Het Klein Woordenboek der Vlaamse Taal

Hebt u er geen goesting meer in en...

- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html

- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html

- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html

Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 05-07-2000


Van frigoboxtoerisme tot kakdoek

frigoboxtoerisme (o.), toeristen die hun eigen koelbox met eten en drinken bij zich hebben en dus weinig spenderen (smalend gebruikt).

frikandellen (m.), gebraden gehakt, een gebraden bal, gemaakt van een mengsel van gehakt vlees, peper, zout, eigeel en broodkruim.

frikandon (m.), gehaktbal.

frisko (m.), chocolade-ijsje op een stokje, ijsje voorzien van een dun laagje chocolade.

frit (v.), [<Fr.: pommes frites], patat, in vet of olie gebakken in reepjes gesneden aardappel.

fritkot (o.), patatkraam.

frituur (v.), snackbar voor patat, fritkot.

frou-frou, pony (haarstijl).

fruitkorf (m.), fruitmand.

fruitsap (o.), [<Fr.: jus de fruits), vruchtensap.

frut (o.), hoofdkaas.

gaanpad (o.), stoep, trottoir, geplaveide verhoging langs de voorgevels van de huizen in een straat.

gans, heel, geheel; gans de wereld, de hele wereld.

garagist (m.), [<Fr.], garagehouder, (benzine)pomphouder.

garçon (m.), [<Fr.], ober.

gasthuis (o.), hospitaal, ziekenhuis.

gazet (v.), dagblad, krant: de Gazet van Antwerpen.

geaccidenteerd, door aanrijding beschadigde (auto); ook: slecht berijdbaar (van een weg).

gebrevetteerd, gediplomeerd.

gebuur (m. en v.), buurman, -vrouw.

geclasseerd, beschermd; bijv. een geclasseerd monument.

gedrum (o.), drukte, gedrang.

geestigaard (m.), grapjas, humorist.

geire, graag: ik zie u geire, ik hou van jou.

geit, auto van het merk Citroen 2-CV, Lelijke Eend.

gelasten, bevelen.

geld trekken, geld innen.

geldbeugel (m.), portemonnee.

geldplaatsing (v.), geldbelegging.

gelei (m. en v.), jam.

geleid bezoek (o.), rondleiding.

geleider (m.), conducteur of bestuurder (van een tram of bus).

gelijkvloers (o.), benedenverdieping.

gemak (o.), toilet, wc.

generalist (m.), [<Fr. (médecin) généraliste], huisarts.

genoffel (v.), anjer.

gepak (o.), bagage.

geraaktheid (v.), beroerte.

gerolde sigaret (v.), shag: ik smoor liever gerolde sigaretten, ik rook liever shag.

gesofisticeerd, geavanceerd; bijv. hij werkt met een gesofisticeerde computer.

getrouwheidskaart (m. en v.), klantenkaart.

gilet (o.), vest (zonder mouwen).

gilettemesje (o.), scheermesje.

glacé (m.), tompoes, een met een glanzend suikerlaagje overdekt roomgebakje van bladerdeeg.

go-cart (m.), [<Eng.], skelter.

goesting (v.), smaak, zin, trek, lust, begeerte: hij heeft een broek vol goesting, hij is geil.

golf (o.), vest (met mouwen).

grasplein (o.), gazon, grasveld in een tuin of park.

gravelplein (o.), tennisbaan.

grofke (v.), bruinbrood.

grosse caisse (v.), [<Fr.], grote trom, bijv: hij speelt de grosse caisse in de fanfare.

grossist (m.), groothandelaar.

gubbelen, braken, overgeven.

gummi, rubber; bijv. een gummibal.

gunstmaatregel (m.), gratie.

gunstprijs (v.), spotprijsje.

haarzak (m.), valsspeler, knoeier, syn.: aaszak.

hagelbol (m.), hagelsteen.

halfmouke (v.), kleed (jurk) met korte mouwen.

halfopenbebouwing, twee-onder-een-kap-woning; syn.: koppelwoning.

handje (v.), Antwerps handje, koekje in korstdeeg en amandelschilfers of chocolade in de vorm van een hand, symbool van Antwerpen (hand werpen).

