Pleasure Watch

Speelautomaten-convenant Breda


Onderzoek: Gokt Breda (nog steeds)? Herhaling naar deelname aan kansspelen door jongeren en hun overig gokgedrag
Onderzoekers: Drs. Y.J. van der Brugge; Ir. H.T. Kroesbergen; Drs. M.A.J.A. Verleg; J.Th.J.M. Vermeulen; Drs. E.G.H. Willems
Uitgave: Gemeente Breda, Bestuursdienst Concern-Directie Beleid en Onderzoek in samenwerking met GGD Stadsgewest Breda, maart 1996


INDEX

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

De gemeenteraad van Breda heeft in maart 1993 een nieuw speelautomatenbeleid vastgesteld. Dit beleid liep tot januari 1996. Rond die tijd diende een besluit te worden genomen over het na die datum te voeren beleid. De raad heeft aangegeven dat het huidige beleid daarbij geëvalueerd moet worden.

De Directie Beleid en Onderzoek heeft van het College van Burgemeester en Wethouders opdracht gekregen de effecten van het huidige beleid in kaart te brengen. De effectevaluatie vindt plaats middels een herhalingsmeting van het gokgedrag van de jeugd, waarvan de resultaten vergeleken worden met de nulmeting, die in 1991 is uitgevoerd door de GGD Stadsgewest Breda. In goed overleg is daarom een samenwerkingsverband aangegaan met de GGD Stadsgewest Breda.

De effectmeting heeft als doelstelling:
- het verkrijgen van inzicht in de toe- of afname van het aantal bij hulpverleningsinstellingen geregistreerde personen (waaronder jongeren) met gokproblemen;
- het verkrijgen van inzicht in de toe- of afname van het aantal jongeren dat gokt en in de toe- of afname van de intensiteit waarmee ze gokken (frequentie van gokgedrag).

De effectmeting van het speelautomatenbeleid is aan de hand van twee meetinstrumenten uitgevoerd:
1. een eenduidige registratie bij hulpverleningsinstellingen, die veelvuldig met personen met gokproblemen te maken hebben;
2. een enquête onder in Breda schoolgaande jongeren van 10 tot 19 jaar. Dit betreft dus jongeren die in Breda naar school gaan en in Breda of elders woonachtig zijn.
Beide metingen zijn breed van opzet, dat wil zeggen het hele risicogedrag (gokken, roken, drug-, alcoholgebruik en criminaliteit) is in beeld gebracht. Tevens heeft een procesevaluatie plaatsgevonden.

Belangrijkste conclusies van het onderzoek:
Op de vraag of Breda nog steeds gokt, kan gesteld worden dat dit nog steeds het geval is, waarbij echter opgemerkt dient te worden dat Breda wel anders is gaan gokken.
Sinds 1991 valt een verschuiving in gokgedrag onder scholieren in Breda waar te nemen. Naast een afname van frequent (minimaal eens per week) spelen op gokautomaten, zien we een toename van frequent wedden of met kaarten spelen om geld en kopen van krasloten. Daarnaast valt op dat het aandeel jongeren dat geld leent om te kunnen gokken of wedden is toegenomen.
Gelet op de registratie van het CAD over de periode 1993 - 1994 van eerste contacten van personen met gokproblemen en de registratie in het kader van het onderzoek (laatste kwartaal 1994 tot en met 1995) bij de drie betrokken hulpverleningsinstellingen kan men spreken van een lichte daling van het aantal nieuwe contacten in de loop van 1995. Echter, de periode waarop deze daling betrekking heeft, is te kort om van een structurele daling te kunnen spreken.

Het aandeel overmatige gokkers onder scholieren in Breda (die meer dan een kwart van hun inkomen in een automaat stoppen), is sinds 1991 nagenoeg gehalveerd (van 3,9% tot 2%). Dit wordt enerzijds verklaard door en daling van het aandeel frequente gokkers, en van het gemiddeld bestede bedrag per keer en anderzijds door een stijging van het inkomen van de jongeren. De daling is vooral toe te schrijven aan een flinke afname onder jongens. Naar onderwijssoort is met name een daling te zien op IVBO, VBO en OVG-basisscholen.

