Het Klein Woordenboek der Vlaamse Taal

Hebt u er geen goesting meer in en...

- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html

- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html

- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html

Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 13-07-2000


Van regent tot toograam

regent (m.), leraar bij lager middelbaar onderwijs.

reiskaartje (o.), treinkaartje.

rekker (m.), elastiekje.

remonteren, (sportterm), op gelijke hoogte komen, een achterstand inhalen, (iemand) passeren; in de sprint werd hij geremonteerd.

resem (m.), reeks.

reservatie (v.), [<Fr.], reservering, bespreking van een tafel in een restaurant, een hotelkamer, een schouwburgkaartje.

residentie (v.), [<Fr.], een luxueus flatgebouw.

residentieel, bestemd voor de duurdere woningbouw, een residentiële wijk, een dure woonbuurt.

reuze kwakkel (m. en v.), grote onzin, onzinnige praat, leugen.

richel (v.), vensterbank.

rijf (v.), hark, tuingereedschap.

rijkswacht (v.), gendarmerie, rijkspolitie.

rodekoorts (v.), roodvonk (als ziekte).

roepzaal (m. en v.), veilinghuis.

rondbrieven, rondbazuinen, doorvertellen.

rondpunt (o.), verkeersplein, rotonde; syn.: rondplein, verkeerswisselaar.

roodlicht (o.), verkeerslicht, stoplicht.

root (v.), [<Fr.], rij.

ruitenveger (m.), ruitenwisser (van een auto).

rustgeld (o.), pensioen.

sacoche (v.), [<Fr.], handtas, damestasje.

salue, [<Fr.], de groeten, daag!

sargie (v.), [<Fr.: sarge, serge], (wollen) deken.

schammeteur (m.), 1. goochelaar; 2. dief, zakkenroller.

schaverdijen, schaatsen.

schel (v.), plak(je); een schelletje hesp, een plakje ham.

schenkbank (v.), bar, tapkist in een café.

schenkbord (o.), dienblad.

schepen (m.), wethouder.

scherper (m.), puntenslijper.

scheurmand (v.), prullenbak, papiermand.

schoon, knap, mooi; een schoon madam, een mooie vrouw.

schotelvod (v.), 1. vaatdoek; 2. scheldwoord voor een sufferd en voor een lichtzinnige vrouw.

schouwing (v.), keuring; bijv. autoschouwing, jaarlijkse controle van de auto.

schrijfboek (o.), schoolschrift.

schuif (v.), la van een kist of een bureau.

schuifaf (m.), glijbaan voor kinderen in een speeltuin.

schuimwijn (m.), mousserende wijn.

sector (m.), afdeling.

securityploeg (m.), bewakingsdienst.

seffens, onmiddellijk, nu meteen, direct; ook: straks, zo dadelijk.

sensibiliseren, de belangstelling van mensen opwekken; bijv.: een sensibiliteitscampagne.

sidecar (v. en m.), zijspan (van een motor).

sinksen, Pinksteren.

sjassen, doorspoelen van de wc.

sjot (m.), trap, bijv: iemand een sjot tegen zijn poep (kont) geven.

sjotten, [<Eng.: to shot], voetballen, tegen een bal trappen, schieten, schoppen.

slaapkleed (v.), nachthemd, nachtjapon.

slazwierder (v.), slacentrifuge.

slidderen, glijden (op een ijsbaan).

sloef (m.), 1. gymschoen, sportschoen; 2. tennissloefen, tennisschoenen; 3. pantoffel.

slotvast, op slot.

sluikstort (v.), clandestiene vuilnisbelt.

sluikstorten, clandestien afval storten.

smikkelen, (ergens van) genieten.

smoren, (een sigaret, sigaar, pijp etc.) roken.

smos (o.), broodje belegd met sla, tomaat, ham of kaas.

smossen, knoeien bij het eten, kliederen, morsen.

smoutebol (m.), oliebol, in olie of vet gebakken bolvormige lekkernij.

snel, knap, mooi: een snel meisje, een mooi meisje.

snelboot (m. en v.), motorboot.

snelkoker (m.), snelkookpan.

snotvalling (v.), neusverkoudheid.