handteken (v.), handtekening.

hanger (m.), pot verf, die door een schilder met een haak aan de ladder is gehangen.

heenwedstrijd (m.), uitwedstrijd, wedstrijd die een club moet spelen op het plein (veld) van de tegenstander.

heps (v.), ham (hesp).

herkansing (v.), herexamen.

herkuul (m.), krachtpatser, een heel grote man.

herleiden, verminderen, beperken.

herpakken, beter worden, herstellen (van een ziekte), moed vatten, van de schrik bekomen, ten goede keren.

hersteldienst (m.), serviceafdeling.

herstelling (v.), reparatie.

heruitzending (v.), herhaling van radio- of tv-programma, syn.: wederuitzending.

historiek (m.), [<Fr. historique], geschiedenis, verloop.

hoederecht (o.), voogdijschap.

hof (m.), tuin.

hold-up [<Eng.], overval.

hoogdringendheid, met de grootste spoed.

hospitaliseren, in een ziekenhuis opnemen.

huisgerief (o.), huisraad.

huissier (m.), [<Fr.], deurwaarder, ambtenaar bij het gerecht, belast met de dienst bij de zittingen en met het doen van gerechtelijke aanzeggingen.

hukken, hurken, met gebogen knieën gaan zitten, zodat het achterste op de hielen rust zonder de grond te raken; op zijn hukken zitten.

hutsekluts (m.), rommeltje, bende, warboel, mengelmoes.

ieverans, ergens, op een niet nader aangegeven plaats.

ijsgang (m.), ijzel; er is vandaag ijsgang, het geeft geijzeld.

ijskreem (v.), [<Eng.], roomijs

ijzeren weg (m.), [<Fr. chemin de fer], spoorweg, trein.

ijzerendraadmuziek (v.), gitaarmuziek; aan den ijzeren draad trekken, gitaarspelen.

ikzucht (v.), egoïsme, zelfzucht.

immobiliën, [<Fr. immobiliers], onroerend goed; immobiliën Wuyts, makelaarskantoor Wuyts.

impermeabel (m.), regenjas.

inciviek (m.), politiek crimineel, collaborateur.

indoen, (spullen) inkopen, inslaan.

ineensteken, in elkaar zetten.

infirmière (v.), [<Fr.], verpleegster.

ingangsdeur (m.), voordeur.

inkom (m.), 1. entree; gratis inkom, vrij entree; 2. toegangsprijs; 3. hal of gang van een huis; 4. ingang, plaats waar men binnenkomt.

inpekelen, inpeperen; syn. afborstelen.

inslapen, inwonen; mogelijkheid tot inslapen, eventueel inwonend.

intrest (m.), [<Fr.], rente.

invoerder (m.), importeur.

inzitten, om (iets of iemand) geven; bijv. ik zit met haar veel in.

isoleerfles (v.), thermosfles, fles met dubbele wand die gebruikt wordt om dranken warm of koel te houden.

jat (v.), 1. kopje; een jat koffie, een kopje koffie; 2. kommetje.

jeannet, verwijfde homofiel.

jeansvest (o.), spijkerjack.

jerommeke, een sterke, uit de kluiten gewassen man.

jeugdig, sappig; bijv. jeugdig vlees.

jeune premier (m.), mooie jongen.

job (m.), [<Eng.], baan, functie.

jobstudent (m.), werkstudent, student die naast zijn studie betaald werk verricht.

jongedochter (v.), vaak: oude jongedochter, ongetrouwde vrouw, oude vrijster.

jonkman (m.), vaak: oude jonkman, vrijgezel, ongetrouwde man.

juge (m.), rechter.

jutekako (m. en v.), schommel, syn.: biezebezze, sturel, touter.

kaarsroet (o.), kaarsvet.

kaarting (v.), kaartwedstrijd: worstenkaarting, kaartwedstrijd waarbij de eerste prijs een worst is.

kaaskop (m.), scheldnaam voor een Hollander.

kaberdoes (v.), donker louche café, ontuchthuisje, bordeel.

kableur (m.), kabellegger.

kader (o. en m.), [<Fr.: cadre], foto- en schilderijlijst.

kakdoek (m.), luier (voor een baby).