januari 
1998 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 

Gepubli-
ceerd
in
het 
blad 
Business
Online 
van
januari
1998
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Eind vorig jaar verscheen De Informatiemarkt, een boek over de zakelijke 
mogelijkheden van Internet. De Informatiemarkt biedt een nieuwe kijk op 
de ontwikkeling van de elektronische snelweg. Met de metafoor van de 
Informatiemarkt geeft de auteur, Jan Prins, aan dat het in de digitale 
wereld om meer draait dan elektronische snelwegen alleen. 

Prins betoogt dat het bij de beschouwing van het fenomeen Internet niet 
zozeer draait om de snelheid, maar om de communicatie en de uitwisseling 
van informatie. Informatie is volgens hem zowel het product als het 
smeer- en productiemiddel van steeds meer organisaties en bedrijven. 

Zoals bij vele nieuwe verschijnselen ontbreekt het ook bij het medium 
Internet nog aan sluitende business-modellen. ‘Met name managers staan 
daarom vaak nog huiverachtig tegenover het gebruik van Internet ter 
verbetering van de bedrijfsvoering’, aldus Prins. ‘Niet geheel 
verwonderlijk want de wereld van Internet is snel en de waarheden van 
vandaag kunnen morgen al weer zijn achterhaald.’ De ontwikkelingen van 
Internet zijn dan ook nog allesbehalve uitgekristalliseerd. Veel 
beslissers gebruiken de problemen van Internet en het feit dat er nog 
weinig keiharde winstmakers zijn als een excuus om het medium nog niet 
al ter serieus te nemen. ‘Een misvatting’, meent Prins. ‘Het gaat er 
juist om in te spelen op de kansen die het medium nu al biedt.’ 

Makkelijk is dit echter niet. ‘Hoewel Internet in feite al meer dan 
twintig jaar oud is, biedt het als platform voor de uitwisseling van 
informatie mogelijkheden waar we tot nu toe alleen nog maar van konden 
dromen. Adequaat inspelen op deze nieuwe mogelijkheden heeft vaak impact 
op de organisatie van de werkprocessen. Dit is nodig om in de nieuwe 
situatie goed in te kunnen spelen op de rechtstreekse interactie met 
klanten en afnemers.’, aldus Prins. Hij stelt dat de kritische 
succesfactor niet het medium is met al zijn beperkingen, maar de 
organisatie zèlf. In zijn boek probeert Prins daarom juist die 
beslissers en managers die worstelen met de vraag wat ze met Internet 
aan moeten de helpende hand te reiken. Het boek bevat tal van 
aanknopingspunten voor een gerichte inzet van het medium Internet met 
als doelstelling kostenvoordelen te verkrijgen of een betere kwaliteit 
van de dienstverlening. 

In de Informatiemarkt bespreekt Prins zowel de techniek als billing en 
business concepten. Bijvoorbeeld over reclame op Internet waar het 
kosten-per-klik model het traditionele kosten-per-contact gaat 
vervangen. Dit heeft als gevolg dat de ‘banner net zo lang blijft staan 
totdat er een vooraf afgesproken aantal doorklikmomenten is geweest. 
Geknoei met de cijfertjes is nu veel moeilijker omdat de aanbieder en 
afnemer van advertentieruimte elk hun eigen statistieken hebben en die 
naast elkaar kunnen leggen.’ Ook bespreekt Prins de Internet-varianten 
van de zogenaamde advertorials en informercials die hij een grote 
toekomst voorspelt, maar toch bestempeld als ‘oude wijn in nieuwe 
zakken’ omdat ze nog steeds uitgaan van het aloude distributiemodel. 
Daartegenover stelt Prins zijn op interactie gebaseerde 
informatieplanningsmodel, dat hij echter vooral kansen toedicht in 
marketing-communicatie toepassingen (pagina 151 e.v.). 

Een informatiemarkt kan niet zonder neteconomie en Prins besteedt hier 
dan ook ruim aandacht aan. ‘In economische zin kan toegevoegde waarde op 
twee manieren ontstaan: door besparingen (hetzelfde product tegen lagere 
kosten) of innovatie (meer of betere producten tegen gelijke kosten).’ 
Hij laat door middel van eenvoudige voorbeelden zien hoe forse 
besparingen mogelijk zijn door over te stappen op electronic publishing. 
‘Voor een gewoon (vierkleuren) magazine kunnen de kosten die gepaard 
gaan met het drukken en het distribueren van de content wel oplopen tot 
zo’n 70% van de totale productiekosten’, denkt Prins. Hoewel daar bij 
elektronische publicaties wel andere kosten tegenover staan, zijn deze 
substantieel lager en vormt het verschil - dat hij inschat op zo’n 50% - 
de speelruimte voor het starten van een virtueel magazine op commerciële 
basis. ‘Maar dan hebben we het niet meer over besparen, maar over 
verdienen’, stelt Prins. Onder het kopje ‘Online verdienen’ op pagina 
171 beschrijft hij hoe het businessmodel van de krant van de toekomst 
eruit ziet wanneer artikelen niet meer per honderden per dag, maar per 
stuk of per interessegebied worden verkocht. 

