Filosofie der Vrijheid
in vogelvlucht door Jan Verhoeven

5. Het kennen van de wereld

Tussen de waarneming en iedere mogelijk uitspraak daarover schuift zich het denken.

Niet aan de voorwerpen moet worden teogeschreven, dat zij ons in eerste instantie zonder de corresponderende begrippen worden gegeven, doch aan onze eigen geestelijke gesteldheid. Ons wezen in zijn totaliteit functioneert op zulk een wijze, dat bij ieder ding der werkelijkheid de elementen die daarbij in aanmerking komen, van twee zijden toestromen: van de zijde van het waarnemen en van het denken

Ik ben ingesloten in het gebied dat ik als dat van mijn persoonlijkheid waarneem, maar ik ben drager van een werkzaamheid die van een hogere sfeer mijn bestaan bepaalt. Ons denken is niet individueel zoals ons gewaarworden en voelen. Het is universeel. Het verkrijgt slecht in ieder afzonderlijk mens een individueel stempel, doordat het op zijn individuele voelen en gewaarworden wordt betrokken. Door deze bijzondere schakeringen van het universele denken onderscheiden de afzonderlijke mensen zich van elkaar. Een driehoek heeft slechts een enkel begrip. Voor de inhoud van dit begrip maakt het geen verschil of de drager van het menselijk bewustzijn A of B deze inhoud begrijpt. Hij zal echter door elk van deze beide bewustzijnsdragers op individuele wijze worden begrepen.

In het denken is ons het element gegeven, dat onze bijzondere individualiteit met de kosmos tot een geheel aaneensluit. terwijl wij gewaarworden en voelen (ook waarnemen) zijn wij afzonderlijke wezens, terwijl wij denken zijn wij dat al-omvattende-ene wezen, dat alles doordringt.

Doordat het denken in ons uitgaat boven ons afzonderlijk bestaan en betrekking heeft op het algemene wereldzijn, ontstaat de drang naar kennis in ons.

De verevening, de vereniging van de beide elementen, het innerlijke en het uiterlijke, moet kennis verschaffen.

De waarneming is derhalve niet iets wat voltooid, in zichzelf besloten is, doch de ene zijde van de totale werkelijkheid. De andere zijde is het begrip. De ken-daad is de synthese van waarneming en begrip. Waarneming en begrip van een ding vormen echter eerst het gehele ding.

Wat de wil betreft, deze kan slechts als een uiting van activiteit van onze begrensde persoonlijkheid gelden.

Het aanschouwen-zonder-meer, de waarneming, geeft mij geen inhoud, die mij zou kunnen onderrichten over de graad van volkomenheid van zijn organische ontwikkeling.

Deze inhoud wordt vanuit de begrips- en ideeenwereld van de mens door het denken aan de waarneming tegemoet gebracht. tegengesteld aan de waarnemingsinhoud, die ons van buitenaf is gegeven, treedt de gedachteninhoud van binnenuit op. De vorm waarin deze gedachteninhoud allereerst optreedt zullen wij intuitie noemen. Intuitie is voor het denken, wat waarnemen voor de waarneming is. Intuitie en waarnemen zijn de bronnen van onze kennis. Wij staan bij het waarnemen van een ding zolang vreemd tegenover de wereld, totdat wij in ons innerlijk de erbij behorende intuitie hebben, die het aan de waarneming ontbrekende deel van de werkelijkheid voor ons aanvult. Voor hem die het vermogen mist, de met de dingen corresponderende intuities te vinden, blijft de volle werkelijkheid verborgen. zoals de kleurenblinde slechts verschillen in helderheid zonder kleurkwaliteiten ziet, zo kan iemand zonder intuities slechts fragmenten van waarnemingen gewaar worden.

Het nauwkeurig begrip van de voorstelling zal het ons dan ook mogelijk maken tot een bevredigende verklaring ten aanzien van de verhouding van voorstelling en voorwerp te komen. dit zal ons dan ook over de grens heenleiden, waar de verhouding tussen menselijk subject en tot de wereld behorend object van de zuivere begripssfeer van het kennen worden overgevoerd naar het concrete, individuele leven. Eerst wanneer wij weten, wat wij van de wereld te verwachten hebben, zal het ook niet moeilijk zijn ons daarnaar te richten. Wij kunnen eerst met volle kracht actief zijn, wanneer wij het tot de wereld behorend object, waaraan wij onze activiteit wijden, kennen