soepmixer (m.), staafmixer.

solden (v.), [<Fr. solde], uitverkoop, verkoop van restanten tegen een verlaagde prijs.

soquet (m.), lamphouder; fitting van een lamp.

soupape (v.), [<Fr.], ventiel (van bijvoorbeeld een fietsband).

soutien (m.), [<Fr.], bh, bustehouder.

spaarkas (v.), spaarbank [<Fr. caisse d'épargne].

speakerin (v.), [<Fr.: speakerine], omroepster bij televisie en radio.

speen (o.), aambei.

spijshuis (o.), restaurantje.

sponshanddoek (m.), badhanddoek.

sprietje (m.), (ook: strootje), rietje (om te drinken).

staminee (v.), (ook: stamenee), kroeg, café; op staminee gaan, naar de kroeg gaan, gaan stappen; [<Fr. estaminet, van stamon (paal, stam), dus oorspronkelijk een zaal met een door palen gestut dak, een "stamlokaal".

stamp (m.), 1. trap, schop; een stamp onder de broek krijgen, een schop onder je kont krijgen; 2. duw, klap, stoot, stomp.

standlicht (o.), stadslicht (van een auto).

statie (v.), spoorwegstation.

stationeerverbod (o.), parkeerverbod, verbod om een voertuig op een bepaalde plaats langer te laten staan dan nodig is voor uit- en/of instappen.

steekkaart (v.), fiche.

steenzweer (v.), steenpuist.

stekje (o.), lucifer.

stempelgeld (o.), ww-uitkering.

stiel (m.), vak, beroep, baan.

stielkennis (v.), vakkennis.

stielman (v.), vakman.

stielvaardig, vakbekwaam, vakkundig.

stockageruimte (m.), magazijnruimte, opslagruimte.

stockeren, [<Fr.: stocker, oorspronkelijk Eng.: stock], opslaan.

stoefen, pronken, pralen, opscheffen.

stoefer (m.), opschepper.

stoof (v.), kachel.

store (v.), gordijn.

studentin (v.), meisjesstudent.

stylo (m.), balpen, syn.: kogelschrijver, bic.

subiet, meteen.

syndicaal, van de vakbond; een syndicale premie, een premie die door de vakbond betaald wordt; syndicaal verlof, vakantie welke door de vakbond is afgedwongen.

syndicaat (o.), [<Fr.], vakbond, vakvereniging.

tandist (m.), [<Fr. dentiste], tandarts.

tapisseren, [<Fr.: tapisser], stofferen, behangen.

tapissier (m.), [<Fr.], platform op vliegveld.

tas (v.), [<Fr. tasse], kopje; een tas koffie, een kopje koffie.

taxen, belastingen, heffingen.

teerfeest (o.), jaarlijks feest van een sportvereniging.

tegengoesting (v.), afkeer, tegenzin.

teleferiek (m.), [<Fr.: téléférique], 1. stoeltjeslift; 2. kabelbaan.

televisietaks (m. en o.), kijkgeld.

teljoor (v.), (ook: telloor, talloor, taljoor), [<Fr.: tailloir], bord, onderdeel van een servies.

tember (m.), (ook: timber), [<Fr. timbre], postzegel.

tennisplein (o.), tennisbaan.

tennisraket (o.), tennisracket.

terugnameprijs (m.), inruilwaarde (van een auto).

terugwedstrijd (m.), thuiswedstrijd, wedstrijd die een club op eigen veld moet spelen.

texasbroek (v.), jeans, spijkerbroek.

tirette (v.), ritssluiting.

toelaten, in staat stellen.

toelating (v.), goedkeuring, vergunning.

toer (m.), rondje; een toerke maken, een rondje lopen.

toernavis (m.), [<Fr.], schroevendraaier.

toernée (m.), rondje, het aanbieden van een drankje in een café; een toernée generale, een rondje voor de hele zaak.

toespijs (v.), broodbeleg, met name charcuterie, (fijne) vleeswaren of kaas.

tolhuis (o.), douanekantoor.

toog (m.), bar in een café.

toogbediende (m.), barman.

toogganger (m.), cafébezoeker.

toograam (v.), etalage; syn.: uitstalraam.