Rudolph Garrels (1675 - 1750)
Uit:
Reformatorisch Dagblad maandag 18 juni 2001 pagina 15
Door “schelmen en dagdieven” gebouwde instrument
Uithuizen is een van ’s werelds gaafste Schnitger-orgels
Door G. de Looze
Uithuizen, 1955. De vijftienjarige Bernhardt Edskes is benoemd als organist van het Schnitger-orgel in de Jacobikerk. Uithuizen, 2001. De inmiddels kalende Edskes presenteert het resultaat van de door hem uitgevoerde restauratie van dit instrument. Het restaureren van zo'n fraai orgel waarop ik vroeger gespeeld heb, leek altijd een droom. Ik ben dankbaar dat ik toch heb mogen werken aan een van de gaafst bewaarde Schnitger-orgels. Een instrument met een prachtige ruisende, zilveren klank."
Bernhardt Edskes (1940) steekt zijn bewondering voor Arp Schnitger
(1648-1719) niet onder stoelen of banken. Hij heeft zich als leider van de in
Zwitserland gevestigde firma Bernhardt Edskes Orgelbau intensief met het werk
van deze Duitse orgelbouwer beziggehouden. “Bach geldt als de grootste
componist aller tijden. Wat de orgelbouwers betreft, is Schnitger voor mij de
grootste. De graviteit, briljantie en poëzie die hij in zijn instrumenten wist
te leggen, zijn na hem niet geëvenaard”.
Het Schnitger-orgel in de Jacobikerk in Uithuizen etaleert
dat de bouwer een vakman en een kunstenaar was.
Foto: J.W. van Willigen
De opdracht voor de bouw van het orgel in de van oorsprong middeleeuwse Jacobikerk in Uitbuizen kwam van leden van de bemiddelde familie Alberda van Menkema: de broers Unico Allard, Onno en Willem. Zij tekenden in 1699 een schuldbekentenis aan Schnitger voor de bouw van een orgel met 27 registers. Schnitger voegde bij de bouw op eigen kosten een Quint 1 ½' toe. Het instrument moest 1600 carolusgulden kosten, terwijl voor de bouw van het orgelbalkon en de orgelkast nog eens 900 carolusgulden werd neergeteld. Kosten nog moeite zijn gespaard om het beste van het beste in Uithuizen te realiseren. Het drieklaviers Schnitger-orgel in de Groningse Der Aa-kerk kostte ter vergelijking slechts 300 carolusgulden meer.
Vanwege het gildenstelsel mochten orgelmakers in vroeger dagen niet overal zelf de kasten van hun instrumenten leveren en moesten ze dit aan schrijnwerkers overlaten. De orgelkast in Uithuizen is van de hand van kistenmaker Allert Meijer. Hij besteedde het snij en beeldwerk uit aan beeldsnijder Jan de Rijk. Met het gereedkomen van het Schnitger-orgel in 1701 bezat Uithuizen het grootste dorpsorgel van (Noord-)Nederland. Zeventig jaar later verpulverde Midwolda dit record met de komst van een Hinsz-orgel met 33 stemmen.
Roem
Het forse orgel in Uithuizen zou zonder toedoen van de adellijke familie Alberda nooit gebouwd zijn. Edskes: "Deze familie bezat behalve de Menkemaborg in Uithuizen ook woningen in de stad Groningen, waar ze 's winters verbleef. Zij zullen in die periode ongetwijfeld met de Schnitger-orgels in de Der Aa-kerk en de Martinikerk hebben kennisgemaakt. Waarschijnlijk hebben ze gedacht: Dit willen wij ook.
Meestal hergebruikte Schnitger bij de bouw van een instrument pijpwerk uit het voormalige orgel. Voor Uithuizen maakte hij alle pijpen nieuw. Dit onderstreept het belang van dit instrument, want het is dus orgineler dan veel andere overgebleven orgels van deze bouwer."
De roem van Schnitger strekte zich uit over het kustgebied
van Europa en zelfs tot overzeese gebieden. Vanuit de hoofdwerkplaats in Hamburg
werden zijn orgels naar onder meer Nederland, Engeland,
Spanje en Brazilië geëxporteerd. De Duitse orgelbouwer paste een effectief
leerlingstelsel toe, waarbij meesterknechten na hun opleiding binnen het bedrijf
zelfstandig opdrachten uitvoerden. De meester maakte het plan, deed
vooronderzoek, onderhandelde, tekende contracten, was aanwezig bij de keuring
van het orgel en nam de laatste betalingen in ontvangst. Zijn medewerkers
monteerden ter plekke de voornamelijk in Hamburg vervaardigde onderdelen en
werkten het geheel af, tot en met de intonatie (de definitieve klankgeving).
In Uithuizen waren waarschijnlijk Johan Radeker en Rudolph Garrels verantwoordelijk voor de bouw van het instrument. Schnitger liet zich inzake de bouw van de instrumenten in Pieterburen en Uithuizen niet zo lovend over zijn meestergezellen uit. Hij omschreef ze als schelmen en dagdieven en verzuchtte dat ze wel verteerden, maar weinig verdiend hadden. Edskes: “Bij de restauratie troffen we in het rugwerk een kalken pijp aan, terwijl het zeker in die tijd niet gebruikelijk was om in een kerk te roken. Daarnaast bleken de verknipte kaarten die voor de afregeling van de sleepgang waren gebruikt, afkomstig van een met de hand ingekleurd kaartspel uit 1700. Ondanks zijn woorden waardeerde Schnitgers zijn kaartspelende medewerkers wel, want hij betaalde hen bij oplevering een “vereering” uit”.
