Schutreglement van Orthen (1803)

Extract uit het register der resolutien van het gemeente bestuur der stad Den Bosch

Woensdag den 21e augustus 1803

Bij resumptie gedelibreerd zijnde op het in dato 31 julij ll door de gecombineerde commissies tot den straatweg en commercie uitgebragt en tot heeden in advies gehoudene rapport onder de notulen van den 31 julij voornoemt gementioneerd is besloten zich daar mede daar bij geadviseerde te conformeeren en tot dien te besluiten omme met abrogatie van 't schut reglement van den 23 april 1788 op het weiden en schutten der beesten onder Orthen in 't vrijdom der stad te arresteeren zoo als hetzelve in voegen na volgende gearresteerd word bij deze.

Reglement op het weijden en schutten van beesten onder Orthen in het vrijdom deser stadt.

Art 1

Niemand zal eenige paarden, rundbeesten of ander vee hoe ook genaamd mogen laaten loopen op een anders land of de kanten van het zelve daar mede afweiden ten zij de hoeder van het vee voorzien zij met een schriftelijk consent van den eigenaar of gebruiker van het land of in praesentie van den zelven.
Ook zal over de stegen, wegen en het land dat binnen de banhekkens legt geen vee mogen gedreeven worden ten zij de hoeder het zelve aan een touw is leidende.

Art 2

Niemand zal zijne varkens mogen laaten loopen op dijken, wegen, stegen of gemeenten ten zij dezelve behoorlijk geringd zijn noch ook eenige stieren met kleine jongens laten drijven, maar zal een iegelijk zorg hebben te dragen dat geen stier op eenige wegen of straaten gevonden worden, dan met eenen drijver die in staat zij den zelven in bedwang te houden en voor al te verhoeden dat dezelve in geene weide alwaar koebeesten grasen geraake, alles op peene hier na gestatueerd.

Art 3

En zullen de eigenaars van het zelve vee het geene contrarie den voorgemelde articulen bij dag bevonden zal worden en geschut zal zijn voor een stuks vee, hetzij paard of rundbeest of varken verbeuren zeven en een halve stuivers en zoo en twee stuks vee is van denzelfden eigenaar vijftien stuivers maar zoo er meerder vee van den zelfden persoon te gelijker tijd mogte geschut zijn, zal er echter niet meer dan vijftien stuivers moogen genoomen worden, doch voor een stier alleen zal ieder reis betaald worden vijftien stuivers, blijvende al mede voor den schutter de sluiting en ontsluiting te zaamen ieder reis bepaald op twee stuivers door elken eigenaar van het geschutte vee te betalen.

Art 4

Zoo waneer eenig vee bevonden word aan de dijken wegen of stegen de percten te schellen of het lof te bederven in de houtgewassen zal het den dijkgeslaagden of eigenaar der houtgewassen of wie het ook zijn moge vrijstaan zodaanig vee in de schutskooi te brengen en daar voor genieten tien stuivers per stuk door den eigenaar van 't zelfde vee te betaalen, blijvende het sluitgeld als voor mede bepaald.

Art 5

Indien er varkens mogten geschut worden die niet geringd zijn, zal den eigenaar derzelve voor ieder ongeringd varken moeten betaalen zeven stuivers en eenen halve boven het voorn. schut sluitgeld, welke penningen zullen genoten worden door den algemeenen armen van het vrydom waar onder de schutting geschied en waar voor de schutter, die gemachtigd is de sluiting en ontsluiting te doen, verantwoordelyk zal zyn. Ook zal de schutter alle maanden verslag doen aan de armmeesteren hoe veele ongeringde varkens in de schutskooy zyn geweest en de voorn. penningen voor den armen aan haar ter hand stellen.

Art 6

Wanneer het mogt gebeuren dat een varken met haar jongen langs de straaten, wegen, dyken of gemeenten loopen op een anders landen bevonden wierd en vervolgens geschut, zal de eigenaar der voors. varkens moeten betaalen vyftien stuivers, doch de ouden niet gerengt zynde een en twintig stuivers en by aldien de jonge varkens dertien weeken oud zyn en niet na behoiren geringd waren zal voor ieder der zelver moeten betaald worden zeven stuivers en eenen halve, ten behoeve van de armen voorn. boven en behalven het swchut en sluitgeld, zoo als in art. 5 gezegt is.

