In het kader van de evaluatie van het kansspelbeleid bestaat er behoefte aan inzicht in de 'aard en omvang van verslaving in relatie tot de (legale) markt van kansspelen'. Ook in het Parlement is hierop aangedrongen. De achtergrond tot deze behoefte wordt gevormd door de recente groei van de kansspelmarkt en de toegenomen zorg om verslaving en criminali teit.
Dit rapport verschaft gefundeerde informatie over de kansspelmarkt, de risicoprofielen van de verschillende spelen, de deelname aan kansspelen, het (risico)gedrag van spelers, het kansspelgedrag van risicogroeperingen, de hulpverlening aan verslaafden, en een schatting van de omvang van kansspelverslaving. In een momentopname geeft dit rapport hiermee een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot kansspelen en verslaving in Nederland.
Het rapport is gebaseerd op literatuurstudie en op een enquête onder 10.000 personen, die representatief zijn voor de Nederlandse huishoudens; de analyse is gebaseerd op de eerste 7840 respondenten. Daarnaast is het rapport gebaseerd op gegevens van en over de beleidskaders, en op gegevens van en over de diverse bij kansspelen betrokken organisaties en ondernemingen. (Naar de index)
In de afgelopen acht jaar is de legale kansspelmarkt snel ge groeid. Met name kan dit worden vastgesteld voor de categorie loterij/lotto, de casino's en de speelautomaten. De bruto- opbrengsten (inleg minus prijsuitkering) - het bedrag dat de consumenten gezamenlijk uiteindelijk kwijt zijn - namen bij loterij/lotto over 1985 tot 1993 toe van 349 miljoen tot 573 miljoen gulden (toename 40%); de totale spelinleg bedroeg 1,2 miljard gulden. Bij Holland Casino's groeiden de bruto- opbrengsten van 142 miljoen tot 535 miljoen gulden (toename 73%). En sinds de legalisering van uitbetalende speelautomaten in 1986 is ook op deze markt het aanbod toegenomen, al wordt dit aanbod recentelijk in veel Nederlandse gemeenten weer teruggedrongen. Voor de speelautomatenmarkt is, door het versnipperde karakter, niet precies bekend welke omzetgroei met de uitbreiding van het aanbod samenging. Voor 1990 is de bruto-opbrengst van de automatenmarkt geraamd op 1,5 miljard gulden. De bruto-opbrengsten van bingo en kienen liggen aanzienlijk lager dan die voor de overige kansspelen, en worden voor 1992 in dit rapport geraamd op rond de 50 miljoen gulden; daarvoor legden de spelers voor een totaalbedrag van rond de 255 miljoen gulden in. De totale legale kansspelmarkt zou opgeteld over 1992 een waarde vertegenwoordigen van 3,3 miljard gulden.
De groei van de kansspelmarkt staat voor een belangrijk deel in direct verband met de uitbreidingen van het aanbod. Zo legde bij loterij/lotto de komst van de Nationale Postcodelote rij (1989) een zwaar gewicht in de schaal (22% van de loterij/lotto markt). Het aantal legale casino's nam over de periode 1985-1992 met zes vestigingen toe van drie tot negen. (Naar de index)
Uit de enquête komt naar voren dat ongeveer de helft (51%) van de Nederlanders (12 jaar en ouder) over 1993, tot en met september, mee had gedaan aan een of meer kansspelen. Dit betekent tevens dat de helft van de Nederlanders niet deelnam: 17% van de Nederlanders doet om principiële redenen niet mee en 32% heeft andere redenen.
Loterij/lotto is onder Nederlanders verreweg de meest populaire categorie van kansspelen. Van de Nederlanders participeerde 47% in één of meer varianten van loterij/lotto. Voor de andere kansspelen ligt dit aandeel beduidend lager: 7% voor de speelautomaten, 4% voor de casino's, 2% voor bingo, en minder dan 1% voor weddenschappen (paardentotalisator en de sportweddenschappen samen).