Alle varianten van gokken in beschouwing genomen, valt een verschuiving te constateren van frequent spelen op een gokautomaat richting frequent wedden of spelen met kaarten om geld (van 9% naar 11% gestegen) en kopen van krasloten (1% doet dit frequent). Het aandeel jongeren dat geld leent om te kunnen gokken of wedden is toegenomen (van 4% naar 7%).
Naar aanleidng van deze resultaten verdient het aanbeveling bij een volgende evaluatie te onderzoeken om wat voor bedragen het gaat bij het frequent wedden of spelen met kaarten om geld.
Gokgedrag blijkt gerelateerd te zijn aan risicogedrag (gebruik van genotmiddelen, kleine criminaliteit) en - blijkens de gegevens van 1991 - zowel psychische als lichamelijke gezondheidsklachten.
Het aandeel frequente spelers op behendigheidsmachines is de afgelopen vier jaar wat afgenomen (van 13% naar 10%).
(Terug naar de index)

Registratie hulpverleningsinstellingen
In de periode van oktober 1994 tot en met december 1995 hebben in totaal 85 personen zich gewend tot voornamelijk het CAD (78) en Stichting Straathoekwerk (7). Gelet op de vijf toetsmomenten is er sprake van een lichte daling. Echter, de totale toetsperiode is te kort om van een structurele daling te kunnen spreken.
Het merendeel van de hulpvragers heeft op eigen initiatief contact gezocht (25), of dit op advies van familie (21) of huisarts (14) gedaan. Het betreft overwegend mannen (86%). Qua leeftijd valt de grootste groep geregistreerden in de categorie 20/29 jaar (47 personen: 56%). In 15 gevallen (18%) betreft het jongeren van 16-19 jaar. Het merendeel van de hulpvragers is autochtoon (86%). Van 31 geregistreerden is bekend dat zij een schuld hebben, waarvan de grootste groep tot f 2000,-.
Verreweg het meest wordt gespeeld op kansspelautomaten buiten het casino, voornamelijk in cafetaria/coffeeshop en - iets minder - de automatenhal. De hulpvragers hebben vooral aangegeven 1-5 uur in de week te spelen (35) en f 100,- tot 300,- per week te vergokken (35).
(Terug naar de index)

Jongeren en gokken
27% van de leerlingen in Breda gokt wel eens op automaten. Het aandeel frequente gokkers - minimaal eens per week - daalde van 9% naar 5%. Van de leerlingen zegt verder 46% wel eens wedddenschappen af te sluiten of te spelen met kaarten om geld. Het aandeel dat dit frequent doet is gestegen van 9% in 1991 tot 11% in 1995. Tot slot koopt 14% van de leerlingen wel eens een kraslot. Slechts 1% doet dit echter minimaal wekelijks. Daarnaast speelt bijna 48% van de scholieren wel eens op een behendigheidsmachine. De groep leerlingen die dit frequent doet daalde de afgelopen vier jaar van 13% naar 10%.
Tussen bovenstaande vormen van gokken en behendigheidsspelen blijkt een onderlinge samenhang te bestaan: leerlingen die de ene variant frequent uitoefenen, blijken ook vaker andere vormen van gokken of spelen toe te passen.
(Terug naar de index)

Gokken en risicogedrag
Er blijkt een relatie te bestaan tussen zowel het gebruik van genotmiddelen als het plegen van kleine criminaliteit (inclusief spijbelen) en de frequentie van gokken. Frequentere gokkers vertonen meer risicogedrag. Daarbij neemt niet alleen het aandeel leerlingen dat dergelijk gedrag vertoont toe, maar ook de frequentie. Opvallend is dat leerlingen die vroeger gegokt hebben over het algemeen ook relatief hoog scoren. Daarnaast wordt ook voor wedden/spelen om geld een dergelijke samanhang met risicogedrag geconstateerd, zij het wat minder sterk.

Ontwikkeling in risicogedrag 1991-1995
Het aandeel rokers (17%) en ´drinkers´ (circa driekwart) is de afgelopen vier jaar nagenoeg gelijk gebleven. Het aandeel jongeren dat wel eens softdrugs gebruikt (heeft) is echter van 11% tot 18% toegenomen. Daarnaast heeft 5% van de Bredase scholieren wel eens XTC gebruikt.