Art 7

En of het gebeurde dat de eigenaars van voors. varkens zoude willen voorgeeven, dat dezelve geen dertien weeken oud zyn en den schutter zoude oordeele van ja, zo zal deze op zyne verantwoordelyheid voorn. varkens niet los mogen laten, maar zal onmiddelyk twee geloofwaardige getuigen van den eigenaar derzelve vorderen, welke zulks onder presentatie van eede zullen moeten bekragtigen, zullende de getuigens hier voor niets kunnen of mogen declareeren, wanneer het gezegde van den eigenaar der voors varkens zal bevonden worden met de waarheid overeenkomstig te zyn, doch zoo door de getuigens mogt verklaard worden, dat de schutter wel geoordeelt had, zal de eigenaar der voors. varkens moeten betaalen tien stuivers per stuk ten behoeve van den voors. armen in plaats van zeven en eenen halven stuivers, zullende dezelve nog daar en boven aan ieder getuigen moeten betaalen een daggeld van twaalff stuivers en indien den eigenaar van het geschutte vee met eene praesentatie van eeden niet zoude te vreeden zyn, maar eene legaale aflegging van den eed van den getuigens zoude vorderen, zal aan den geene die den eed afneemt twaalff stuivers en twaalff stuivers aan de leeden van het gemeentebestuur die daar by adsisteeren doorden eigenaar van de geschutte varkens moeten betaald worden buiten en behalve den verdere kosten daaromme te doen.

Art 8

Ook zullen geenen varkens op de verhuurde straaten stegen of wegen of eigen landerijen mogen ter weide gebragt worden, dan met eenen bekwaamen hoeder of toeziender, welke zal zorg hebben te dragen dat voors. varkens een ander op geenerly wijze schaade doen, zullende wanneer des contrarie bevonden word de schutter de zelve in de schutskooi moeten haalen met vrijlating almede aan den eigenaar of gebruiker van het land waar op het vee gevonden word, om ze zelfs te mogen schutten, zullende in 't voornoemde geval de eigenaar van de varkens moeten betaalen zes guldens de eene helft aan de armen en de andere helft aan de geenen die de schutting doet.

Art 9

Niemand wie hij ook zijn moge zal zig hebben te verstouten zijne schaapen te laaten weiden anders dan op de heijden, op zijn eigen land of op hetgeen hij in huur gebruikt, edoch zullen de schaapen mogen geweid worden op de graazen of gemeente van den eersten october tot halv maart zonder langer, wordende hiermede ook verboden dat niemand, op wat tijd van 't jaar 't ook zoude mogen wezen, zijne schaapen zal mogen weiden op een anders land ten waare zulks geschiede met voorkennis en schriftelijk consent of in presentie van den eigenaar of gebruiker zullende de herder met de schaapen op een andere land bevonden wordende en de eigenaar of gebruiker van t selve land daar bij niet present zijnde, het voors. schriftelijk consent aanstonds moeten vertoonen of anderzints vervallen in de boete van drie stuivers voor elk schaap en zoo er geen hoeder bij present mogt zijn, zal de eigenaar van de schaapen alsdan voor ieder schaap verbeuren zes stuivers.

Art 10

En wordt mede aan een ieder strictelijk verboden met schaapen te koomen binnen de schouw of banhekkens ten waare dat in de voortijd iemand zijn koorn eens wilde laaten afweiden gelijk wel gebruikelijk is en zal ook niemand met schaapen op een anders land mogen komen om het koorn in voegen voors. af te weiden, tenzij als boven de eigenaar of gebruiker van het land daartoe schriftelijk consent mogt hebben gegeeven of daarbij zelfs present mogte zijn.

Art 11

Het zal op den tijd wanneer de schaapen gewasschen worden gepermitteerd zijn de zelve zoo lang op de gemeente en niet verder te laaten loopen totdat zij wederom droog zijn, doch anders niet.

