Brandreglement. Waalre 1804

Is door de schout civiel Jan de Jongh aan deese vergadering gecommuniceerd dat er een brand regelement in vorige jaaren voor deeze gemeente is gearresteerd, dog het welk eenige gebreeken onderheevig is en dus zeer noodzaakelyk daarin in behoorde te worden voorzien.
Zoo is naar rype deliberatie by deeze vergadering goedgevonden te arresteeren zoo als gearresteerd word by deezen het naarvolgende brandregelement.

Art 1

Niemand zal by avond of des nagts mogen gaan in de stallen of schuuren met een brandende ligt, dan alleen met een goede digte lantaarn met hoorne of glaze verligtingen.

2

Niemand zal met een pyp in de mond t zy rookende of niet mogen gaan in eenige stallen, schuppen, schuuren of diergelyke gebouwen en daar meede gaan staan werken tzy by dag of nagt en speciaal wel den dekkers en timmerlieden wanneer zy bezig zyn eenige reparatie of vernieuwingen aan soortgelyke gebouwen te doen.

3

Een ieder zal voorzigtig moeten zyn in het bewaaren en uytstorten van assche en dezelve niet mogen uytschudden, dan na dat dezelve geheel koud zal zyn of wel met water geheel is uytgeblust en dan dezelve moeten schudden ten minsten zestien voeten van de huyzen, stallen, schuuren of andere gebouwen en geenzints in de koestallen.

4

Ook zal niemand geen heydevlaggen, turf of ander rouwigheid mogen leggen by of omtrent daar vuur word gestookt ten minsten zes of agt voeten daar van daan, naar rato de groote der vertrekken.

5

Niemand zal eenig hooy, strooy of andere rouwigheyd mogen leggen teegens gevitte of gepleysterde schoorsteenen maar zullen daar van af moeten blyven ten minste vier voeten.

6

Niemand zal zig mogen verstouten om eenig dakstrooy te laaten leggen omtrent de huyzinge of andere gebouwen, maar zoo dra het afgebrooken is of de werklieden van haar werk scheydende t zelve aanstonds weg moeten ruymen als meede op of neevens de gemeentens straten geene mutsaert myten, vlaggen of heyhoopen mogen leggen, zullende ten minste van die kerrespooren moeten blyven die distantie van zestien voeten, ook zal een ieder welke turfschoppen digter als twaalf voeten van de weegen heeft staan, dezelve digt moeten vitten en looken naar dien kant of kanten daar de weg langs loopt.

7

Dat niemand eenige strooy of hooymyten van wat soort het weezen mag zal mogen leggen by eenige huyzinge, schuuren, stallen of schopen, maar ten minste daar van daan moeten leggen dertig voeten.

8

Ieder huysgezin zal zig moeten voorzien van een digte wateremmer of ketel en die geene die peerden of beesten houden daar en boven nog een goede lantaarn hier vooren in articul een gemeld en een ladder of leer, dewelke by het voeren der brandschouw aan de voordeur zullen moeten staan en geene van die voors. dingen op die dag aan een ander mogen leenen.

9

Niemand zal zyn koetsen of bedsteede met eenig hooy, strooy of takkebossen boven van bezyden mogen te zetten of leggen nog eenig hooy, strooy, turf of andere brandstoffen mogen leggen boven, beneden of ter zyde der bakovens.

10

Niemand zal vuur mogen stoken teegens een gevitte wand, maar teegens een muur van steen ten minsten hoog 6 voeten en breed vier voeten en voorts de geheele schouw wel digt moeten maken met leem off andere stoffen geen brand vattende en boven den vorst van het huys ten minste 2 voet opgemetzelt moeten zyn en dezelve schoorsteene jaarlyks ten minste twee maal moeten veegen en by het voeren der brandschouw zuyver moeten zyn.

11

Niemand zal eenig vuur van het eene huys naar het andere mogen overbrengen anders dan in eenen gedekte pot of andere machine dat het zelve voor den wind is bewaard.

12

Niemand zal mogen verstouten om eenige zoogenaamde st Martens of andere vuuren by dag, nagt of avond te stoken of by okkasie van vreugde bedryven met buskruyt mogen schieten.

13

Alle brouwovens en esten en diergelyke zulle dezelve met pannen moeten hebben gedekt en alle bakovens wel digt moeten zyn, dat er geen reten of spleeten in worden gevonden.

14

Niemand zal eenig vlas in huys by t vuur of in of op de bakovens mogen drogen of leggen om t zelve te bearbeyden of braken, maar dit zal moeten geschieden ten minsten 200 voeten van de gebouwen in hutten of kuylen en den afval of schyven aanstonds op de plaats moeten worden verbrand.

15

En zal ook geen vlas in de huyzen mogen worden gezwingd, schoon gemaakt, geklopt of gehekeld by of omtrent eenig vuur en nooyt des avonds by het ligt maar alleenlyk met den dag ver genoeg van het vuur.

16

Ook zal er geen vlas of werk mogen werden gelegd op plaatse by of omtrent het vuur of daar men met een brandend ligt komt, maar alleenlyk in kisten en kasten daar het voor vuur en ligt bevryd is.

17

Een ieder eygenaar van zyn huys zal het zelve moeten voorzien van een bequaame put, met een behoorlyke digte putkuyp of kist daar om, welke putkuyp hoog moet weezen twee en een halve voet.

18

En alsoo nietteegenstaande onze voorzieninge het egter zoude kunne gebeuren dat op de eene of andere plaats van het dorp door quade toezigt of des hemels ongelukken (het welk god verhoede) brand zoude ontstaan zoo ordonneere wy aan alle in en opgezeetenen om aanstonds in dat geval met de klokken als anderzints allarm te maaken wanneer de rotmeesters gehouden en verpligt zyn henne rotsgezelle te commandeere met de noodige brandgereedschappen naar de plaats alwaar den brand mogte plaats hebben zullen de een ieder verpligt zyn zig al daar te begeeven en de nodige orders te observeeren die hun door de rotmeesters, leeden van het gemeentebestuur of andere daar toe op dat oogenblik te benoemene persoonen zullen werden gegeeven ten eynde den zelven brand niet alleen te helpen blussen, maar den verdere voortgang te helpen stuyten.

19

Alle en een iegelyk word wel expresselyk gewaarschuwd om zig naar dit ons regelement te reguleeren en het zelve in allen deelen te opserveerene op pene dat die geene welke aan de hier voor gemelde articulen of eenige pointen van dien niet obedieerd zal verbeuren eene boeten van drie gulden te verdeelen als d eene helft voor den schout civiel en de andere helft voor die geene die de calange zal doen tot het doen van welke calanges niet alleen den vorster en schutter maar alle andere persoonen ter goeder naam en faan staande by deezen werden geauthoriseerd en zullen in alle gevalle de ouders met hunne kinderen en de meesters of meesteresssen voor henne dienstboodens in moeten staan en de boet daar voor moeten betalen.

Aldus dit regelement gearresteerd by de leeden van het gemeentebestuur van Waalre ten raadhuyze aldaar op dato als boven.

Bron: SRE AA Waalre 10 f 77v 11-8-1804

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 4 oktober 2009.