Vooral op HAVO/VWO, VBO en VSO vinden we leerlingen die genotmiddelen gebruiken. Meer meisjes dan jongens roken, relatief meer jongens gebruiken echter alcohol, drugs en XTC. Ten opzichte van 1991 zijn met name meer jongens alcohol gaan drinken, terwijl vooral meer meisjes zijn gaan roken en drugs zijn gaan gebruiken.

Wat kleine criminaliteit - inclusief spijbelen - betreft: het aandeel leerlingen dat zich schuldig heeft gemaakt aan het met opzet iets vernielen, het ontvreemden van kostbaarheden van onbekenden en spijbelen van school, is onveranderd gebleven in de afgelopen vier jaar. Bij de overige vormen van kleine criminaliteit (bekladding, winkeldiefstal, fietsdiefstal en ontvreemding van familie) zien we een afname. Bij bekladden van muren en spijbelen bestaat geen verschil tussen jongens en meisjes, de overige getoetste vormen worden met name vertoond door jongens. Bij meisjes ligt echter de frequentie van winkeldiefstal en spijbelen wat hoger.
(Terug naar de index)

Gokken en achtergronden van jongeren
Van alle leerlingen blijkt anno 1995 5% frequent (minimaal eens per week) op gokautomaten te spelen. Gelet op demografische en sociale achtergronden vinden we deze frequente gokkers vooral onder:
- VBO- en HAVO/VWO-scholieren (9% respectievelijk 7%);
- jongens (8%);
- 17-jarigen (11%);
- jongeren uit ´overige´ gezinssamenstellingen (11%);
- Turkse en Marokkaanse leerlingen (8% respectievelijk 7%);
- leerlingen uit Etten-Leur (7%) en ´overige´ gemeenten (10%, vergelijk Breda: 5%);
- leerlingen met een betaalde baan van meer dan 15 uur per week (49%);
- leerlingen die nooit lid zijn geweest van een vereniging (8%).

Ten opzichte van 1991 is het aandeel frequente gokkers gedaald (van 9% tot 5%). Opmerkelijke dalingen zien we daarbij vooral onder IVBO- en VBO-leerlingen (van 33% tot 5% respectievelijk van 17% tot 9%) en jongens (van 15% tot 8%). Ook de dalingen onder Marokkaanse en Surinaamse/Antilliaanse leerlingen was opvallend (van 20% naar 7% respectievelijk 17% tot 6%). Daartegenover is frequent gokgedrag onder de Turkse jongeren sterk gestegen (van 3% tot 8%).

Wedden en achtergronden van jongeren
Van alle leerlingen blijkt anno 1995 11% frequent (minimaal eens per week) te wedden of spelen met kaarten om geld. Gelet op demografische en sociale achtergronden vinden we deze frequente wedders vooral onder:
- VBO-scholieren (15%);
- jongens (15%);
- 17-jarigen (18%);
- Surinaamse/Antilliaanse leerlingen (16%);
- leerlingen uit ´overige´ gemeenten (15%, vergelijk Breda: 10%);
- leerlingen met een betaalde baan van 11-15 uur per week (18%);
- leerlingen die lid zijn van een vereniging (11%).
De gezinssituatie van leerlingen lijkt niet van invloed te zijn op het al dan niet frequent wedden.

Ten opzichte van 1991 heeft zich een stijging van het aandeel frequente wedders voorgedaan (van 9% naar 11%). Deze stijging wordt vooral verklaard door een stijging onder HAVO/VWO-scholieren (van 7% naar 12%), meisjes (van 4% naar 6%) en Nederlandse en Surinaamse/Antilliaanse leerlingen (van 9% naar 11% respectievelijk van 13% naar 16%). Daarentegen zien we bij de Marokkaanse jongeren een flinke daling (van 9% tot 2%).
(Terug naar de index)

