DE INTERACTIEVE STRIPSITE
Deel 1

Zoek uw trefwoord en druk dan op 'Enter"
Ga ook naar de mooie Kick Wilstra site...



Deze site is behoorlijk lang. Als u het leuk vindt om een achtergrondmuziekje te horen. kunt u een keuze maken uit de volgende muziekjes: keeper of listen to your heart.

BEELDVERHAAL ALGEMEEN

Het beeldverhaal heeft tijden van bloei en tijden van verval meegemaakt, zoals iedere kunst. De Egyptenaren, de Grieken en later ook de Romeinen brachten het tot een grote perfectie en pasten het toe in hun tempels en vazen. Het beeldverhaal stond toen in hoog aanzien en werd gebruikt voor het uitbeelden van godenlevens en belangrijke historische gebeurtenissen. In de middeleeuwen kende het beeldverhaal een revival. Te denken hierbij valt aan de rijk geïllustreerde BIJBELS, de versierde KERKEN en de GETIJDENBOEKEN.

Na de uitvinding van de BOEKDRUKKUNST verloor het traditionele beeldverhaal wat terrein. Het was niet meer de enige vorm om iets te vertellen. Er ontstond een hausse van vlugschriften, die dikwijls de vorm van een (sensationeel) beeldverhaal hadden. De grote massa bleef analfabeet en het beeldverhaal was nog steeds een belangrijk communicatiemiddel. Pas in de 19e eeuw begon het beeldverhaal weer aan populariteit te winnen. Nieuwe druktechnieken maakten het mogelijk papier tweezijdig te bedrukken. Dit was niet alleen voor de ontwikkeling van de tijdschriften van belang, maar ook voor de vele kranten die overal verschenen. De o.a. hieraan gerelateerde opmars van het beeldverhaal zette zich steeds verder voort.

In Nederland treffen we vanaf de 16e eeuw veel TEGELS EN TEGELTABLOOS in het interieur van een groot aantal woningen aan. Aanvankelijk eerst losse motieven, zoals spelende kinderen met hoepels, bootjes en windmolens. Later werden DE TEGELS samengevoegd en ontstond er een vertelling. Bijbelse verhalen, maar ook profane voorstellingen waren voor de tegeltabloos de favoriete onderwerpen. Ook in de 16e eeuw werden de VOLKS- EN DE KINDERPRENTEN (ook wel stuiver- of CENTSPRENTEN genoemd) in Nederland zeer geliefd. Deze prenten, waarbij naast de afbeeldingen teksten opgenomen waren, werden via de houtsnede massaal verspreid onder het volk. De bekendste voorbeelden van de volksprenten uit het buitenland zijn de IMAGES D'EPINAL uit Frankrijk en DE BILDERBOGEN uit Duitsland.
In Nederland werden ze gemaakt door landarbeiders buiten het seizoen als ze vrij waren en gedrukt in kleine drukkerijen, met name in de steden Zaltbommel en Deventer. Van WILLEM BILDERDIJK verscheen het prentenboek Hanenpoot. De CENTSPRENTEN werden door de marskramers aan de deur verkocht (De prenten zijn nu 250 gulden waard, mits ze grof geverfd zijn). De prentjes werden gemaakt door familiebedrijfjes (voor het volk en door het volk). Eerst in de vorm van HEILIGENPRENTJES, maar door de eeuwen heen evolueerde het heiligenprentje tot een echt beeldverhaal. Met name de 18e eeuwse kinderprenten had een grote invloed op het beeldverhaal. Dit gold ook voor de, ook in deze eeuw, ontwikkelde TOVERLANTAARN (beelden stuk voor stuk geprojekteerd).

In de 19e eeuw was DE SPOTPRENT populair. Tot deze categorie behoorde ook de 'STUDENTEN PRENT' die een satirische kijk gaf op de maatschappij en op de studentenwereld in het bijzonder. In 1874 publiceerde ALEXANDER VERHEULL de prentenbundel Zoo zijn er dat uit veel studentenprenten bestond. Dit eerste boek groeide uit tot een hele serie. Toch wordt deze serie niet gezien als de start van het Nederlands beeldverhaal.

