Eind vorig jaar verscheen De Informatiemarkt, een boek over de zakelijke
mogelijkheden van Internet. De Informatiemarkt biedt een nieuwe kijk
op
de ontwikkeling van de elektronische snelweg. Met de metafoor van de
Informatiemarkt geeft de auteur, Jan Prins, aan dat het in de digitale
wereld om meer draait dan elektronische snelwegen alleen.
Prins betoogt dat het bij de beschouwing van het fenomeen Internet niet
zozeer draait om de snelheid, maar om de communicatie en de uitwisseling
van informatie. Informatie is volgens hem zowel het product als het
smeer- en productiemiddel van steeds meer organisaties en bedrijven.
Zoals bij vele nieuwe verschijnselen ontbreekt het ook bij het medium
Internet nog aan sluitende business-modellen. ‘Met name managers staan
daarom vaak nog huiverachtig tegenover het gebruik van Internet ter
verbetering van de bedrijfsvoering’, aldus Prins. ‘Niet geheel
verwonderlijk want de wereld van Internet is snel en de waarheden van
vandaag kunnen morgen al weer zijn achterhaald.’ De ontwikkelingen
van
Internet zijn dan ook nog allesbehalve uitgekristalliseerd. Veel
beslissers gebruiken de problemen van Internet en het feit dat er nog
weinig keiharde winstmakers zijn als een excuus om het medium nog niet
al ter serieus te nemen. ‘Een misvatting’, meent Prins. ‘Het gaat er
juist om in te spelen op de kansen die het medium nu al biedt.’
Makkelijk is dit echter niet. ‘Hoewel Internet in feite al meer dan
twintig jaar oud is, biedt het als platform voor de uitwisseling van
informatie mogelijkheden waar we tot nu toe alleen nog maar van konden
dromen. Adequaat inspelen op deze nieuwe mogelijkheden heeft vaak impact
op de organisatie van de werkprocessen. Dit is nodig om in de nieuwe
situatie goed in te kunnen spelen op de rechtstreekse interactie met
klanten en afnemers.’, aldus Prins. Hij stelt dat de kritische
succesfactor niet het medium is met al zijn beperkingen, maar de
organisatie zèlf. In zijn boek probeert Prins daarom juist die
beslissers en managers die worstelen met de vraag wat ze met Internet
aan moeten de helpende hand te reiken. Het boek bevat tal van
aanknopingspunten voor een gerichte inzet van het medium Internet met
als doelstelling kostenvoordelen te verkrijgen of een betere kwaliteit
van de dienstverlening.
In de Informatiemarkt bespreekt Prins zowel de techniek als billing
en
business concepten. Bijvoorbeeld over reclame op Internet waar het
kosten-per-klik model het traditionele kosten-per-contact gaat
vervangen. Dit heeft als gevolg dat de ‘banner net zo lang blijft staan
totdat er een vooraf afgesproken aantal doorklikmomenten is geweest.
Geknoei met de cijfertjes is nu veel moeilijker omdat de aanbieder
en
afnemer van advertentieruimte elk hun eigen statistieken hebben en
die
naast elkaar kunnen leggen.’ Ook bespreekt Prins de Internet-varianten
van de zogenaamde advertorials en informercials die hij
een grote
toekomst voorspelt, maar toch bestempeld als ‘oude wijn in nieuwe
zakken’ omdat ze nog steeds uitgaan van het aloude distributiemodel.
Daartegenover stelt Prins zijn op interactie gebaseerde
informatieplanningsmodel, dat hij echter vooral kansen toedicht in
marketing-communicatie toepassingen (pagina 151 e.v.).
Een informatiemarkt kan niet zonder neteconomie en Prins besteedt hier
dan ook ruim aandacht aan. ‘In economische zin kan toegevoegde waarde
op
twee manieren ontstaan: door besparingen (hetzelfde product tegen lagere
kosten) of innovatie (meer of betere producten tegen gelijke kosten).’
Hij laat door middel van eenvoudige voorbeelden zien hoe forse
besparingen mogelijk zijn door over te stappen op electronic publishing.