Edskes restaureerde in 1986 het rugpositief, de windlade, mechanieken en klaviatuur van het Schnitger-orgel. Adviseurs bij deze restauratie waren Klaas Bolt, Willem Retze Talsma en dr. Jan van Biezen. De laatste heeft de restauratie van het hoofdwerk en het pedaal, waarbij nu Stef Tuinstra was betrokken, vanaf de zijlijn gevolgd. De situatie van 1785 -na werkzaamheden van Hinsz- vormde het uitgangspunt. In goed overleg is besloten aan het manuaal de tonen Fis en Gis toe te voegen, omdat daarvoor ruimte in de middentoren van de kas aanwezig was en omdat deze tonen van origine ook in het pedaal aanwezig waren.
Het pijpwerk van het rugwerk is in 1986 in Edskes werkplaats in Zwitserland gerestaureerd. Op uitdrukkelijk verzoek van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg voerde de orgelbouwer de werkzaamheden aan de pijpen van hoofdwerk en pedaal ter plekke, in het koor van de kerk, uit. "De rijksdienst was bang voor beschadiging tijdens het vervoer of zelfs vernietiging door brand. Aanvankelijk stond ik wat sceptisch tegenover de wensen van de rijksdienst, maar ik heb het werken in de kerkruimte als inspirerend ervaren. Daarbij komt dat vervoer intonatieresten kan beschadigen."
Schilderij
Latere
(dispositie)wijzigingen van Van Oeckelen zijn tijdens de restauratie ongedaan
gemaakt. Van Oeckelen verwijderde onder meer de consoles van de onderkas van het
hoofdwerk. Edskes herstelde de oorspronkelijke insnoeringen, waardoor het
instrument een sierlijker uitstraling kreeg. Hij reconstrueerde daarnaast onder
andere drie spaanbalgen en het windkanaalsysteem, waardoor het noodzakelijk
bleek de in 1986 uitgevoerde intonatie van het rugpositief op enkele punten te
wijzigen. De restaurateur benadrukt dat het kleine correcties betreft.
“Vergelijk het met een kleine wijziging in het vernis van een
Rembrandt-schilderij”.
Edskes deed tijdens het werk aangename verrassingen. De plank die ter versteviging van de doorgezakte pedaallade was aangebracht, bleek de afgevoerde stok te zijn waarop tot 1856 de grootste pijpen van de Bourdon 16' van het pedaal hadden gestaan. Een gouden vondst, want de diameter van de pijpen stond er in cirkels op aangegeven, wat van grote waarde voor de reconstructie van dit register was. Bij de ombouw van 1856 verdwenen zeven stemmen van Schnitger. Van sommige verloren gewaande registers vond de orgelbouwer pijpenmateriaal in andere stemmen terug, waardoor de reconstructie werd vergemakkelijkt. Edskes gebruikte voor het verlengen en aanvullen van het pijpwerk historisch orgelmetaal dat hij in de loop van de jaren verzamelde.
Zilveren klank
Over de klank van het orgel in de Jacobikerk praat de restaurateur in superlatieven: “Ik ken het orgel uit mijn jeugd. Het had ondanks alle wijzigingen zijn grondkarakteristieken behouden. Nu klinkt het completer, origineler, stralend en majestueus”.
Ook adviscur Stef
Tuinstra is lovend: “Het orgel van Uithuizen heeft die typische
Schnitger-klank. Die zilveren, ruisende klank, zonder dat het snijdend wordt.
Die streek -denk hierbij aan een viool- is in alle stemmen aanwezig. De lage
tonen klinken vol en donker, de hoge tonen helder en zingend”.
De presentatie,
zaterdag, door Sietze de Vries met improvisaties over Psalm 81 bevestigde de
enthousiaste verhalen. Dit Schnitger-orgel heeft een ontspannen toon, klinkt
doorzichtig en heeft allure, iets ruigs en iets elegants. Met de Dulciaan 8'
imiteerde De Vries een renaissance blaasensemble. Het is hoorbaar dat Schnitger
zijn tongwerken op blaasinstrumenten uit de Renaissance baseerde. De Mixtuur en
de Scherp zijn met veel kleine pijpen bezet, wat het volle werk een zilveren en
cymbaalachtige klank geeft, zonder dat het door merg en been gaat.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kreeg Uithuizen internationale
bekendheid en trok een schare orgelliefhebbers naar het hoge noorden. De
pelgrims kunnen hun schoenen weer aantrekken, “want Uithuizen bezit een
belangrijk instrument”, vindt Edskes. “Keer op keer viel me op hoe puntgaaf
de spraakmakende delen van de pijpen -labia, kernspleten en voetopeningen-
bewaard zijn gebleven, zonder ingrepen van latere orgelbouwers. Zoiets komt
nauwelijks voor”. Stef Tuinstra: “Met de 21 bewaarde registers van Schnitger
van het 28 stemmen tellende orgel is sprake van een van 's werelds authentiekste
nog bestaande Schnitger-orgels”.
Dispositie:
Manuael (hoofdwerk):
Praestant 8', Holpyp 8', Octaav 4' Spitsfluyt
4', Quint 3', Superoctaav 2', Siflet 1 ½', Mixtuer 4-5 sterk, Trompet 8’, Vox
Humana 8'.
Rugpositief
Praestant 4', Holpyp 8', Quintadena 8', Holpyp 4', Octaav 2', Sesquialter 2',
Woudfluyt 2', Quint 1 ½’ , Scherp 4', Dulciaan 8', tremulant (hele werk).
Pedaal.
Bourdon 16', Octaav 8', Octaav 4', Mixtuer 4’, Nachthoorn 2', Basuyn 16',
Trompet 8', Cornet 2'.
Terug Algemene gegevens Rudolf Garrels
Versie 9 mei 2005