Het woord BEELDVERHAAL spreekt eigenlijk voor zichzelf. Het bevat namelijk de woorden 'beeld en verhaal'. Het eerste suggereert plaatjes, het tweede tekst. Het zijn verhalen waarbij de plaatjes, evenals de tekst in een lopende volgorde worden gepresenteerd, zodanig dat de plaatjes in grote trekken het verhaal al weergeven. De tekst kan als ondertekst onder de plaatjes worden afgedrukt, maar ook als tekst in de plaatjes. In het laatste geval spreek men van BALLONSTRIPS. Andere vormen van beeldverhalen zijn de SILENTSTRIP: het beeldverhaal bestaat uit een reeks tekeningen, die zonder toevoeging van tekst als verhaal te volgen zijn en de GAGSTRIP. De gagstrip is een op zichzelfstaand, humoristisch beeldverhaal die zowel tekst als geen tekst kan bevatten.

Beeldverhalen komen het vaakst voor als feuilleton in kranten en weekbladen. Iedere dag (of iedere week) is een hoofdstukje, dat gevormd wordt door een kleine aanloop, een beschouwende middenmoot en een spannende climax aan het einde. Die climax dient om belangstelling voor de volgende dag te wekken. Het beeldverhaal met ondertekst verliest steeds meer terrein op de ballonstrips.

STRIP is het Engelse woord voor strook. Het wordt gebruikt om een reeks plaatjes aan te duiden, die tesamen een handeling vormen.

DE PIONIERS

Een pionier van het 'beeldverhaal-tijdperk' was WILLIAM HOGARTH, die in 1732 A Harlot's Progress en in 1735 A Rake's Progress het licht deed zien. In zijn beeldverhalen kwamen in eerste instantie nog geen tekst voor. De tekeningen moesten voor zichzelf spreken. Later kwam in sommige van zijn afzonderlijke prenten een ingetekende tekst voor. Hij bracht zodoende een combinatie tot stand van de leeskunst en de strip (de balloonstrip).

Het was een Zwitsere onderwijzer die definitief de stoot aan de herontdekking van de strip gaf. Hij moet gezien worden als de uitvinder van het moderne beeldverhaal. Zijn naam was RUDOLPHE TÖPFFER. Hij wordt beschouwd als de vader van het Europese stripverhaal. TÖPFFER tekende en schreef in 1830 M. Cryptogramma. In 1845 werd het boek uitgegeven. De door niemand minder dan Goethe aangemoedigde TÖPFFER publiceerde deze strip voor het eerst in Paris in het blad ILLUSTRATION. De tekeningen waren in deze uitgave vervangen door houtsneden van CHAM, een Franse graveur. Töppfer heeft nog zes andere beeldromans gemaakt, alsmede een drietal onvoltooide beeldverhalen, waarvan M. Trictrac pas in 1937 werd gepubliceerd. M. Cryptogramme was overigens niet het eerste maar de laatste voltooide beeldroman die gepubliceerd werd. De eerste was HISTOIRE DE M. JABOT dat in 1833 te Genève werd uitgegeven. De eerste beeldroman die Töpffer maakte was Les Amours de M. Vieux Bois (1927). Echter, deze verscheen pas een dikke tien jaar later in de openbaarheid.
In 1847 volgde de Duitse bewerking van het beeldroman M. Cryptogramme van de dichter JULIUS KELL.; deze bevatte eveneens de houtsnede van CHAM. De strip M. Cryptogramme verscheen in Nederland op naam van de dichter GOUVERNEUR en werd bekend onder de naam meneer Prikkebeen(zie afbeelding). Daarna was het de Duitser WILHEM BUSCH die met zijn Max und Moritz een strip tekende die internationale faam kreeg. Met name deze strip had veel invloed op het werk van de Amerikaanse striptekenaars uit het begin van deze eeuw.
Doch het merkwaardige is dat het beeldverhaal niet in Europa maar in de Verenigde Staten tot ware bloei kwam. Al sedert de eeuwwisseling waren in de Verenigde Staten grote gedeelten van de zondagbladen van de kranten gevuld met "COMIC STRIPS", waaruit hoofdpersonen welhaast nationale beroemdheden werden. De eerste Amerikaanse kranten die voor het eerst strips voor kinderen gingen afdrukken waren de elkaar fel concurrerende SAN FRANCISCO EXAMINER van WILLIAM RANDOLP HEARST en de NEW YORK JOURNAL(voorheen Morning Journal) van uitgever ALBERT PULITZER.