Art 12

Indien bij nagt, dat is een uur na zonnenondergang tot een uur voor zonnenopgang, eenig vee op een anders land 't zij hij er eigenaar of huurder van is, bevonden en vervolgens geschut word, zal de eigenaar van 't vee het dubbelt der voors. boetens, schut en sluitgeld gelijk die van art. 4 tot art. 8 bepaald zijn, moeten betaalen.

Art 13

In geval eenig vee dat men wilde schutten door den eigenaar of herder van het zelve mogt worden ontjagen, zal niettemin de voors. boete betaald moeten worden, mits van den contraventie consteere bij verklaaring op den eed van den schutter of een ander in eed staande persoon, die de schutting zal hebben gedaan of indien die door een ander zal zijn gedaan, onder presentatie van eede of des noods bij beëedigde verklaaring van twee geloofwaardige getuigen op den zelfden voet en onder de zelfde voorwarden als in art 7 omtrent het doen van den eed gezegt word.

Art 14

Voorts zal hij schutter indien den eigenaar huurder of andere bezitter van voors. beest of beesten aan hem kenbaar zijn gehouden wesen denselven daar van ten eersten kennis te geven met requisitie om hetzelve geschutte vee zonder uitstel te komen lossen.

Art 15

Het geschutte vee binnen drie maal 24 uuren niet gelost zijnde zal hetzelve na gedaane omroeping door den vendumeester of pagter van den ouden kleeraccijns worden verkogt en de penningen daarvan provenierende overhandigt worden aan den penningmeester van den polder indien de schutting is in derselver is geschied en anders aan den heere politierentmeester deer stad, die daar uit zullen betaalen het schutgeld en verdere kosten als mede de schaade door het verkogte vee aan den eigenaar of gebruiker van het land veroorzaakt en het overige onder zig houden ten einde aan den eigenaar indien die zig nog mogte opdoen te restitueren of anders in der zelver eerste te doene rekening te verantwoorden in beide gevallen echter met aftrek van 5 percent voor administratieloon der volle kooppenningen, daar echter wanneer hetzelve vee verhoogt werdende en het provenue daarvan voor de boeten en gereezene kosten niet voldoende zoude zijn, zoo zullen de goederen van den eigenaar van het vee zoo roerende als onroerende daar voor aansprekelijk zijn.

Art 16

Een ieder welke eenig vee zoude willen doen grazen of weyden op zodaanig land het geene onder het geschut der vesting gelegen legt ofte wel binnen dat bereik van dezelve alwaar volgens s lands wetten geene graving van slooten mag plaats hebben, zal verpligt en gehouden zijn om zoodaanig land alvoorens te moeten heymten met bekwaame en voldoende tuinen ten genoege van de daar bij belang hebbende en ten einde daar door werd voorgekoomen dat aan het naast of bijgelegen land geene schaade kan werden toegebragt daar voorts dat land onder het vrijdom der stad gelegen, alwaar sloten mogen gegraaven worden dezelven tusschen twee onderscheidene geerfdens of de gemeente zullen moeten zijn ter diepte van vier voeten en ter breedte van vier voeten onder en acht voeten boven waar van als dan ieder geerfde de helft moet graven.

Art 17

Niemand zal zich mogen verstouten een anders heimselen, tuinen, wallen of sloten af te breeken te beschadigen open te graven of te vullen op de boete van achtien guldens en correctie deswegens.

Art 18

De geerfden in meerdere kampen lands zoo als bij het slot van art 15 bepaalt is zullen gehouden zijn het zamen te graven zoo wel met de binnenste als buitenste geerfden, naar proportie der mergentalen die zij in zodaanige kampen zijn hebbende.

Art 19

Een ieder heeft de vrijheid om zijn land hetgeene zodaanig geleegen legt als bij art 15 is bepaalt af te graaven op zijn eigen erff maar zal als dan verplicht zijn om eenen halve voet met het bovenste spit van des naastgeleegen land af te blijven om bij laater tijd den sloot behoorlijk te kunnen opgraven zonder den naastgeërfden eenige schaade te doen. Ook zal er door die geene die zoude willen graven bevoorens kennis moeten gegeeven worden aan den naastgelegen geërfden, die wanneer hij genegen mogt zijn om mede te graven daar in niet zal mogen verhindert worden, doch zulks niet verkiezende zal de geene welke genegen is te graven voor af de erfmeeting ten zijnen kosten door deskundigen laaten doen ter presentie van eene commissie uit het gemeentebestuur welk een declaratoir zal geeven van de gedaane afmeeting in hunne presentie gelijk meede de naastgelege geërfden zal renuncieeren van alle aanspraak op voors. sloot mits die geene die den sloot heeft laaten leggen, gehouden zal zijn ten alle tijde zijne sloot behoorlijk heimbaar te houden, waar voor aan ieder lid der commissie door den geene die de meeting heeft laaten doen, betaalt zal worden twaalf stuivers en aan den secretaris voor het schreiven van het declaratoir vier en twintig stuivers, behalve het zegel.