Gokgedrag van jongeren
Leerlingen blijken naar verhouding vooral vaak op automaten te gokken in de snackbar en - in iets mindere mate - op de kermis en in het café. Zij vergokken voornamelijk 1 tot 5 gulden per keer; slechts een kleine minderheid vergokt f 10,- of meer. Ten opzichte van 1991 komen bedragen van minimaal f 25,- wat minder vaak voor (een daling van bijna 3% naar 1% van alle leerlingen). Daarnaast blijkt van de leerlingen die wel eens gokken, een ruime meerderheid minder dan een half uur te spelen; 10% speelt een half uur tot een uur en slechts 3% speelt langer dan een uur per keer. Vooral jongens blijken relatief wat vaker langer dan een half uur te spelen, evenals leerlingen uit de brugklas en het IVBO.
Naarmate meer geld wordt verspeeld wordt ook langer gespeeld. Er blijkt daarnaast niet alleen een samenhang te bestaan tussen de frequentie van gokken en het gemiddelde bedrag of de gemiddelde speelduur per keer, maar ook tussen de frequentie van gokken en de frequentie van hiervoor geld lenen of hierom liegen. Van de leerlingen heeft 7% wel eens geld geleend om te gokken of wedden (versus 4% in 1991). Dit gebeurde voornamelijk op het VBO en door jongens. Jongens blijken ook wat vaker dan meisjes te liegen over gokken of wedden.
Van de leerlingen die wel eens gokken blijkt 60% dat met één of meerdere vriend(inn)en te doen. 32% gaat meestal met gezinsleden en 8% gaat alleen. Leerlingen die alleen gaan gokken treffen we vooral aan op IVBO, basisscholen in het onderwijsvoorrangsgebied en op HAVO/VWO, alsmede onder jongens.
56% van de leerlingen die wel eens hebben gegokt deed dat voor het twaalfde jaar al eens. Opvallend is dat meisjes op wat jongere leeftijd beginnen dan jongens: van hen deed 81% dit voor het veertiende jaar, van de jongens was dat 74%.

Attitude ten opzichte van gokken
Jongens hebben over het algemeen een wat positievere attitude dan meisjes over gokken. Wanneer we naar schooltype kijken blijken vooral HAVO/VWO-ers wat positiever ingesteld: zij vinden relatief vaak dat gokken leuk is, niet te veel tijd en geld kost en denken relatief vaak dat niet op leeftijd wordt gecontroleerd. Wel zien zij vaker dan de andere leerlingen de mogelijkheid om problemen met vrienden te krijgen door veel te gokken.
(Terug naar de index)

Kenmerken van overmatige spelers op gokautomaten
Overmatige gokkers, die meer dan een kwart van hun inkomen verspelen, zijn - qua achtergronden - voornamelijk te vinden onder:
- jongens (2,4%);
- VSO-leerlingen (2,7%);
- 17-jarigen (5,9%);
- leerlingen uit Etten-Leur (6,6%, vergelijk Breda: 1,4%);
- Marokkaanse (5,2%), Surinaamse/Antilliaanse (4,3%) en Turkse (3,3%) scholieren;
- leerlingen die niet bij één of twee ouders/verzorgers thuis wonen (11%);
- leerlingen die meer dan 15 uur per week betaald werk verrichten (29%);
- leden van verenigingen (82%).

De algehele daling van het aandeel overmatige spelers van 3,9% in 1991 naar 2% in 1995 wordt, bezien naar achtergrond, vooral verklaard door een daling onder:
- jongens (van 6,6% naar 2,4%);
- IVBO-ers (van 13% naar 2,1%), VBO-ers (van 8% naar 2,2%) en leerlingen van OVB-basisscholen (van 5% naar 1,9%). In de brugklas zien we daarentegen een stijging (van 1,2% tot 1,6%);
- leerlingen woonachtig in Breda (4,8% naar 1,4%) en Prinsenbeek/Nieuw-Ginneken/Teteringen (van 4,2% naar 1,3%). Bij leerlingen uit Etten-Leur wordt echter een flinke stijging geconstateerd (van 1% naar 6,6%);
- Marokkaanse (van 17% naar 5,2%), Surinaamse/Antilliaanse (van 14% naar 4,3%) en Nederlandse (van 3% naar 1,7%) leerlingen;
- leerlingen die niet bij één of twee ouders/verzorgers wonen (24% naar 11%).

De resultaten geven aan dat probleemgokkers opmerkelijk meer dan leerlingen die minder of niet gokken: alleen gaan gokken, zowel binnen als buiten Breda gokken, liegen over gokken, geld lenen voor gokken, genotmiddelen gebruiken, spijbelen en betrokken zijn bij alle getoetste vormen van (kleine) criminaliteit.

Nadere informatie


You can reach me by e-mail at: pleasure.watch@wxs.nl