Feike Asma (1912-1984)

Feike Asma en zijn liedbewerkingen


'Wanneer Jan Zwart improviseerde over een bepaald koraal of geestelijk lied, dan werd er aan de klavieren van zijn orgel nimmer “gezeurd” en evenmin werd er om zo’n thema “heen gedraaid”. De grenzeloze muzikaliteit van Jan Zwart en zijn ongebreidelde fantasie deden alles met het gegeven en hielden de toehoorders als geboeid in hun greep tot het slotakkoord toe’.

Deze woorden schreef Feike Asma in 1977 bij de herdenking van de honderdste geboortedag van Jan Zwart. Asma kon het weten. Als kind al zat hij gekluisterd aan de radio wanneer Zwart zijn wekelijkse orgelbespelingen gaf, omdat Zwarts manier van spelen en vooral zijn koraalbewerkingen, waarmee hij meestal zijn concerten besloot, me niet meer loslieten. ‘Ik kon nergens anders aan denken. Ik heb dus altijd bewust geweten juist bij deze man in de leer te willen’.

Die wens is vervuld. Feike Asma, die de eerste orgellessen van zijn vader kreeg, was vijftien jaar toen hij naar Zwart ging voor les. In datzelfde jaar 1927 volgde hij zijn vader op als organist van de Gereformeerde Kerk in zijn geboorteplaats Den Helder. Drie jaar later verknoeide hij met opzet het toelatingsexamen voor het conservatorium om maar bij Zwart te kunnen blijven studeren.  Tot Zwarts overlijden in 1937 kreeg Asma les in de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, waar Zwart sinds zijn 21ste jaar organist was.

 

Asma wist Zwarts overwicht en invloed naast zich als hij studeerde op Bach, Mendelssohn, Franck, Guilmant, Widor. ‘Zijn manier van spelen en registreren had ik me geheel eigen gemaakt. Zijn talrijke niet uitgegeven en niet genoteerde koraalbewerkingen speelde ik na. Ik ken ze nog van buiten. Ik was met Zwart en zijn werk zo één geworden dat ik in programma¹s en concerten hem letterlijk kopieerde’, zou Asma bij zijn veertigjarig jubileum als organist toegeven. En dat terwijl hij van Zwart meermalen de raad kreeg: ‘Als je verder wilt komen, zul je een eigen persoonlijkheid moeten ontwikkelen’.

Asma’s concertprogramma¹s leken lange tijd als twee druppels water op de opzet waarmee Zwart het publiek aan zich had weten te binden. Een koraalbewerking werd gevolgd door een werk van Bach of een concert van Handel. Via Mendelssohn kwam de Franse of Duitse romantiek aan bod. Enkele koraalbewerkingen van eigen hand vormden het vertrouwde slot. Pas in de jaren zestig sloeg Asma een eigen weg in. De werken die hij koos, werden omvangrijker. Orgelsonates en orgelsymfonieën uit de Franse romantische orgelschool werden integraal uitgevoerd. Hij kwam in contact met Nederlandse componisten: Hendrik Andriessen, Marius Monnikendam, Paul Christiaan van Westering. Buitenlandse twintigste-eeuwers als Langlais en Micheelsen verschenen op de programma¹s van de tweehonderd concerten die Asma gemiddeld per jaar gaf.

Hij stelde zijn talenten in dienst van de intenties die de componisten in hun creaties hadden gelegd. Asma’s spel was markant. In zijn concerten waren de zendingsdrift en inzet voelbaar die hij in Zwart had bewonderd en van hem had geërfd: bij een zo groot mogelijk deel van de bevolking belangstelling en liefde bijbrengen voor muziek en voor het instrument dat hijzelf hartstochtelijk liefhad, het orgel.

De componist Jurriaan Andriessen getuigde bij Asma’s vijftigjarig organistenjubileum: ‘Zijn grote populariteit heeft Asma te danken aan een intense liefde niet alleen voor de orgelmuziek, maar ook voor het orgel als instrument. En zowel zijn magistrale beheersing van de techniek als een diepgaand inzicht in de speciale karakteristiek van elk orgel dat hij bespeelt, stelt hem in staat om deze liefde voor het orgel met overtuiging op zijn publiek over te brengen’.

Asma leidde zijn concertprogramma’s meestal in met een koraalbewerking, niet zelden van Zwart, en nam van zijn publiek afscheid met een eigen koraalfinale. De talrijke  koraalbewerkingen die Asma heeft nagelaten, zijn ontstaan vanuit het improviseren over psalmen en gezangen in de wekelijkse erediensten. De functie van kerkorganist lag hem het meest na aan het hart. Hij kon er niet buiten. Na Den Helder volgde in 1933 de Hooglandse Kerk in Leiden. Van 1933 tot 1965 was Asma organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Den Haag. Daarna bespeelde hij tot zijn overlijden in 1984 het Garrelsorgel in de Groote of Nieuwe Kerk te Maassluis.