Tussen de hoofdvormen van kansspelen onderling bestaan eveneens aanzienlijke verschillen in de regelmatigheid en de deelnamefrequentie. Bij de speelautomaten, het bingo en het wedden tendeert het aandeel regelmatige spelers (maandelijks of vaker) naar de helft. Bij de casino's ligt het aandeel regelmatige spelers beduidend lager (15%) en bij loterij/lotto ligt dit hoger (87%): niet alleen veel Nederlanders participe ren in loterij/lotto, maar men doet dit bovendien met regelmaat. Een schatting gericht op de speelfrequenties wijst uit dat de loterij/lotto spelers gemiddeld 10 keer per jaar deelnemen, de casinospelers 18 keer en de automaatspelers 107 keer (twee maal per week).
Wanneer aan kansspelen wordt deelgenomen dan bestaan er tevens verschillen naar de uitgaven voor de verschillende typen van kansspelen. Aan loterij/lotto en bingo/kien wordt gemiddeld tussen de 10 en 25 gulden per keer uitgegeven. Bij het casino liggen de uitgaven hoger, tussen de 50 en 100 gulden per keer, en bij de speelautomaten liggen de uitgaven lager; meer dan de helft van de automaatspelers geeft minder dan 10 gulden uit en 90% besteedt niet meer dan 25 gulden per keer.
Voor een inschatting van het financiële risico dat bij kansspelen wordt genomen moeten de bestedingen per deelname worden gecombineerd met de regelmaat en de frequentie van de deelname. De verschillen tussen de kansspelen onderling worden dan kleiner: aan casinospelen wordt relatief veel uitgegeven maar incidenteel deelgenomen, en aan de speelautomaten wordt relatief weinig uitgegeven maar regelmatig en ook frequent deelgenomen.
Een verdere indicatie voor het geldelijk risico is de mate waarin spelers per spelbeurt in de verleiding komen om meer uit te geven dan zij vooraf van plan waren. Over het algemeen blijken Nederlanders weloverwogen te spelen. Slechts 5% van de spelers heeft vooraf geen vast speelbedrag in het (achter)hoofd. 'Meer uitgeven dan men van plan was' overkomt duidelijk meer casinobezoekers en automaatspelers dan deelne mers aan een loterij of bingo.
Verschillen tussen de kansspelen onderling komen niet
alleen naar voren in de regelmatigheid en de bestedingen, maar
ook in de publiekssamenstelling.
Het Loterij/lotto publiek vormt een dwarsdoorsnede van de
Nederlandse bevolking, al zijn de hogere klassen en opleidings
niveau's ondervertegenwoordigd. Bingo/kien wordt gedomineerd
door vrouwen uit de lagere klassen, de speelautomaten door
mannen uit de lagere klassen. Onder casinospelers treft men
relatief veel hoger opgeleidden aan.
Met betrekking tot de leeftijden valt op dat de speelauto maat het enige kansspel is dat onder tieners populariteit geniet: 25% van het automatenpubliek is jonger dan 20 jaar. Wel is de regelmatigheid van het automaatspelen onder tieners minder dan die van de wat oudere spelers. Bij de casinospelen is er een concentratie in de leeftijdsklasse van 20 tot 30 jaar.
De verschillen in publiekssamenstelling tussen de kans spelen onderling blijken groter te zijn, dan die tussen de spelers en de niet-spelers. Daarbij is de overlap tussen de categorieën kansspelen onderling beperkt; bij kansspelen gaat het om betrekkelijk gescheiden markten. Binnen een categorie kan de overlap echter aanzienlijk zijn. Zo nemen loterij/lotto spelers vaak deel aan meer dan één variant van loterij/lotto. Ook is er een relatief veelvuldig samengaan van casinospelen met speelautomaten. Dit laatste is weinig verrassend aangezien speelautomaten een belangrijk deel van het casinoprodukt uitmaken. (Naar de index)
Ten behoeve van de risico-analyse is allereerst een risicopro fiel voor de uiteenlopende vormen van kansspelen opgesteld. Daarbij is gelet op een negental produktkenmerken. In aan vulling op het belangrijke en vrij algemeen gehanteerde crite rium van de short/long odds (de tijd die verloopt tussen de inleg en het spelresultaat), is ook gekeken naar factoren als de 'behendigheid' en de 'herhaalbaarheid' van inzetten, de 'ambiance' van de speelomgeving, de 'controle' op het gedrag en de 'toegankelijkheid' van kansspelen. Bij de risico-analyse is niet alleen uitgegaan van de produktkenmerken maar ook van het gedrag rondom kansspelen. Nagegaan is hoe risicovol gedrag bij de verschillende vormen van kansspelen tot stand komt of tot stand kan komen. Daarbij kunnen uiteenlopende produktken merken van kansspelen in combinatie leiden tot een verhoging of juist tot een verlaging van het risico. Het grootste risico op overmatig spelen en verslaving bestaat duidelijk bij speel automaten en casinospelen. (Naar de index)
Loterij/lotto wordt over het algemeen gerekend tot de catego
rie van de risicoarme kansspelen. Ook in dit rapport komt dat
naar voren.