‘Neem als voorbeeld weer een gewone krant met een winkelprijs van twee 
gulden, stel dat daar ongeveer 100 berichten of artikelen in staan en 
dat de gemiddelde lezer daarvan ongeveer zo’n 30% daadwerkelijk leest of 
althans interessant genoeg vindt om eraan te beginnen. Bedenk verder dat 
de kosten die gemoeid zijn met het produceren van alle in de krant 
opgenomen informatie maximaal 60 cent per krant bedragen. De rest is 
bestemd voor papier-, druk- en bezorgkosten. Kosten die niet bestaan bij 
online artikelen, maar ter compensatie daarvan is extra reken- en 
communicatiekracht nodig. Deze zijn veel lager dan de kosten die behoren 
bij een papieren uitgave, maar neem 40 cent. Stel nu dat het mogelijk is 
om gemiddeld 30 artikelen per dag per lezer daadwerkelijk te verkopen, 
de speelruimte hiervoor is een gulden. Verkoopt men de artikelen per 
stuk dan mag de verkoopprijs van zo’n artikel niet veel hoger liggen dan 
vijf cent. Hier moeten we de transactiekosten nog vanaf trekken. Wil 
onze online nieuwsvoorziening een rendabele activiteit zijn, dan moeten 
deze dus lager zijn dan een cent per artikel. Ter vergelijking: de 
kostprijs van een online transactie bij PIN-betalingen ligt in de buurt 
van een kwartje. Het voorgestelde billingmodel lijkt dus volstrekt 
onhaalbaar. De intrede van het digitale equivalent van muntgeld zal dit 
echter veranderen.’ 

Het is dus nog niet zover, maar gaat electronic publishing pas echt 
doorbreken als veilige betalingen zijn geregeld? Prins: ‘Het gaat vooral 
om de hoogte van de transactiekosten, die is doorslaggevend. Als je 
Internet beschouwt als een informatiemarkt in plaats van als een 
speeltje voor nerds, dan is de conclusie dat de toetredingsdrempels van 
deze markt laag zijn en de transactiekosten tot een minimum kunnen 
dalen, snel getrokken.’ Voor veel gevestigde bedrijven en instanties kan 
dat een enorme bedreiging betekenen. Juist dat laatste is belangrijk, 
stelt Prins: ‘Het gaat er niet om wat het is, maar om wat het betekent. 
Het is deze vertaalslag die ik heb geprobeerd te maken in mijn boek.’ 

In het laatste hoofdstuk van het boek duikt Prins ook weer een beetje in 
de techniek, al houdt hij ook hier weer de nodige afstand en beperkt hij 
zich tot de essentie. Zo beschrijft hij onder het kopje ‘Informatie op 
maat’ op pagina 193 het succesverhaal van Pointcast. 

‘Het is opvallend dat één van de zeker in de bedrijfsomgevingen meest 
succesvolle toepassingen van Internet meer weg heeft van een 
televisieprogramma dan van een computerapplicatie. Het enige 
interactieve element van bijvoorbeeld de online nieuwsvoorziening 
Pointcast is de mogelijkheid vooraf een aantal interessegebieden op te 
geven. Op gezette tijden zoekt de client (die als een soort screen saver 
functioneert) contact met de server om het recente nieuws (en reclames) 
op te halen. Hiermee lijkt Pointcast wel wat op de nieuwszender CNN, die 
immers ook 24 uur per dag een continue stroom van informatie produceert. 
Essentieel is dat de informatie (of het nieuws) niet zoals gangbaar is 
op Internet ergens beschikbaar wordt gesteld, maar dat deze automatisch 
wordt verstuurd. Push in plaats van het op Internet gangbare pull dus. 
Het juist daarom zo interessante distributiemodel van Pointcast – ook 
wel bekend als push publishing – is door de beperkte interactiviteit ook 
zeer gemakkelijk in gebruik. De gebruikersvriendelijkheid gaat zelfs 
zover dat nieuwe versies zichzelf installeren. (..). Nog een belangrijke 
succesfactor van de informatiedienst is de snelheid. Het is een van de 
eerste op Internet gebaseerde toepassingen die daadwerkelijk sneller is 
dan zijn papieren equivalenten van nieuwsdiensten. Hoewel dit gezien het 
verschil in transportsnelheid tussen elektronische en papieren media 
volstrekt logisch lijkt, komt dit in de praktijk nog maar nauwelijks 
voor. Zo zijn veel elektronische nieuwsdiensten gebaseerd op edities 
(iedere ochtend of avond een update) of zijn ze afhankelijk van 
traditionele bronnen. Pointcast daarentegen maakt voornamelijk gebruik 
van persberichten en -diensten als Reuters en SportsTicker. Hierdoor is 
ieder nieuw bericht onmiddellijk beschikbaar. Het vele overtyp- en 
aanpassingswerk wordt zo uitgespaard. Alles wordt rechtstreeks 
overgenomen en volgens een geheel geautomatiseerd proces opgemaakt en 
verzonden. De consequentie hiervan is, dat er weinig tot geen redactie 
aan te pas komt. De combinatie van factoren verklaart het grote succes 
van trendsetter Pointcast.’ 