Asma improviseerde en schreef voor de gewone kerkganger. Een kind kon begrijpen waar het om ging: de melodie duidelijk laten uitkomen en eerbied hebben voor de sfeer die de tekst oproept. Zijn koraalbewerkingen zijn niet gecompliceerd. Zij geven muzikaal uitdrukking aan de emoties die veel mensen voelen bij het horen en zingen van geliefde psalmen en gezangen. Zelf liet hij zich zeer bescheiden uit over zijn kwaliteiten als componist. ‘Ik weet best wat ik kan en wat ik niet kan. Componeren kan ik dus niet. Ja, koraalbewerkingen, maar dat zijn geen composities’, zei hij in een interview. Liedbewerkingen noemde hij ze liever.

Voor de NCRV-microfoon vertelde hij niet een componist te zijn ‘in de grote zin van het woord. Wat ik veel doe is bewerkingen maken van geestelijke liederen, psalmen en gezangen’. Asma had de overtuiging dat hij als kerkorganist de gemeente iets mee kon geven ‘zoals een predikant dat met zijn preek behoort te doen. En als je dat mooi doet, spoor je de mensen vanzelf aan tot zingen. Ze voelen dat je er wat in legt. En dan ontstaat er vaak weer dat eeuwigheidsgevoel bij mij als de gemeente losbarst’.

Een enkele maal ging hij in discussie met kerkmusici die de lofzang wilden gaande houden via strakke, muziekhistorisch en esthetisch verantwoorde paden: ‘Volgens de tegenwoordige opvatting mag een stijlvol koraal alleen met drieklanken en omkeringen geharmoniseerd worden. Zo’n uitgangspunt is onnatuurlijk en legt alle muzikaliteit en stemvoering aan banden; het bevordert zeker niet het zingen in de kerkdiensten. Uit een theoretisch bekrompen vooroordeel wordt de gemeente iets onthouden, namelijk geestdrift, het ‘opwaarts heffen’ en dat is een ernstig gemis in de hedendaagse eredienst want de gemeente legt ‘s Zondags weinig of geen belangstelling aan de dag voor het orgelspel. Al dat gepraat over ’strakke soberheid’ en het ‘opvoeden¹ der gemeente leidt er toe dat men zich van het orgel en zijn muziek afwendt’.

Het patroon dat Asma in zijn liedbewerkingen hanteert, kenmerkt zich in de meeste gevallen door eenvoud. Ze getuigen van zijn beleven van de tekst. Het koraal wordt vaak ingeleid met een virtuoos opgezette fantasie, gevolgd door een trio of een fugatisch deel. De bewerking behoudt een vrij en improvisatorisch karakter. De cantor-organist en componist Paul Christiaan van Westering noemde Asma¹s liedbewerkingen dóór en dóór Nederlands. ‘In tegenstelling tot wat zijn navolgers zo vaak presteren zijn de koraalbewerkingen van Feike Asma steeds smaakvol en ook muziektheoretisch volkomen verantwoord. Ze liggen soms iets gemakkelijker en bezitten soms minder contra-punctische vondsten dan die van Jan Zwart, waarmee ze maar al te veel en ten onrechte vergeleken worden. Ze zijn anders, omdat Asma een ander mens is dan Zwart. Asma’s melodisch vermogen vindt men in de tegenstemmen, waarmee hij koraalmelodieën omspeelt of die als een tweede thema optreden. Ze zijn altijd doortrokken van de geest van het koraal’.

Het is niet eenvoudig Asma’s liedbewerkingen precies te dateren. Vaststaat dat hij begon met componeren in zijn Leidse periode en dat hij deze activiteit voortzette in Den Haag. Zes ‘orgelkoralen ter nagedachtenis aan den grooten orgelmeester Jan Zwart’ stonden aan het begin van een lange reeks uitgaven. Tussen ongeveer 1950 en 1973 verschenen Asma’s koraalbewerkingen als bijlage van Het Orgelblad en verschenen er achttien deeltjes van Muziek voor Kerk en Huis. De meeste heeft hij eerder geschreven. Later maakte hij ze voor uitgave geschikt. En als hij ze nog weer later zelf speelde, dan klonken ze weer anders, omdat Asma uitdrukking gaf aan zijn gevoel op dat moment.

Piet Warnaar
 


Terug naar Feike Asma

Versie 16 maart 2002