Een spelersrisico kan bij loterij/lotto voortvloeien uit
het financiële verlies dat de participanten systematisch
leiden, uit de verleidelijkheid van de hoofdprijzen, en uit de
omvang en toegankelijkheid van het aanbod aan loterijen en
lotto's.
Tussen de verschillende loterij/lotto produkten bestaan grote onderlinge verschillen naar het verlies dat de deelnemers systematisch leiden. Dit verlies is het grootste bij de Postcodeloterij (79% van de inleg) en het laagste bij de Staatsloterij (34% van de inleg). Het blijft verbazing wekkend dat deelnemers zich bij hun beslissing om aan een loterij deel te nemen nauwelijks laten leiden door de winstkansen.
Een tweede risicokenmerk kan schuilen in de verleidelijk heid van de hoofdprijzen. Recentelijk zijn die aanzienlijk gestegen. De hoofdprijzen kunnen miljoenen guldens bedragen en in de reclamestrategie van loterij/lotto organisaties ligt hierop een zwaar accent. De hoofdprijzen ontlenen hun bete kenis onder meer aan de concurrentie tussen loterij/lotto organisaties onderling.
Op de loterij/lotto markt lijkt de groei sterk samen te hangen met, en schuilt het grootste risico in, het aantal produkten en de toegankelijkheid van produkten. Loterij/lotto spelers zijn geneigd om aan meerdere varianten tegelijkertijd deel te nemen. En door innovaties in de distributiemethoden en door een meer marktgerichte benadering is de toegankelijkheid van loterij/lotto toegenomen. Een aanwijzing hiervoor is ook dat de komst van de Postcodeloterij (1989) alleen al goed is geweest voor meer dan de helft van de groei op de loterij/lotto markt. Postcodeloterij spelers blijken daarnaast veelal nog deel te nemen aan een andere variant van loterij/lotto (Staatsloterij, Bank-giro loterij of Lotto). Bij loterij/lotto spelers tekent zich een behoefte af aan meerdere (te onderscheiden) spelvarianten.
Met betrekking tot produktinnovaties en de uitbreiding van het aanbod staan recentelijk de introductie van een dage lijkse lotto en de plannen voor een instantloterij in de belangstelling. Hierdoor neemt zowel het aantal loterij/lotto varianten toe, als de mogelijkheid tot een meer frequente deelname. In de eventuele risico-effecten hiervan geeft dit onderzoek slechts een beperkt inzicht. Vooralsnog is slechts de dagelijkse lotto of 'Lucky Ten' operationeel. De populariteit daarvan gaat niet samen met overmatig speelgedrag. Voor de 'Lucky Ten' spelers heeft dit spel het karakter van een 'aanvullend' produkt: de spelers nemen naast de dagelijkse lotto veelal nog deel aan een andere variant van loterij/lotto, de regelmatigheid van de deelname is lager dan die voor de categorie loterij/lotto als geheel, en de bestedin gen per spel zijn bovendien betrekkelijk laag. Ten aanzien van de instantloterij blijkt uit ervaringen in de ons omringende landen, dat er geen verband bestaat tussen krasloten en over matig spelen of verslaving. (Naar de index)
Ook bingo/kien wordt doorgaans gerekend tot de risicoarme
kansspelen. Speelrisico's kunnen bij bingo/kien voortvloeien
uit de tijdsduur van de spelseance en de toegankelijkheid.