Op 18 oktober 1896 verscheen de eerste strip in New York World van uitgever JOSEPH PULITZER. Het was The Yellow Kid van RICHARD OUTCAULT. De strip prijkte iedere week op de voorpagina van de kinderbijlage en had enorm succes. The Yellow Kid was een mannetje dat oorspronkelijk in zwart-wit getekend was, maar door de kleurendruk een vaal geel kleurtje kreeg. Hij had flaporen en was gekleed in een lang knalgele nachthemd. De teksten stonden niet in tekstballonnen, maar waren te lezen op zijn nachthemd. Eigenlijk verscheen deze strip voor het eerst in 1895, maar toen bestond The Yellow Kid maar uit één prentje zonder tekst; van een verhaal was dus geen sprake.

The Yellow Kid heeft niet lang bestaan, maar gaf wel het startsein voor andere kranten om strips in hun kranten op te nemen. Eerst nog in de kinderbijlages, maar al gauw verschenen de strips dagelijks op de redactionele pagina's. Ze waren op de jeugd gericht en ongehoorzaamheid en ondeugd moesten het dan ook voortdurend ontgelden.

In 1897 verscheen van de tekenaar RUDOLPH DIRKS het populaire beeldverhaal The Katzenjammer Kids. In deze strip spraken de hoofdpersonen Hans en Fritz een Duits- Amerikaans dialect. Deze strip bestaat nog steeds en het is de langslopende stripserie ter wereld. De strip Buster Brown verscheen enkele jaren later (1902) in de NEWYORK HERALD. Dit verhaal werd ook zeer populair en de reclamewereld stortte zich al gauw op deze krantenstrip. In no time verschenen diverse BUSTER BROWN- artikelen zoals hoeden en whiskey. Het bekends waren de Buster Brownschoenen, die nog lang na het verschijnen van de strip verkocht werden.

In 1907 oogstte Mutt and Jeff van BUD FISHER groot succes. Deze strip verschijnt nu nog in Amerikaanse kranten.

Het succes van deze voor kinderen bedoelde strips was ook bij de volwassenen erg groot, dat de uitgevers ook een beeldverhaal gingen publiceren voor alle leeftijden. Dit was Bringing up father van GEO MAC MANUS. Deze strip behoorde al gauw tot één van de beste strips van Amerika.

In 1910 verschenen veel familie-en dierenstrips; voorbeelden hiervan zijn: Krazy Kat(1911) van GEORGE HERRIMAN en Felix the Cat (1923) van PAT O'SULLIVAN. Krazy Kat, Ignatz Mouse en Offissa Pupp zijn de drie hoofdpersonages uit de strip 'Krazy Kat', die striptekenaar George Herriman tussen 1910 en 1940 maakte. Krazy Kat, een plat pratende zwarte kat, is vurig verliefd op Ignatz Mouse. Helaas, de liefde is niet wederzijds. Krazy is niet bijster snugger, maar beschikt wel over een onuitputtelijk optimisme. De strip was een vreemde strip met een vreemde taalgebruik.

Later verschenen Mickey Mouse en Donald Duck van WALT DISNEY. De eerste avonturenstrip werd in april 1924 met het verschijnen van ROY CRANE'S Wash Tubbs pas echt geboren. Popeye van SEGAR, Buck Rogers (1ste SF-strip) en Tarzan (door HAL FOSTER en later door BURNE HOGARTH) werden in het jaar 1929 uitgegeven. Popeye was een personage in een strip getiteld Thimble Theatre. Deze strip startte in 1919, tien jaar later maakte Popeye zijn opwachting en de figuur bleek zo'n succes dat de strip in 1931 werd omgedoopt in THIMBLE THEATRE STARRING POPEYE.

Twee jaar later verschenen de gangsterverhalen op de markt. In 1933 ontstond de eerste COMIC-BOOKS. Bekend werden de DETECTIVE COMICS en de ACTION COMICS, met superdetektives als: Superman (1938), Batman(1939), Spiderman, Plastic Man en Flash Gordon.
ALEX RAYMOND, de tekenaar van Flash Gordon beheersten alle facetten van het vak. Flash was een merkwaardige figuur, die alle kwaliteiten van een grote strip had. Toen RAYMOND de strip Flash Gordon aan een ander overdeed en begon met het detective verhaal RIP KIRBY, was het snel gedaan met hetr succes van Flas Gordon. Daarentegen was het beeldverhaal RIB KIRBY een technisch perfecte strip en werd zeer populair. ALEX RAYMOND werd een voorbeeld voor iedere tekenaar en of illustrator uit die tijd.

