Hebt
u er geen goesting meer in en...
- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html
- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html
- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html
Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 02-07-2000

Van belommering tot commerce

belommering , zonwering, voorziening om zonnestralen en -warmte buiten te sluiten.
bemeubeld, gemeubileerd.
beroezen, zich bedrinken, dronken worden.
besluiter (m.), (sportterm), voetballer die veel doelpunten maakt.
bessemgeld (o.), drinkgeld, vindgeld, geld dat door de kuisvrouw (werkster) op de grond wordt gevonden.
bestemmeling (m.), geadresseerde, degene aan wie een brief of een pakje is gericht.
bestoefen, ophemelen, loven, (iemand) prijzne.
beterkoop, goedkoper.
betichte (m. en v.), verdachte, persoon die van een strafbaar feit wordt verdacht, beticht.
betoelaging (v.), subsidie, geldelijke ondersteuning door de overheid.
betrekkingen, geslachtsdaad, coïtus, met iemand betrekkingen hebben, met iemand naar bed gaan.
beuling (m.), bloedworst.
beurtrol (m.), toerbeurt, regelmatig wisselende beurt.
bevallingsverlof (v.), zwangerschapsverlof, verlof dat aan een vrouw in blijde verwachting wordt toegekend.
bevloering (v.), vloerbedekking; bevloering bedekt met vasttapijt, vaste vloerbedekking.
bevoordeligen, bevoordelen; ook: benadeligen en benadeliging.
bewaarmiddel (o.), conserveringsmiddel.
bibbergeld (o.), gevarengeld, toeslag op het loon voor gevaarlijk werk; uitdrukking ontstond in 1944 toen in de Tweede Wereldoorlog de V-bommen op Antwerpen vielen en met name de havenarbeiders die aan het werk bleven "bibbergeld" kregen.
bic (m.), [<Fr.], pen (om mee te schrijven).
bie (v.) bij; ook: bijdehand kind.
bieding (v.), offerte.
bierbak (m.), bierkrat, krat voor bierflesjes.
bierkaartje (o.), bierviltje, viltpapieren onderlegger voor bierglazen.
biersteker (m.), bierhandelaar, bierbrouwer, iemand die bier brouwt of laat brouwen om het te verkopen.
bierwinkel (m.), café.
bietekwiet (m. en v.), iemand die opvalt door kleding of raar gedrag.
bieterke (m.), kindertandje; ons boeleke krijgt zijn bieterkes door, onze kleine krijgt zijn eerste tandjes.
bijbehorigheden (mv.), accessoires (van een auto).
bijhalen, inhalen.
bijsteken, aanvullen; een tandje bijsteken, (wielersportterm), in een hogere versnelling gaan rijden.
bijzichtig, bijziend.
bilan (m. en o.), [<Fr.], balans; de bilan opmaken, de balans opmaken.
binnenbreken, inbreken.
binnenbrengen, inleveren.
binnenrijven, een overwinning behalen, iets in zijn bezit krijgen.
binnensturen, inzenden.
bissen, [<Fr.: bisser], doubleren, blijven zitten.
blaar (v.), 1. roddelaarster, een vrouw die veel praatjes heeft; 2. een lichtzinnige vrouw.
blaffetuur (v.), vensterluik, luik voor een venster.
blanche, witbier.
blauwbiccen, met balpen blauw maken.
blèten (ook: bleiten), huilen, bleren, schreien.
bleu (m.), [<Fr.], onervaren persoon, eerstejaarsstudent.
blinken, poetsen (met name van schoenen)
bloemsuiker (m.), poedersuiker.
blokletteren, in grote koppen in de krant staan.
bluts (v.), deuk (bijvoorbeeld in een auto); de bluts met de buil nemen, iets voordeligs tegen iets nadeligs laten opwegen.
boeffen, [<Fr.: bouffer], vreten, veel en gulzig eten, (zich) volproppen.
boeleke (m. en v.), baby, klein kind.
boffen, opscheppen, bluffen, snoeven.
boite (v.), [<Fr.], 1. versnellingsbak (van een auto); 2. een leuke tent.
boke (v.), (kindertaal), boterhammetje, snee brood.
bolleke (o.), een bolvormig glas gevuld met De Koninck-bier.
bolwassing (v.), standje, uitbrander.
bonmama (ook: bomma) (v.), grootmoeder, oma.
bonpapa (ook: bompa) (m.), grootvader, opa.
bonus (o.), [<Fr.], gratificatie.
boordplank (v.), dashboard (van een auto).
boordsteen (m.), stoepband, hardstenen rand die langs een stoep wordt gelegd.
borstel (m.), penseel, (verf)kwast; er met de grove borstel ingaan, ruw te werk gaan.
borstelen, schilderen (figuurlijk: hij borstelt een breed panorama).
bot (m. en v.), [<Fr.: botte], laars; mijn botten, nou?; kus m'n botten, geen sprake van, iets of iemand van kus m'n botten, van lik m'n vestje.
botermelk (v.), karnemelk.
botsen, stuiten, het terugspringen van een bal.
botsmuts (m.), valhelm, helm die een motorrijder bij een val moet beschermen tegen hersenletsel.
bougie (v.), [<Fr.], 1. kaars; 2. ontstekingsmechanisme bij auto.
bouwpromotor (m.), projectontwikkelaar.
brandkoffer (v.), brandkast, stalen brandvrije kast met speciaal slot voor het opbergen van geld en waardepapieren.
brandraam (o.), glas-in-loodraam.
brevet (o.), diploma.
briefdrager (m.), postbode, iemand die brieve bestelt, rondbrengt; syn.: facteur, postman.
briefomslag (m. en o.), enveloppe.
briefwisseling (v.), correspondentie.
brieventas (v.), portefeuille, (meestal leren) mapje voor het opbergen van waardepapieren en geld.
brigadier (m.), [<Fr.], opzichter, persoon die de leiding heeft over een groep arbeiders.
brik (m.), [<Fr.: brique], klinker, baksteen.
brilmarchant (m.), opticiën; ook: optieker.
brocanteur (m.), [<Fr.], handelaar in antiek en curiosa.
broebelen, onduidelijk spreken, wartaal uitslaan, brabbelen.
broodkaart (m.), echtgenoot, degene die het "brood' verdient.
brossen, spijbelen (van school).
brosser (m.), spijbelaar.
brugagent (m.), brugwachter.
bruggepensioneerde (m.), vutter, werknemer die gebruik heeft gemaakt van de VUT-regeling en vervroegd met pensioen is gegaan.
bruis, frisdrank met prik (koolzuur), bijv.: Spa bruis, Spa rood.
building (m.), [<Eng.], hoog gebouw, torenflat.
buitenwipper (m.), uitsmijter, iemand die aangesteld is om rumoerige of ongewenste gasten uit een café, discotheek en dergelijke te verwijderen.
buldermuur (m.), geluidswal, afscherming om het verkeerslawaai, de geluidshinder tegen te gaan.
bureel (o), 1. schrijftafel met laden, bureau; 2. vertrek, kamer, waarin administratief werk wordt gedaan; 3. gebouw, waar de administratie van een bedrijf wordt gevoerd, kantoor.
BV, een beroemde Vlaming.