Een sterke 'gewenning' of 'verslaving' kan door het
bingo/kien worden opgeroepen door de grote regelmaat in de
deelname, en de relatief lange speelduur in combinatie met de
routinematigheid van de spelseance. De persoonlijke
betrokkenheid bij bingo/kien bijeenkomsten is verder groot
doordat het accent ligt op de 'gezelligheid' (56%). Een
eventuele verslaving zal bij deze spelvorm echter niet snel
leiden tot ernstige financiële problemen, omdat de inzet aan
een strikt maximum is gebonden en ook de mogelijke winst voor
de grote meerderheid van deelnemers geen belangrijk motief
vormt. Verder blijft het verlies van de spelers beperkt omdat
het prijzengeld zeer gelijkmatig over de deelnemers wordt
verdeeld en het percentage van de inleg dat systematisch
verloren gaat relatief klein is. Het spel is hiermee
toegesneden op de kenmerken van een homogene doelgroep
(vrouwen uit lagere klassen). De risico's van bingo/kien
schuilen eerder in een mogelijk malafide exploitatie dan in
een overmatige betrokkenheid.
(Naar de index)
De casinospelen worden doorgaans, ook in dit rapport, gerekend
tot de risicovolle kansspelen. De risico's schuilen in een
combinatie van factoren. Bij het casinobezoek zijn echter ook
een aantal risiconeutraliserende factoren in het geding.
Risico vloeit voort uit de mogelijkheid van herhaald
inzetten, van bovendien relatief hoge inzetten en van een
relatief lange speelduur. Dit risico wordt in enige mate
geneutraliseerd door het gegeven dat het casinobezoek, anders
dan bingo/kien, geen voortdurende betrokkenheid bij het spel
imliceert en dat de aantrekkelijkheid van het casino voor een
groot aantal bezoekers niet in de eerste plaats in de kansspe
len gezien wordt, maar in het sociale aspect van de 'gezellig
heid'.
Bij het casinobezoek schuilt het risico verder in de rela tief grote winstkansen, de mogelijkheid tot beïnvloeding van de winstkansen, mede in combinatie met de mogelijkheid tot het winnen van grote geldbedragen. Ten dele wordt deze risicofactor geneutraliseerd door het feit dat casinobezoekers relatief weinig deelnemen vanwege de mogelijke winst en veel vaker deelnemen vanwege 'speelplezier' of 'gezelligheid' (samen 84%).
Veranderingen in het casinoprodukt en de uitbreiding van het aanbod vormen geen risicofactor van betekenis. Het gaat hierbij vooral om een sociale en geografische spreiding van de casino-spelen, en niet om het verhogen van de individuele betrokkenheid bij de casinospelen. Daarbij hebben de casino's zich niet ontwikkeld in de richting van de jeugd of kansarme groeperingen in de samenleving.
De ontwikkeling van het spelaanbod wijst wel in de rich ting van risicoverhoging. Onder meer door de toegenomen bete kenis van de speelautomaten is de herhaalbaarheid van inzetten toegenomen en de 'beslistijd' bekort. Aangetekend kan worden dat de casino's expliciet een verslavingwerend beleid voeren. (Naar de index)
Speelautomaten zijn omstreden door de associatie met jeugd, verslaving en criminaliteit. Ook in dit rapport worden speelautomaten gerekend tot de risicovolle kansspelen. Het risico schuilt bij speelautomaten, net als bij de casino's, in een complex van factoren, maar daarnaast ook in enkele specifieke omstandigheden.
Bij de speelautomaten schuilt er een risico in de korte beslistijd, de mogelijkheid van herhaald inzetten en langdurig spelen. Anders dan bij de casinospelen wordt dit risico nauwe lijks geneutraliseerd door een gezelligheidsaspect, en voor een minderheid van de spelers wordt het risico vergroot door negatieve motivaties van 'verveling' of 'afleiding'. Wel is het zo dat bij de overgrote meerderheid van automaatspelers de inzet laag en de spelduur kort is: de speelautomaat is het 'tussendoortje' op de gokmarkt.