Interessant wordt het als Prins de lijn verder doortrekt. ‘Een stapje 
verder dan het verzenden van nieuws in plaats van het beschikbaar 
stellen, is het versturen van audiovisuele informatie. Zo meedogenloos 
als Pointcast het nieuws Internet opslingert is dit echter niet 
wenselijk, omdat er veel verspilling optreedt. Zelfs al zou bandbreedte 
fors goedkoper worden, dan nog is dit geen aantrekkelijk 
verspreidingsmodel. Eenvoudigweg omdat er veel te inefficiënt met de 
schaars beschikbare resources wordt omgegaan. Voor twee keer zoveel data 
is nu eenmaal ook twee zoveel routeringscapaciteit benodigd en zijn de 
kosten navenant hoger. Zeker als deze kosten rechtstreeks worden 
doorberekend aan de aanbieder en/of afnemer van de informatie, zullen ze 
proberen dergelijke verspilling zoveel mogelijk te vermijden. Dit leidt 
tot het op-aanvraagmodel, dat is gebaseerd op de mogelijkheid tot 
tweewegverkeer en interactie. Anders dan in het omroepmodel wordt de 
informatie dan alleen verzonden als de ontvanger expliciet heeft 
aangeven er klaar voor te zijn. Bij Pointcast is het precies andersom: 
tenzij de gebruiker expliciet aangeeft niets te willen ontvangen, worden 
automatisch nieuwe updates verzonden. Voor grote stromen audiovisuele, 
maar niet tijdgebonden informatie is het op aanvraag versturen hËt 
verspreidingsmodel van de toekomst. Volgens dit model convergeren zowel 
televisie en andere elektronische apparaten als de verschillende 
computers naar multimedia machines. De televisie gaat dan steeds meer 
data verwerken en de computer steeds meer beeld en geluid. Zo groeien 
televisie en Internet naar elkaar toe: video-on-demand op het 
televisietoestel en webcamera’s op Internet.’ 

Is het eigenlijk niet heel raar om de zegeningen van elektronisch 
publiceren te beschrijven in een boek? ‘Nee hoor’, vindt Prins, ‘ten 
eerste gaat het in mijn boek over veel meer dan alleen electronic 
publishing en ten tweede moet je natuurlijk ook je doelgroep in het oog 
houden. Blijkbaar laat die zich over de voordelen van on-line 
communiceren het liefst off-line informeren. Het is dan ook een grove 
misvatting te denken dat Internet andere media zal vervangen. Zo is de 
mobiliteit en samenhang van een boek door geen enkel elektronisch medium 
te evenaren. Wanneer de over te dragen informatie alomvattend moet zijn, 
baat heeft bij een multimediale presentatie of interactie met gebruikers 
is Internet een zeer geschikt publicatiemedium. Voor een maximaal effect 
moet de boodschap of de informatie nu eenmaal altijd zijn afgestemd op 
het medium en het bereik daarvan. Internet is hierop geen uitzondering.’ 

"De Informatiemarkt, De zakelijke mogelijkheden van Internet" is in 
oktober 1997 verschenen bij Samsom BedrijfsInformatie te Alphen aan den 
Rijn. Het boek heeft een eigen site op Internet. Op de site zijn naast de integrale tekst van het zeer lezenswaardige voor- en nawoord ook van elk hoofdstuk enkele fragmenten terug te vinden. 
 

 
 Terug naar de home page