cabienne (o.), 1. telefooncel; 2. seinhuisje; 3. kleedhokje.
caleçon (m.), [<Fr.], legging.
camion (kamion) (m.), [<Fr.], vrachtwagen.
camionette (m.), bestelwagen.
camioneur (m.), [<Fr.], vrachtwagenchauffeur.
catalogeren, catalogiseren.
categoriek, krachtig, formeel, bijv.: ik ontken categoriek.
ceintuur (v.), [<Fr.], riem, gordel, ook: veiligheidsgordel voor de inzittenden van een auto.
celwagen (m.), arrestantenbus.
cervela, cervelaatworst.
champetter (m.), [<Fr.: garde champêtre], 1. veldwachter, 2. bazige vrouw.
chapelure (v.), paneermeel, broodkruim.
chappe (m.), [<Fr.: chape], cementspecie voor het afwerken van vloeren.
charcuterie (v.), [<Fr.], 1. fijne vleeswaren, broodbeleg; 2. delicatessenafdeling of -zaak, afdeling of zaak waar fijne vleeswaren verkocht worden.
chauffage (v.), [<Fr.}, verwarmingsinstallatie, centrale verwarming.
chichi-madammeke (v.), een bekakte mevrouw, een kakmadam.
chinese inkt (m.), oost-indische inkt.
choucroute (v.), [<Fr.], zuurkool.
claxon (m.), autotoeter.
clever, [<Eng.], slim.
codenummer (o.), pincode.
coiffeur (m.), [<Fr.], kapper, coiffeursalon, kapperszaak.
colère (v.), [<Fr.], woede; in een Franse colère uitbarsten, woedend zijn.
colle (m.), [<Fr.], lijm.
commerçant (m.), [<Fr.], zakenman, handelaar.
commerce (m.), [<Fr.], 1. handel; 2. winkel, bedrijf.