Het winstaspect vormt bij de speelautomaten een risicofactor van betekenis. Het verliespercentage is weliswaar gematigd, maar leidt bij herhaald inzetten toch tot een verlies van gemiddeld 50 gulden per uur. Een relatief groot aantal automaatspelers (33%) stelt het winstmotief voorop.
Het vaak nog ontbreken van afdoende toezicht en controle is een specifiek risicokenmerk van de automatenmarkt, vooral in de cafetaria's, koffieshops en kantines. Dit krijgt een zwaar accent in het licht van de aantrekkelijkheid van de speelautomaat voor jeugdigen. De enquête wijst op een deelname aan speelautomaten bij 15% van de jongeren van tussen de 12 en 19 jaar.
Recentelijk is het lokale speelautomatenbeleid gericht op het terugdringen van speelautomaten op laagdrempelige lokaties. Over hoe effectief dit beleid is valt op basis van het onderhavige onderzoek weinig te concluderen. (Naar de index)
In de loop van de jaren tachtig is verslaving aan kansspelen toenemend (h)erkend als een maatschappelijk probleem. Ook in het kansspelbeleid zijn verslaving en (rand)criminaliteit steeds nadrukkelijker voorop gesteld. Hiermee nam ook de behoefte aan een schatting van het totaal aantal gokverslaaf den toe. Daarbij zijn verschillende schattingen gehanteerd, die variëren van 10.000 tot 140.000 verslaafden. Soms worden nog grotere getallen genoemd. De hiermee geschapen onzekerheid en onduidelijkheid vloeit voort uit de methodologische pro blematiek van het schatten van aantallen verslaafden. Het meetprobleem heeft te maken met de emotionele gevoeligheid van de materie, de waarderende strekking van het verslavingsbegrip, de gradaties in verslavingsgedrag en de verschillende gedragsdimensies (overmatig spelen, psychische verslaving, criminaliteit).
Vanwege de onzekere status van gangbare schattingen is in dit rapport op basis van de enquête een nieuwe schatting gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de gedachte dat noch een bericht over de meest nabije omgeving ('zelf-bericht' - over de eigen gevoelens en speelproblemen), noch een bericht over de meest algemene omgeving ('ander-bericht' - over de speel- en gedragsproblemen van derden), tot betrouwbare antwoorden leidt. In de enquête is gekozen voor een tussenpositie: aan alle respondenten is gevraagd of zij persoonlijk een 'gokverslaafde' kennen, tot welke kring van bekenden deze gerekend wordt (huishouden, familie, vrienden en kennissen), welke kansspelen het betreft, en tenslotte of de verslaving tot sociale en/of financiële problemen heeft geleid.
Uit het onderzoek komt naar voren dat bijna één op de tien Nederlanders, afgemeten naar hun eigen normstelling, een gokverslaafde kent. De schatting wijst uit dat het in Neder land moet gaan om rond de 30 duizend verslaafden aan kansspe len, waarvan rond de 21 duizend te maken hebben met sociale en/of financiële problemen. Van de aan kansspelen verslaafden speelt 73% op speelautomaten, 12% bezoekt het casino, eveneens 12% speelt bingo en 8% speelt loterij of lotto. Bij de verslaafden die loterij/lotto en/of bingo spelen gaat de verslaving duidelijk minder vaak samen met sociale en/of financiële problemen. Verslaafden die loterij/lotto spelen, spelen daarnaast bovendien vaak (60%) op automaten of ze bezoeken het casino: het gaat dan om gecombineerd spelen. Dit sluit aan bij de ervaringen van hulpverlenende instellingen, met name de CAD's, waar over 1992 tegen de 6000 verslaafden aan kansspelen stonden ingeschreven. Een groot aandeel van de cliënten bestaat uit (oudere) jongeren (70% is onder de 30 jaar), en in overgrote meerderheid zou het gaan om een automaatverslaving. Hulpverlenende instellingen achten het behandelingssucces bij een verslaving aan kansspelen groter, dan bij verslavingen aan alcohol en drugs. (Naar de index)
Het onderzoek bevat naast de enquête een aanvullende analyse van wat in de literatuur bekend is over kansspelen en verslaving onder risicogroeperingen. Dit is enerzijds van belang vanwege het feit dat een grootschalige en voor heel Nederland representatieve enquête geen gedetailleerde analyse gericht op beperkte doelgroepen toelaat, en anderzijds omdat specifieke risicogroeperingen in een grootschalig onderzoek veelal ondervertegenwoordigd zijn (randgroepjongeren, etnische minderheden, minder taalvaardigen, delinquenten e.d.). Bij de laatste risicogroeperingen wordt in dit rapport aangetekend dat wanneer zij te maken krijgen met verslaving aan kansspe len, deze verslaving veelal onderdeel is van een meervoudige achterstands- of probleemsituatie.
