Hebt
u er geen goesting meer in en...
- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html
- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html
- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html
Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 14-07-2000

Van trafiek tot zwikzwak

trafiek (v.), [<Fr.: traffic], verkeer, drukte, bijv.: er is veel trafiek vandaag.
training (v.), trainingspak.
trakteren, een rondje geven in een café.
trapzaal (v.), trappenhuis.
triporteur (m.), [<Fr.], bakfiets.
troep (m.), leger, hij is in de troep, hij zit in dienst.
trottinette (v.), [<Fr.], step (kinderspeelgoed)
trouwkleed (o.), bruidsjapon, trouwjurk.
tube (m.), fietsband.
tuingerief (o.), tuingereedschap.
tut (m), (fop)speen, ook: tutter
tweezak (m.), dubbelhartig persoon.

uit de lucht vallen, verbaasd staan.
uitbater (m.), exploitant van een café (of zaak), iemand die tegen een bepaald bedrag of op provisiebasis voor rekening van een ander een zaak beheert.
uitstalraam (o.), etalage, syn.: toogvenster.
uitwijken, emigreren, uitwijkeling (m.), emigrant, inwijkeling (m.), immigrant.
uurrooster (m.), dienstregeling, lesrooster, dienstrooster.


valabel [<Fr.], vakkundig, ervaren, verdienstelijk, waardevol; een valabele medewerker.
valavond (m.), zonsondergang, het vallen van de avond.
valies (v.), (reis)koffer.
valling (v.), verkoudheid; een valling pakken, kou vatten.
valschermspringer (m.), parachutist.
vaneigens, vanzelfsprekend.
vedet (m.), ster, beroemd persoon; de vedet zijn, in het middelpunt van de belangstelling staan.
verbeteringshuis (o.), tuchtschool.
verdiep (o.), etage.
verkaveling (v.), een in delen opgedeeld stuk grond dat bouwrijp is.
verkavelingsvlaams (o.), Vlaams woord voor het slechte Nederlands van een Vlaming.
verkeerswisselaar (m.), rotonde, verkeersplein, syn.: rondpunt, rondplein.
verlof (o.), vakantie.
verplaatsingskosten (mv.), reiskosten.
verschonen, (zich) verontschuldigen, (iets) goed praten.
verstade, begrijp je (het)?
verteer (o.), dat wat men in een café of restaurant gedronken en/of gegeten heeft.
vervoegen, zich voegen bij; bijv: hij vervoegt het gezelschap, hij voegt zich biij het gezelschap; hij vervoegt de tafel, hij gaat mee aan tafel zitten.
verwittigen, (iemand) waarschuwen.
verwittigingsschot (o.), waarschuwingsschot.
vierentwintig uur op vierentwintig, vierentwintig uur per dag.
vijs (v.), schroef; de vijzen aanspannen, de schroeven aandraaien.
vijzen, schroeven; iemand goed aanvijzen; iemand een lesje leren.
vilbeluik (o.), slachthuis.
vislijn (v.), (vis)hengel.
vliegenraam (o.), hor.
vloerder (m.), tegellegger.
vloerkes, pistoletjes, broodjes op een speciaal soort vloer gebakken.
vluchtschot (o.), (sportterm), volley, bal die geraakt wordt voordat hij de grond geraakt heeft.
voetbalplein (o.), voetbalveld.
voettitel (m.), ondertiteling (bij film), onderschrift (bij foto).
voettram (m.), de voettram pakken, lopen.
vogelen, geslachtsgemeenschap hebben.
vogelenmarkt, zeer bekende markt in Antwerpen, die door Nederlanders totaal onjuist (of uit geremdheid) vogeltjesmarkt wordt genoemd.
vogelpik, darts, een spel waarbij pijltjes naar een roos gegooid worden.
voila, zie hier.
voltapijt (o.), kamerbrede vaste vloerbedekking.
voorbehouden, gereserveerd.
voorbijsteken, inhalen (bijvoorbeeld van auto's).
voorzien, bepalen, stipuleren.
vouwmeter (m.), duimstok.
vuilbak (m.), vuilnisbak, afvalemmer.
vuurpijl (m.), lichtkogel.

wallebakken, op stap gaan, aan de zwier gaan, feesten.
wandelradio (m.), draagbare radio.
wapendracht (v.), wapenbezit.
warenhuis (o.), kas, serre.
wasspeld (v.), wasknijper.
watergladheid, aquaplaning [<Eng.], het slippen van een auto doordat zich een laagje water heeft gevormd tussen de banden en het wegdek.
watersteen (m.), aanrecht, wandtafel in de keuken met een of meer gootstenen.
waterzooi (v.), Vlaams streekgerecht met kruiden en vis of kip (Gentse waterzooi).
wattman (m.), trambestuurder.
wedde (v.), salaris, honorarium, loon.
wedersamenstelling (v.), reconstructie (van een ongeluk, misdaad).
wederuitzending (v.), herhaling van radio- of tv-programma, syn.: heruitzending.
weekdaags, doordeweeks.
weeral, alweer.
weerbots (m.), terugslag, reactie: de weerbots van iets krijgen, ergens de dupe van zijn.
weerstand (m.), het verzet, de illegaliteit; weerstander, verzetsstrijder.
wegel (m.), paadje.
wegenis (v.), wegennet, de gezamenlijke wegen die een land of landstreek doorsnijden; wegeniswerken, wegwerkzaamheden.
welk, wat (zegt u?)
wentelwiek (m. en v.), helicopter.
weps (v.), wesp.
werf (v.), bouwterrein.
werkhuis (o.), atelier (van een kunstenaar).
werkonbekwaam, ziek.
wiek (v.), lont van een kaars.
wijsheidstand (m.), verstandskies.
windpokken, waterpokken.
wipplank (v.), duikplank.
wipzaagmachien (v.), decoupeerzaag, mechanische zaag voor het uitzagen van vormen.
wisselagent (m.), makelaar in effecten, iemand die op een wisselkantoor (bank) werkt.
wittekaas (m.), kwark; syn.: plattekaas.
witteke, jenever.

zagen, zeuren, zanikken, langdurig over hetzelfde onderwerp blijven praten.
zakencijfer (o.), [<Fr.: chiffre d'affaires], omzet, omzetcijfers.
zeker en vast, vast en zeker.
zelfklever (m.), sticker, zelfklevend papiertje.
zenne, hoor; schreeuw niet zo hard, ik begrijp u wel, zenne, ik versta u wel, hoor.
zetel (m.), stoel, fauteuil.
zeveren, kletsen, onzin uitkramen, zanikken.
zichtbaarheid, het zicht.
ziek vallen, ziek worden.
ziekenkas (v.), ziekenfonds.
zienlijk, met open ogen.
zitpenning (m.), presentiegeld.
zondag na de middag, zondagmiddag.
zonneklopper (m.), zonnebader, zonaanbidder.
zonneslag (m.), [<Fr. coup de soleil], zonnesteek.
zot, gek, dwaas; iemand voor den zot houden, iemand voor de gek houden.
zotteklap (m.), grote onzin, onzinnige praat, leugen.
zuigelingenraadpleging (v.), consultatiebureau (voor baby's).
zulle, zie zenne.
zwaantje (o.), motoragent (bij de Rijkswacht).
zwemkom, zwembad, syn.: zwemdok.
zwiermolen (m.), zweefmolen, kermisattractie.
zwikzwak (m.), een lange magere slungel.