Art 20

Wanneer twee onderscheidene geërfden elkander niet verstaan om eenen sloot van ouds her tusschen hunne landerijen gelegen en niet heimbaar zijnde op te graaven, zoo zal de willige zijnen sloot ter diepte van vier ter breedte onder van twee en boven van vier voeten graaven en zoo gegraven zijnde en de naast gelegen geërfde of geërfden niet tegengravende zoo zal hij dezelve gerechtelijk bij monde aanzegging laten doen om ter zelfden diepte en breedte tegen te graven doch indien de aard van de grond de voors. diepte en breedte niet zoude gedoogen zal men hier in eenige vermindering mogen maaken waar omtrent het gemeente bestuur ten alle tijde zich de macht reserveerd. En zo de sloot niet behoorlijk op zijn diepte en breedte tegen gegraven word, zoo zal men zich kunnen vervoegen aan het gemeente bestuur voornoemd, welke eene commissie van twee leeden uit haar midden zal benoemen om de sloot waarover de questie is te inspecteren en dien niet na behooren gegraven vindende zal voornoemde commissie mede gerechtelijke aansegging bij monde laaten doen om den sloot behoorlijk en op de wijze als de eerste graver gedaan heeft op te graven en daar aan niet voldaan werdende zal die sloot binnen den tijd van vier en twintig uuren door het gemeente bestuur ten kosten van den onwillige geërfden worden aanbesteed en zullende als mede de commissarissen uit het gemeentebestuur voornoemd voor de gedaane inspectie genieten vierenwtintig stuivers welke door de onwillige zullen moeten betaalt werden.

Art 21

Ten einde een ieder en wel speciaal de ingezetenen van het vrijdom dezer stad zekerheid hebben dat geschutte vee eene secuure en zeekere bewaaring zal hebben, zoo zal door het gemeente bestuur dezer stad op eene convenable plaats binnen de zelve werden geplaatst of gesteld eene bekwaame schutskooy om aldaar het vee het welk onder het vrijdom dezer gemelde stad geschut werd en alwaar geene schutskoijen gevonden werden, te plaatsen.

Art 22

De boetens bij dit reglement vastgesteld zullen komen in zoo verre namentlijk als daar omtrent bij vorige art. niet reeds bijzonder voorzien of beschikt is geworden, de eene helft voor de schout civiel dezer stad en de andere helft voor of ten behoeve van den algemeenen armen van het vrijdom, waaronder de schutting geschied of wel voor de aanbrenger.

Art 23

En op dat dit reglement exactelijk worden nagekoomen en niemand daar van ignorantie zoude kunnen voorwenden, zal het zelve binnen deze stad worden gepubliceerd en geaffigeerd als meede werde geaffigeerd op de geschikste plaatzen in het vrijdom dezer stad waar voor hetzelve verbindend is.

Art 24

En zal al het gestatueerde bij dit reglement plaats hebben voor zoo verre niet reeds voor sommige polders of districten in het vrijdom andere orders of reglementen zijn beraamd als welken bij deze worden gelaaten in hun geheel.

Art 25

Laatstelijk reserveert het gemeente bestuur aan zich de macht om dit reglement zodaanig te kunnen amplieeren en altereeren als hetzelve na tijds omstandigheeden zal oordeelen te behooren.

Aldus gearresteerd bij het gemeentebestuur der stad Den Bosch op heden den 21 augustus 1805

Bron: SA Den Bosch Archief Schaarmeesters van Orthen 10 1803, aangevuld met AA Den Bosch 1494-1815 nr 796

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 3 oktober 2009.