Superman werd binnen een korte tijd de SUPERHELD van de jeugd. Het was de personificatie van het Amerikaanse ideaal: vrijheid en democratie die met bovennatuurlijke krachten werden beschermd. Zijn dubbele identiteit (hij was tegelijkertijd de journalist Clark Kent) stelde iedereen in staat zich met hem te identificeren. De populariteit van Superman bracht andere uitgevers ertoe om ook superhelden te creëren, zoals Batman, Captain Marvel, Wonder Woman en Captain America. Batman (1939) van BOB KANE droeg net als Superman een maillot en cape en was ook een misdaadbestrijder. Echter, hij beschik niet over bovennatuurlijke krachten, hij gebruik gewoon zijn gezonde verstand, zijn spierbundels en zijn bankrekening. Op momenten dat hij niet bezig is Gotham City te bevrijden van criminelen, gaat hij door het leven als de steenrijke Bruce Wayne, die in zijn vroege jeugd met eigen ogen heeft gezien hoe zijn ouders werden vermoord. Daar komt zijn gedrevenheid vandaan. Die deelt hij met zijn kameraadje wonderboy Robin, die zijn ouders óók al had zien ombrengen. Batman dankte zijn populariteit ook aan zijn tegenstanders, zolas de Joker, de Riddler, de Penguin, Two Face en Catwoman.

Het beeldverhaal kende als eerste in de Verenigde Staten een ongekende groei en Amerikaanse tekenaars gaven voor lange tijd op verhaal- en tekentechnisch gebied de toon aan. De rest van de wereld bleef achter. In Europa bleef de strip lange tijd gericht op de jeugd, de krantenstrips en de ballonstrips werden pas eind jaren twintig populair.

EEN VLUCHT NAAR EUROPA

BELGIE EN FRANKRIJK

Alhoewel de geschiedenis van het beeldverhaal een aanvang neemt in Zwitserland speelde dit land verder geen rol van betekenis meer. In België en Frankrijk verheugde het beeldverhaal/de strip zich in een enorme populariteit (veel populairder dan in Nederland). Veel tekenaars/ schrijvers genoten al gauw internationale bekendheid. In België begon het allemaal bij de stripbladen ROBBEDOES (1938) en KUIFJE (1946). Veel nu bekende tekenaars/schrijvers leverden hun bijdrage deze tijdschriften, te weten: TIBET met Rik Ringers, PEYO met de Smurfen, MORRIS met Lucky Luke, HERGÉ met Kuifje en ANDRÉ FRANQUIN met Robbedoes en Kwabbernoot en Guust Flater en VANDERSTEEN met Suske en Wiske. In 1972 nam PAUL GEERTS het roer over van VANDERSTEEN. Hoewel van elke Suske en Wiske-album nog steeds een slordige 400.000 exemplaren worden verkocht, zijn veel lezers van mening dat de allure van de strip door GEERTS is verdwenen. Vroeger hadden Suske en Wiske heel vaak geschiedkundige achtergrond. Nu staat veel meer het avontuur centraal.

Na het overlijden van ANDRÉ FRANQUIN hebben de nieuwe tekenaars ook Robbedoes een nieuw leven gegeven, namelijk de Jonge Robbe. Die strip gaat over de jeugd van de burgerlijke Robbedoes. Deze nieuwe strip levert humor van deze tijd is anarchistisch en sexsueel. Het is momenteel een waanzinnige hit.

In Frankrijk ontstond de strip Asterix van ALBERT UDERZO/ GOSCINNY. Deze strip is in heleboel talen vertaald en heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van het Europese beeldverhaal. Toen de scenarist GOSCINNY overleed, besloot tekenaar UDERZO de schrijverspen over te nemen. Maar in de vijf volgende avonturen van Asterix bleek het toverdrankje te zijn uitgewerkt. Ook voor deze strip geldt dat veel lezers van mening zijn dat de strip nooit meer geworden is, wat het was. De humor is niet meer hetzelfde.