Vrij algemeen wordt de jeugd aangemerkt als een risicoca tegorie voor kansspelen, met name voor fruitautomaten, niet zozeer omdat kansspelverslaving overwegend onder jeugd wordt aangetroffen, maar meer omdat een intensieve deelname aan kansspelen op jeugdige leeftijd eerder en indringender zou kunnen leiden tot een verslaving. Onderzoek onder 'recreatie ve' en 'problematische' automaatspelers wijst uit dat de automaten inderdaad veelvuldig door jeugd worden bespeeld en dat onder hen ook 'overmatig' en 'verslaafd' speelgedrag voorkomt. Echter, op welke schaal dit voorkomt daarin geven dergelijke onderzoeken geen inzicht.
Ook uit scholierenonderzoeken blijkt dat de speelautomaat onder jeugdigen populariteit geniet. Het landelijk scholie renonderzoek (NIBUD) vindt voor 1992 een percentage van 13% (de enquête voor het onderhavige onderzoek wijst op een deel name van 15% in de leeftijdscategorie van 12 tot 19 jaar). Daarbij gaat het overwegend om jongens. Naar schooltype blijken de verschillen minder groot, al is de fruitautomaat duidelijk minder populair op het VWO. Nationale en regionale scholierenonderzoeken wijzen echter ook uit dat de jeugd gematigd op fruitautomaten speelt. Een klein percentage (2% tot 4%) zou relatief grote bedragen vergokken. Ter indicatie wordt dan veelal de grens van 25% van het netto-inkomen van de scholier gehanteerd. Deze grens voor 'overmatig spelen' lijkt echter voor scholieren een twijfelachtig criterium, omdat het absolute inkomen van scholieren veelal laag is en zij veelal (nog) niet verantwoordelijk zijn voor hun levensonderhoud. Hoewel het gebruik van fruitautomaten onder jeugd, zeker in vergelijking met andere vormen van risicovol gedrag (roken, drugs, alcohol), niet onrustbarend is, blijkt de fruitautomaat aantrekkelijk te zijn voor jeugd en is waakzaamheid op zijn plaats.
Onderzoek onder risicojongeren (zwerfjongeren, doelgroe pen van het straathoekwerk, alternatief gestraften, allochtone jongeren) wijst op een relatief grote populariteit van de speelautomaat en relatief veelvoorkomende gokverslaving. Onder deze groepen ligt het 'deviantieniveau' echter over de hele ge dragslinie hoger, zodat het probleemgokken voor deze groepen vooral moet worden begrepen in het licht van hun algemene probleemsituatie. En hoewel er berichten zijn over een rela tief hoge populariteit van de speelautomaat en van verslaving onder allochtone jongeren, zijn er onvoldoende onderzoeksgege vens beschikbaar om dit beeld te kunnen bevestigen of te ontkennen. Een voorzichtige conclusie is, dat binnen risico groepen het gokken een aanvullend probleem stelt en dat be staande achterstanden en probleemsituaties door gokgedrag versterkt kunnen worden. (Naar de index)