Reglement tot voorkominge van brandt over den dorpe van Bergeyk ( 1754)

1

Eerstelyk de verkiesinge van brandmeesters sal staen aen de schepenen alhier

2

Daar is gestelt geworden vyf brandmeesters te weeten eenen op yderen gehugt namentlyk aen het Eyckereyndt Peter van Hoof, Broekstraet Jan Ketelaars, Loo Jan Vereyken, Weebos Lambert Steevens en op den Berkt Jan Cornelis Volders en is aen yder derselver van dese gemeente behandigt geworden twee emmers, een leer en brandhaak

3

De brandmeesters sullende so dra eenige kennisse van brand bekomen hebben, sigh aenstonds begeven naer het huys ider op zyn gehught daer den brand is en meede brengen de emmers, leer en brandhaak

4

In cas van brandt sal den brandmeester ider op syn gehugt continueel over al toesigt hebben daar het des noot sal komen te vereyschen en een ider haar in het blussche van brandt moeten gehoorsame in alles wat hen op een doenelyke weyse sal worden geordonneert op eenen boete van vyfentwintig stuyvers

5

Wanneer binnens huys brandt mogte ontstaan sullen die geene welke sigh daer inne bevinden aanstonds op straat den brandt opentlyk uytroepen sonder die te mogen verbergen op ene boete van drie gulden ingevalle den brandt sigh vervolgens buyten de huysinge quame te openbaren

6

Den nagtroeper of klapwaeker brandt vernemende of brandt hoorende roepen sal gehouden syn op verbeurte van seyne bedieninge den brandt door het gehugt daer hy gaet als meede aen het huys daer den brandt ontstaat en aen den brandmeester daer van kennis te geeven

7

Ook sal men in den brant alarm maeken en de brandklok kleppen waer op de tien naeste huysen by den brand ider een emmer of keetel sal hebben te brengen ter plaetse daer den brandt is, om daer van aanstonds gebruyk te konnen worden gemaakt op peene die daer innen nalatigh syn te verbeuren eenen gulden

8

Niemant sal vermogen eenige assche te leggen in syn huys, schuer, schop of stallinge, nogh eenigh hooy, strooy, turf, hout of andere brandtstoffe op de schelft of solder aen de schoorsteenen, maar sullen daar af moeten blyven ten minsten twee voeten op de boete van dartigh stuyvers

9

Niemandt sal met ene brandende kaers of lamp in schuer, schop of stallinge mogen gaan, ten ware de selve in een digt besloten lantaeren stondt, nogh ook sonder digte lantaern eenigh ligt in de stallen ophangen veel min met ene brandende pyp daer in gaen op eenen boete van dartigh stuyvers

10

Een ider sal gehouden weesen binnen aght sagen naar publicatie deses de spleeten, borsten en scheuren welken in schoorsteenen en ovens van backeryen, brouweryen, smitsen en andere vierplaatsen bevonden worden toe te maeken en digt te houden op eene boete van dartigh stuyvers

11

Dat van nu af aen de waterpoelen, kuylen en putten soo van de gemeente als particuliere jaarlyks in de maenden van augusty of september sullen moeten werden geveegt, gediept ende gebreet, en dat daer over als meede over de schoorsteenen, ovens, backeryen, brouweryen, mouteryen en nadere vuerplaetsen de schouwe door de regenten en brandmeesters in dier tydt sullen worden gevoert, en sullen de gebreekige verbeuren eene boete van dartigh stuyvers

12

Alle peene en boeten in dit reglement gespecificeert sullen genoten en geproffiteert worden 1/3 by den heer officier, 1/3 by den armen en het overige 1/3 by den aanbrenger, welke voors peene of boete uyt kragte van haer hoog mog. resolutie van den 6e febr 1732 by parate executie door den officier moogen worden ingevordert, en worden tot het doen der calangies mids desen geauthoriseert alle die geene die in gemeentens dienst zyn en onder eede derselver staan

Bron: SRE AA Bergeyk 9 f 60 2-1-1754

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 2 oktober 2009.