgang (m.), buikloop, diarree, overvloedige waterige ontlasting; de afgang hebben, aan de diarree zijn.
afgeborsteld, op zijn paasbest, piekfiijn, feestelijk gekleed zijn.
afhaspelen, (iets) (snel) afmaken, uitvoeren, afwerken.
afkoeken, een pak slaag geven; syn. aftroeven, afborstelen.
aflossing (v.), (sportterm), estafette(wedstrijd).
afpitsen, afpingelen, afdingen, minder bieden dan de vraagprijs.
afrotsen, bereizen: bijv. een streek afrotsen.
afslag (m.), reductie, korting, daling van de koopprijs; iets is in de afslag, iets is in de reclame.
afspannen: (een straat) afsluiten, afzetten.
afspanning (v.), hek.
aftrekker (m.), flesopener, instrumentje om een met een kroonkurk (metalen plaatje dat een fles van boven volkomen afsluit) afgesloten fles te openen.
aftroeven, een pak slaag geven.
afveeg (m.), (vluchtige) zoen.
afzink (m.), afdaling.
air-hostess (v.), stewardess.
airke (o. en v.), melodie, muziekstuk; bijv.: een airke spelen.
ajuin (m.), ui, tot de lelieachtigen behorende plant met scherp ruikende bol [<Lat.: allium cepa]
ajusteur (m.), [<Fr.], bankwerker.
alaam (alem) (o.), gereedschap.
allee, [<Fr.: allez], vooruit (aansporing), zeg, nou ja.
alleenbouw (m.) vrijstaande woning.
alleenverdeler (m.), (exclusief) dealer.
allumeur (m.) [<Fr.], aansteker, apparaat om vuur te maken, met name om sigaretten en sigaren aan te steken.
almeteens, plotseling.
amai, uitroep van verbazing, van pijn of teleurstelling.
ambetant, [<Fr.: embêtant], hinderlijk, naar, vervelend, onaangenaam.
ambetanterik (m.), lastpost.
ambras (m.), [<Fr.: embarras], ruzie, woorden, heibel, moeilijkheden: ambras (met iemand) hebben, zoeken, ruzie met iemand hebben, zoeken; iemand in de ambras brengen, iemand in de moeilijkheden brengen.
ambrasmaker (m.), herriezoeker.
ambrasseren, omhelzen.
américain préparé, filet américain.
amigo (m), stadsgevangenis, cel in een politiebureau, [<Spaans: vriend]; woord stamt uit de Spaanse tijd toen de gevangenis ook wel vrint genoemd werd.
amortisseur (m.), [Fr.], schokbreker (van een auto).
amusatie (o.), vermaak, amusement [<Fr.], iets waarmee men zich vermaakt, syn. verstrooiing, entertainment.
annoncenblad (o.), reclamekrant
antenne, op antenne zijn, in de ether zijn.
antigel (m.), [<Fr.], antivriesmiddel.
antigrippine, een geneesmiddel tegen griep.
apotheekkast (v.), medicijnkast.
appelsien (m.), sinaasappel.
appelspijs (v.), appelmoes.
aprilvis (m.), [<Fr.: poisson d'avril], 1-april-grap.
arbiter (m.), [<Fr.] scheidsrechter (bij het voetbal).
arduin (o. en m.), drempel (in een huis).
arrivee (m.), [<Fr.], (term uit de wielersport), aankomst, eindstreep, finish
asbaan (v.), sintelbaan, atletiekbaan.
ascenseur (m.), [<Fr.], (personen)lift.
astemblieft, alstublieft.
attachke (v.), [<Fr.: attache], papierklem, paperclip [<Eng.], metalen klemmetje om papieren tijdelijk bij elkaar te houden.
attaque (v.), [<Fr.], beroerte, hartattaque, hartaanval.
autocar (m. en v.), [<Fr.], autobus, als openbaar vervoermiddel.
automekanieker (m.), automonteur.
autostopper (m.), [<Fr.: autostoppeur], lifter, iemand die zonder betaling meerijdt in een niet-openbaar vervoermiddel.
autostrade (v.), [<Fr.], autosnelweg.
autovoerder (m.), chauffeur, automobilist; autovoerster (v.).
autozoektocht (m.), (toeristische) autorally.
awel, nou; awel, verstade da nie, nou, begrijp je dat niet.

baancafé (o.) wegrestaurant, aan of bij een grote weg (baan) gelegen restaurant.
baaskesbier (m.), rondje van de zaak.
bakschieten, sjoelen, spel met lange bak (schietbak, sjoelbak) met aan het uiteinde vier vakjes waarin schuivend schijven moeten worden gemikt.
bandbreuk (v.), bandenpech, lekke band.
bankautomaat (m.), toestel bij een bank voor elektronisch geldverkeer met chipkaart.
bankkaart (v.), betaalpas.
bareel (m.), 1. spoorboom, slagboom, spoorwegovergang; 2. dranghek.
barema (o. en m.), [<Fr.: barème], loontabel, salarisschaal.
bassen 1. (bij honden) blaffen; 2. (bij mensen) snauwen.
batterij (v.), accu (van auto).
bavet (v.), [<Fr.], slabbetje (voor kinderen).
baxter (m.), infuus
bazaar (m.), [<Fr.: bazar], 1. warenhuis, grootwinkelbedrijf waar op verschillende afdelingen alle mogelijke artikelen worden verkocht; 2. rotzooi, troepo, rommel; 3. bordeel [<Fr.: bordel, hut], huis waarin ontucht als bedrijf wordt uitgeoefend.
bebbel (m.), mond: zijn bebbel houden, zijn mond houden.
bedeling (v.), bezorging (van kranten en poststukken).
bedorvenstront (m. en v.), verwend kind.
beenhouwer (m.), slager.
beenhouwerij (v.), slagerij.
bees (v.), bes (vrucht); bezensap, bessensap.
begoed, bemiddeld: bijv.: een begoede familie
begraving (v.), uitvaart, begrafenis.
bek (m.), [<Fr.: bec de gaz], pit van een gasfornuis.
bekanst, vrijwel, bijna.
beknibbelen, (op iemand of iets) vitten, bekritiseren, hekelen.
bekomen, (ver)krijgen, ontvangen, verwerven, bereiken