‘Voor een gewoon (vierkleuren) magazine kunnen de kosten die gepaard
gaan met het drukken en het distribueren van de content wel oplopen
tot
zo’n 70% van de totale productiekosten’, denkt Prins. Hoewel daar bij
elektronische publicaties wel andere kosten tegenover staan, zijn deze
substantieel lager en vormt het verschil - dat hij inschat op zo’n
50% -
de speelruimte voor het starten van een virtueel magazine op commerciële
basis. ‘Maar dan hebben we het niet meer over besparen, maar over
verdienen’, stelt Prins. Onder het kopje ‘Online verdienen’ op pagina
171 beschrijft hij hoe het businessmodel van de krant van de toekomst
eruit ziet wanneer artikelen niet meer per honderden per dag, maar
per
stuk of per interessegebied worden verkocht.
‘Neem als voorbeeld weer een gewone krant met een winkelprijs van twee
gulden, stel dat daar ongeveer 100 berichten of artikelen in staan
en
dat de gemiddelde lezer daarvan ongeveer zo’n 30% daadwerkelijk leest
of
althans interessant genoeg vindt om eraan te beginnen. Bedenk verder
dat
de kosten die gemoeid zijn met het produceren van alle in de krant
opgenomen informatie maximaal 60 cent per krant bedragen. De rest is
bestemd voor papier-, druk- en bezorgkosten. Kosten die niet bestaan
bij
online artikelen, maar ter compensatie daarvan is extra reken- en
communicatiekracht nodig. Deze zijn veel lager dan de kosten die behoren
bij een papieren uitgave, maar neem 40 cent. Stel nu dat het mogelijk
is
om gemiddeld 30 artikelen per dag per lezer daadwerkelijk te verkopen,
de speelruimte hiervoor is een gulden. Verkoopt men de artikelen per
stuk dan mag de verkoopprijs van zo’n artikel niet veel hoger liggen
dan
vijf cent. Hier moeten we de transactiekosten nog vanaf trekken. Wil
onze online nieuwsvoorziening een rendabele activiteit zijn, dan moeten
deze dus lager zijn dan een cent per artikel. Ter vergelijking: de
kostprijs van een online transactie bij PIN-betalingen ligt in de buurt
van een kwartje. Het voorgestelde billingmodel lijkt dus volstrekt
onhaalbaar. De intrede van het digitale equivalent van muntgeld zal
dit
echter veranderen.’
Het is dus nog niet zover, maar gaat electronic publishing pas echt
doorbreken als veilige betalingen zijn geregeld? Prins: ‘Het gaat vooral
om de hoogte van de transactiekosten, die is doorslaggevend. Als je
Internet beschouwt als een informatiemarkt in plaats van als een
speeltje voor nerds, dan is de conclusie dat de toetredingsdrempels
van
deze markt laag zijn en de transactiekosten tot een minimum kunnen
dalen, snel getrokken.’ Voor veel gevestigde bedrijven en instanties
kan
dat een enorme bedreiging betekenen. Juist dat laatste is belangrijk,
stelt Prins: ‘Het gaat er niet om wat het is, maar om wat het betekent.
Het is deze vertaalslag die ik heb geprobeerd te maken in mijn boek.’
In het laatste hoofdstuk van het boek duikt Prins ook weer een beetje
in
de techniek, al houdt hij ook hier weer de nodige afstand en beperkt
hij
zich tot de essentie. Zo beschrijft hij onder het kopje ‘Informatie
op
maat’ op pagina 193 het succesverhaal van Pointcast.
‘Het is opvallend dat één van de zeker in de bedrijfsomgevingen
meest
succesvolle toepassingen van Internet meer weg heeft van een
televisieprogramma dan van een computerapplicatie. Het enige
interactieve element van bijvoorbeeld de online nieuwsvoorziening
Pointcast is de mogelijkheid vooraf een aantal interessegebieden op
te
geven. Op gezette tijden zoekt de client (die als een soort screen
saver
functioneert) contact met de server om het recente nieuws (en reclames)
op te halen. Hiermee lijkt Pointcast wel wat op de nieuwszender CNN,
die
immers ook 24 uur per dag een continue stroom van informatie produceert.
Essentieel is dat de informatie (of het nieuws) niet zoals gangbaar
is
op Internet ergens beschikbaar wordt gesteld, maar dat deze automatisch
wordt verstuurd. Push in plaats van het op Internet gangbare
pull dus.
