1.
Bij eb vallen de wadden droog,
Nemen wij van haar bezit.
Doch weldra wordt het water hoog,
En moet gaan slapen wie niet ziet.
2.
Bij nacht was plots de hemel helder,
Zong mijn oog een sterrenlied,
Voor vogels in de natte kwelder,
En de maan die in mij ziedt.
3.
Boven mij een draaiend licht,
Dat zee en land gelijk bewaakt.
De torenwachter doet zijn plicht,
En ziet hoe wind de golven maakt.
4.
De duinen kaal en sterk,
Weten zich uit vloed gevormd.
Drempel zijn is steeds hun werk,
Opdat de mens niet wordt bestormd.
5.
Schapen in het vlakke land,
blauw en zuiver licht omhuld.
Een kleine toren aan de rand,
Een mens geheel vervuld.
6.
Door paarden wordt de boot getrokken,
Die redding brengt in woeste zee.
Want in de nacht blijft immer lokken,
Het rif voorbij de laatste tree.
7.
Hier heerst vol kracht de kilte,
De wind die ijzig snijdt.
Dan hoor ik zacht de stilte,
Het eiland in mijn hand gewijd.
8.
Duizend vogels op een vlakke plaat,
Voeden zich uit drogend nat.
Hun klank die in de ruimte gaat,
Is het leven dat ik at.
9.
Reeën op een hellend pad,
Waar de zilte lucht nog glinstert,
In het koele morgenlicht,
Om de mens die nader trad.
10.
Hoe vruchtbaar is de nacht,
Als de stilte is gebleken,
De opengaande kracht,
Die drempels kan verbreken.
11.
Ik zie het land uit oude tijden,
De zee die bruisend in mij wacht,
Het zaad in winteraarde weiden,
Als een kind dat zomers lacht.
12.
Op een boot heb ik verlaten,
Het eiland van de nacht,
Dat in haar blauw gewaad,
Vruchtbaar in mij wacht.