Filosofie der Vrijheid
in vogelvlucht door Jan Verhoeven

3. Het denken in dienst van de wereldbeschouwing

Terwijl het waarnemen van voorwerpen en voorvallen en het denken daarover gewone toestanden zijn, die tijdens het verloop van mijn leven voortdurend dagelijks optreden, is het waarnnemen van het denken een soort uitzonderingstoestand.

Voor een ieder echter die het vermogen heeft het denken waar te nemen - en bij goede wil heeft ieder normaal aangelegd mens dit - is dit waarnemen het allerbelangrijkste wat hij kan verrichten. Immers hij neemt iets waar, waarvan hij zelf de schepper is; hij ziet zich niet tegenover een op het eerste gezicht vreemd object geplaatst, maar tegenover zijn eigen activiteit. Hij weet, hoe datgene wat hij waarneemt, tot stand komt.

Mijn zoeken krijgt eerst vaste grond, wanneer ik een object vind, waarbij ik de zin van zijn bestaan aan het object zelf kan ontlenen. Denkend ben ik dit echter zelf, want ik verleen mijn bestaan de bepaalde, in zichzelf gegronde inhoud van mijn denkende activiteit.

Wanneer ik echter mijn denken beschouw, dan is er geen element, waarmede geen rekening gehouden wordt, aanwezig. Immers wat nu op de achtergrond zweeft, is toch slechts weer het denken. Het waargenomen object is van dezlefde hoedanigheid als de activiteit, die zich daarop richt.

Op welke wijze is het mogelijk, dat mijn denken in relatie staat tot het voorwerp? Dit zijn vragen die een ieder die over zijn eigen denkprocessen nadenkt, zich moet stellen. Zij vallen weg, wanneer men over het denken zelf nadenkt.

Wat bij de natuur onmogelijk is, het scheppen voor het doorgronden, dat brengen wij bij het denken tot stand. Zouden wij bij het denken willen wachten, totdat wij het hadden doorgrond, dan zouden wij nooit aan denken toekomen. Wij moeten resoluut er op los denken, om achteraf door middel van het waarnemen van wat wij zelf hebben gedaan, tot het doorgronden daarvan te komen.

Het is toch zeker niet zonder reden, dat het spijsverteren nu eenmaal niet tot object van het spijsverteren, het denken wel degelijk object van het denken kan worden.

Er valt derhalve niet aan te twijfelen: bij het denken houden we het wereldgebeuren bij een tip vast, waar wi erbij moeten zijn, wil er iets tot stand komen. En hierop komt het toch juist aan. Dit is juist de reden waarom de dingen mij zo raadselachtig voorkomen, omdat ik in het geheel geen deel heb aan hun ontstaan. Ik vind ze zonder meer gegeven; bij het denken weet ik echter hoe het toegaat, vandaar dat er geen oorspronkelijker uitgangspunt voor het beschouwen van alle wereldgebeuren bestaat dan het denken.

Wat baat het ons om van het bewustzijn uit te gaan en het aan een denkende beschouwing te onderwerpen, wanneer wij van te voren over de mogelijkheid door een denkende beschouwing uitsluitsel over de dingen te verktijgen, niets weten?

Wij moeten het denken eerst geheel neutraal, zonder betrekking tot een denkend subject of een gedacht object beschouwen. Want in subjec ten object hebben wij alreeds begrippen, die door het denken gevormd zijn. Het valt niet te loochenen: Voordat iets anders kan worden begrepen, moet het denken worden begrepen. Wie dit ontkent, ziet over het hoofd, dat de mens, als lid van de schepping, niet aan de aanvang, doch het einde staat.

Eerst wanneer de filosoof het absoluut laatste als zijn uitgangspunt zal beschouwen, kan hij zijn doel bereiken. Dit absoluut laatste, waartoe de wereldontwikkeling het heeft gebracht, is echter het denken.

Men moet namelijk niet met elkaar verwarren: Gedachten als voorstellingen in beeldvorm hebben en gedachten door denken te verwerken. Gedachten in beeldvorm, als voorstellingen, kunnen dromerig, als vage ingevingen in de ziel opkomen. Denken is dit niet.