Het juist daarom zo interessante distributiemodel van Pointcast – ook
wel bekend als push publishing – is door de beperkte interactiviteit
ook
zeer gemakkelijk in gebruik. De gebruikersvriendelijkheid gaat zelfs
zover dat nieuwe versies zichzelf installeren. (..). Nog een belangrijke
succesfactor van de informatiedienst is de snelheid. Het is een van
de
eerste op Internet gebaseerde toepassingen die daadwerkelijk sneller
is
dan zijn papieren equivalenten van nieuwsdiensten. Hoewel dit gezien
het
verschil in transportsnelheid tussen elektronische en papieren media
volstrekt logisch lijkt, komt dit in de praktijk nog maar nauwelijks
voor. Zo zijn veel elektronische nieuwsdiensten gebaseerd op edities
(iedere ochtend of avond een update) of zijn ze afhankelijk van
traditionele bronnen. Pointcast daarentegen maakt voornamelijk gebruik
van persberichten en -diensten als Reuters en SportsTicker. Hierdoor
is
ieder nieuw bericht onmiddellijk beschikbaar. Het vele overtyp- en
aanpassingswerk wordt zo uitgespaard. Alles wordt rechtstreeks
overgenomen en volgens een geheel geautomatiseerd proces opgemaakt
en
verzonden. De consequentie hiervan is, dat er weinig tot geen redactie
aan te pas komt. De combinatie van factoren verklaart het grote succes
van trendsetter Pointcast.’
Interessant wordt het als Prins de lijn verder doortrekt. ‘Een stapje
verder dan het verzenden van nieuws in plaats van het beschikbaar
stellen, is het versturen van audiovisuele informatie. Zo meedogenloos
als Pointcast het nieuws Internet opslingert is dit echter niet
wenselijk, omdat er veel verspilling optreedt. Zelfs al zou bandbreedte
fors goedkoper worden, dan nog is dit geen aantrekkelijk
verspreidingsmodel. Eenvoudigweg omdat er veel te inefficiënt
met de
schaars beschikbare resources wordt omgegaan. Voor twee keer zoveel
data
is nu eenmaal ook twee zoveel routeringscapaciteit benodigd en zijn
de
kosten navenant hoger. Zeker als deze kosten rechtstreeks worden
doorberekend aan de aanbieder en/of afnemer van de informatie, zullen
ze
proberen dergelijke verspilling zoveel mogelijk te vermijden. Dit leidt
tot het op-aanvraagmodel, dat is gebaseerd op de mogelijkheid tot
tweewegverkeer en interactie. Anders dan in het omroepmodel wordt de
informatie dan alleen verzonden als de ontvanger expliciet heeft
aangeven er klaar voor te zijn. Bij Pointcast is het precies andersom:
tenzij de gebruiker expliciet aangeeft niets te willen ontvangen, worden
automatisch nieuwe updates verzonden. Voor grote stromen audiovisuele,
maar niet tijdgebonden informatie is het op aanvraag versturen hËt
verspreidingsmodel van de toekomst. Volgens dit model convergeren zowel
televisie en andere elektronische apparaten als de verschillende
computers naar multimedia machines. De televisie gaat dan steeds meer
data verwerken en de computer steeds meer beeld en geluid. Zo groeien
televisie en Internet naar elkaar toe: video-on-demand op het
televisietoestel en webcamera’s op Internet.’
Is het eigenlijk niet heel raar om de zegeningen van elektronisch
publiceren te beschrijven in een boek? ‘Nee hoor’, vindt Prins, ‘ten
eerste gaat het in mijn boek over veel meer dan alleen electronic
publishing en ten tweede moet je natuurlijk ook je doelgroep in het
oog
houden. Blijkbaar laat die zich over de voordelen van on-line
communiceren het liefst off-line informeren. Het is dan ook een grove
misvatting te denken dat Internet andere media zal vervangen. Zo is
de
mobiliteit en samenhang van een boek door geen enkel elektronisch medium
te evenaren. Wanneer de over te dragen informatie alomvattend moet
zijn,
baat heeft bij een multimediale presentatie of interactie met gebruikers
is Internet een zeer geschikt publicatiemedium. Voor een maximaal effect
moet de boodschap of de informatie nu eenmaal altijd zijn afgestemd
op
het medium en het bereik daarvan. Internet is hierop geen uitzondering.’
"De Informatiemarkt, De zakelijke mogelijkheden van Internet" is
in
oktober 1997 verschenen bij Samsom BedrijfsInformatie te Alphen
aan den
Rijn. Het boek heeft een
eigen site op Internet. Op de site zijn naast de integrale tekst van
het zeer lezenswaardige voor- en nawoord ook van elk hoofdstuk enkele fragmenten
terug te vinden.
|